
Tonnus Oosterhoff is zo’n zeldzame dichter die zich nergens op laat vastprikken en zich met elke publicatie opnieuw lijkt uit te vinden. Hij scharrelt overal nieuwsgierig rond en slaagt er telkens in zijn lezers te verrassen met nieuwe poëtische vormen, waarin tekst en beeld soms allianties met elkaar aangaan, zoals in het bibliofiel verschenen handschreeuwkoor (2008), dat slechts één gedrukt gedicht bevat en voor de rest bestaat uit het (nagenoeg onleesbare) handschrift van de dichter. Ook (en dat maakt hem uniek in ons taalgebied) pioniert hij op het gebied van elektronische literatuur met zogeheten ‘bewegende gedichten’, die anders dan gedrukte poëzie niet gebonden zijn aan een gefixeerde vorm, maar keer op keer van gedaante kunