
Tecumseh Sparrow Spivet is een twaalfjarige cartograaf die per vrachttrein stiekem vanuit Montana naar Washington reist om een prestigieuze prijs uitgereikt te krijgen in het Smithsonian Institute. Dat is, heel kort gezegd, de inhoud van Reif Larsens roman The Selected Works of T.S. Spivet, een zelfgenoegzaam boek dat uiteindelijk nergens over blijkt te gaan.
Op het eerste gezicht, zo op het óóg, lijkt het een uitermate prikkelend werk omdat de tekst is doorspekt met kaartjes, diagrammetjes en dwarsdoorsneetjes. Onze jonge cartograaf maakt te pas en te onpas tekeningen die een samenvattende en verhelderende doelstelling hebben: ‘complexity reduced!’, zoals zijn mentor in het Smithsonian zegt. Wanneer Spivet een briefopener cadeau krijgt, tekent hij een infographic die de lezer in vier stappen laat zien hoe je dat doet, een brief opensnijden.
Dat mag je dwangmatig noemen, of grappig, maar verhelderend is het niet. T.S. beweert zelf dat hij van alles en nog wat in kaart brengt om angsten te bezweren: ‘Ik was ervan overtuigd dat het tekenen van kaarten veel kinderangsten kon bezweren. Het meten van de afstand tussen hier en daar verkleinde het mysterie over wat daartussen in lag.’ Die gewoonte heeft in elk geval een roman opgeleverd die een originele aanblik biedt, en een roman met een aanblik – uiterlijkheden als cover-ontwerp, typografie en bladspiegel niet meegerekend – is al wonderlijk genoeg.
Constateren dat de beeldcultuur oprukt is een gemeenplaats van jewelste, al valt er evenzogoed niks op af te dingen. The Selected Works of T.S. Spivet past naadloos in die beeldcultuur en zegt ook iets over de (teruggekeerde) toelaatbaarheid van plaatjes bij literaire praatjes. In de Middeleeuwen werden religieuze teksten door miniaturisten verluchtigd en tijdens de Verlichting fladderden duizenden gravures naar leeslustigen, maar na Doré achtte men het niet langer wenselijk om letterkundige teksten te illumineren: het woord moest zelfstandig beelden oproepen, in het hoofd van de lezer. In een brief aan Ernest Duplan schreef Flaubert: ‘Zolang ik leef zal niemand mij illustreren, want: de mooiste beschrijving wordt verpest door het kleinste tekeningetje. Op het moment dat een persoon met potlood is vastgelegd, verliest hij z’n algemene karakter.’
Toch lapte Umberto Eco het taboe van de ‘uitleggerige’ illustraties in 2004 aan zijn laars met de publicatie van De mysterieuze vlam van koningin Loana, waarin hij beschrijft en vooral laat zien hoe hij in zijn jeugd is beïnvloed door strips, prenten, posters, boekomslagen, foto’s en versjes. Het boek is sentimenteel, langdradig èn interessant vanwege die overdaad aan beeldmateriaal, die een einde maakt aan de notie dat een schrijver pas een schrijver is als hij een complete werkelijkheid in louter geschreven taal weet te vangen.
Wat Eco doet is niet zozeer zijn autobiografie illustreren, maar bewijsstukken opvoeren die samen verklaarbaar maken waarom hij als serieus geleerde essays zou gaan schrijven over Superman. De voorbeelden die hij aandraagt zijn concrete dingen en geen abstracte ideeën, wat doet denken aan Jonathan Swift, die in het Laputa-hoofdstuk van Gulliver’s Reizen schrijft: ‘Aangezien woorden slechts namen zijn voor dingen, zou het voor alle mensen handiger zijn om die dingen met zich mee te dragen die te maken hebben met het onderwerp dat ze gaan bespreken.’
Zo’n verregaande concreetheid zou de dood van de retorica betekenen, het einde van de verbale omweg die wij literatuur noemen, ware het niet dat beelden veel minder eendimensionaal zijn dan tekstfanaten gevoeglijk aannemen. Kijk naar de hoge kwaliteit van een literair genre dat sinds de jaren negentig wereldwijd furore maakt: de grafische roman, het getekende boek. Hierin is het picturale niet ondersteunend maar overheersend, waar het narratieve raffinement beslist niet onder te lijden heeft. Er gelden natuurlijk wel andere wetten, en de lezer neemt de werken op een nieuwe manier tot zich. Met meer inzet van de rechterhersenhelft, die beeldspraak (figuurlijk) boven grammatica (letterlijk) stelt. Literatuurliefhebbers worden op die ontwikkeling al jaren voorbereid.
Beeldlezen moet je leren
‘Je plakt – als je denkt dat ze je niet begrijpen zullen – er nog ’s een fotootje bij, dat zou je vroeger nooit gedaan hebben.’ Geen citaat van Eco, maar van Gerrit Krol, opgetekend uit De ziekte van Middleton dat in 1969 verscheen. In dit boek voegt hij de daad bij het woord en strooit hij pin-ups en cartoons door zijn boek dat ‘gaat’ over - pars pro toto – vrouwenborsten. Er zitten zelfs Spivet-achtige tekeningetjes in die bijvoorbeeld laten zien wat de opwaartse en neerwaartse krachten zijn in een strapless bra.
Je kunt dat popart noemen, een typisch tijdverschijnsel, maar Krol publiceerde twee jaar eerder al Het gemillimeterde hoofd dat één centraal thema heeft: dat van de afbeelding. Hij schreef: ‘Het belangrijkste middel in de wiskunde en ook in de wijze waarop wij elkaar verstaan, is de afbeelding. De betekenis van het woord ‘aap’ is de afbeelding van aap op ‘aap ‘.’ En: ‘’t Voorwerp vindt zijn afbeelding in onze geest. De verzameling van deze afbeeldingen is het woord dat dit voorwerp beschrijft.’ Waar eindigt verbaal en waar begint visueel? Ook Het gemillimeterde hoofd zit vol plaatjes, maar niet van het lollige soort; het zijn wiskundige figuren waarmee Krol bijvoorbeeld de werking van humor schematiseert of aantoont dat een zintuig altijd op de dunste plek van de huid zit. Interessant is vooral dat hij de afstand tussen woord en afbeelding verkleint en zijn arsenaal aan expressiemogelijkheden uitbreidt door taal met beelden te combineren. En hij is de enige niet.
Op bladzijde 287 van Orhan Pamuks roman Sneeuw is een sneeuwkristal afgebeeld waarvan de symmetrische vertakkingen corresponderen met alle thema’s uit de roman. Rede, Verbeelding en Geheugen vormen de hoofdtakken, subthema’s als ‘Doodgeschoten worden’ en ‘Het chocoladeblikje’ vormen de zijtakken. Pamuk kristalliseert zijn boek tot één enkel beeld, zijn hele winterpanorama is vervat in een flinter van een sneeuwvlokje.
Nog niet zo lang geleden was het de taak en het privilege van letterkundigen om de structuur van een roman uit de doeken te doen, nu is het de schrijver zelf die schaamteloos met formules komt. Uit de barst in het zuiver-tekstuele sijpelen beelden met een inhoud die niet strookt met wat wij onder fictie verstaan: ze bevatten feiten (verifieerbaarheden), zodat literatuur een informatieverschaffer wordt en in het vaarwater komt van de non-fictie. Lyriek werd epiek wordt informatiek, een uitwas of onvermijdelijkheid van de kennismaatschappij. Zie de boeken van Alain de Botton: niet alleen zijn populistische filosofieën wemelen van de plaatjes, zelfs in zijn roman De Romantische School wordt een betoogje over imitatief gedrag ondersteund met schematische tekeningetjes van een vrouw die zalmcarpaccio eet omdat de recensie in een trendy tijdschrift zo goed was.
De infographic (geïllustreerde legenda, diagram, schema, grafiek) maakt een snelle ontwikkeling door, die loopt van een droge verbeelding van gegevens naar een functionalistische kunstvorm met een eigen esthetica, door Edward Tufte omschreven in zijn boek Envisioning information. Verboden is klontering van data (clutter), geboden zijn transparantie en een logisch verband tussen symbolen van tijd en ruimte. Het oog moet snel begrijpen wat er verteld wordt, maar dat oog wil ook gestreeld worden: we kijken aandachtiger naar wat er plezierig uitziet.
‘Visuele ondersteuning’ is de vertaling van wat in het Engels, en in de wereld van de informatieverschaffing, steeds vaker graphic facilitation wordt genoemd. De vraag is: waarom faciliteert beeld? Uit een onderzoek van Teleac/NOT bleek: ‘Merendeel Nederlanders tussen 18 en 56 jaar heeft een voorkeur voor visueel (belevend) leren.’ De crux van dit onderzoeksresultaat zit ‘m in dat woord tussen haakjes: belevend. Wanneer mensen iets moeten leren dat hun in visuele vorm wordt aangereikt, hebben ze een beleving. Waarom?
Misschien omdat een plaatje altijd een sfeer heeft, die zich openbaart met een onmiddellijkheid die een tekst niet kan bieden. En sfeer is: emotie. Faciliteren kan hier worden opgevat als het tegenovergestelde van compliceren, dus emotie vergemakkelijkt de opname van data. Victor Lamme, hoogleraar cognitieve neurowetenschap, doet onderzoek naar hoe ons bewustzijn visuele prikkels verwerkt. In Trouw zei hij daarover: ‘Mensen zijn kijkdieren, het grootste deel van ons brein is bezig met beelden registreren en verwerken. Ons visueel systeem is er ook op gericht om een beeld in één klap te interpreteren. Als je iemand een tiende van een seconde een plaatje laat zien, weet die persoon direct wat het is en geeft hij er meteen ook een betekenis aan. Beelden registreren doe je al vanaf je geboorte, voordat je woorden ter beschikking had.’
Bij die laatste opmerking kun je een vraagteken zetten, want wat betekent ‘registreren’ als je nog niet kunt formuleren wat je ziet? Beeld moet vertaald worden om begrepen te kunnen worden, zoals taal verbeeld moet worden om begrepen te kunnen worden. En beeldlezen moet je leren, al bestaat het nog niet als schoolvak. Jammer genoeg, want hoe gaan we om met dat oprukkende, literaire beeld? Met de illustraties van Klaas Verplancke bij de Confidenties aan een ezelsoor van Frank Adam? Met de drie Nescio’s van stripmaker Joost Swarte? Met de beelden van Marc Mulders bij de essays van Willem-Jan Otten in Waarom komt u ons hinderen?
Als we willen dat deze beeldtoevoegingen méér zijn dan ornament, zullen we ze heel precies moeten duiden. Laten we met z’n allen op cursus gaan bij de Hans Aarsman van Ik zie ik zie om close-reading toe te leren passen op schijnbaar terloopse plaatjes, en de inhoud eruit te peuteren als het vruchtvlees uit een walnoot. In april 2007 schreef ik voor het tijdschrift Items een artikel over de terugkeer van het geïllustreerde boek en ik ergerde mij daarin aan belegen uitspraken van Hella Haasse, die alom de leesvaardigheid ziet afnemen doordat strip en televisie ons zouden overspoelen met ‘kant-en-klare’ beelden. Daarover zei ik: ‘Haasses kritiek getuigt van naïveteit met betrekking tot de complexiteit van het visuele. Dat wil zeggen: kant-en-klare beelden bestaan niet, het oog moet altijd aftasten, het brein moet altijd interpreteren. Beelden léés je!’ Waar nog bij komt, zoals iedereen weet die wel eens iets van Roland Barthes heeft meegekregen, dat zelfs het meest banale beeld vol verborgen boodschappen zit.
‘T.S. Spivet’, je kon erop wachten. Reif Larsen heeft, indachtig de plaatjesboeken-trend, een onvermijdelijk werk geschapen, ook al bestaat het beeld in zijn roman vooral als gimmick in de kantlijn en wordt het volstrekt niet serieus genomen. Als het zo slecht gedaan wordt is beeld bij tekst redundant, maar er zijn boeken genoeg waarin letterlijk en figuurlijk, visueel en verbaal wel op een zinvolle manier zijn geïntegreerd. In de graphic novel namelijk, die bewezen heeft dat ‘literair’ en ‘poëtisch’ geen kwalificaties zijn die je alleen kunt toepassen op het puur tekstuele. Maar om dat te zien, moet je wel kunnen beeldlezen. De postmoderne roman, mevrouw Haasse, is een bééldroman.
10 reacties
Aanmelden
Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?


25-11-2009, om 10:48:48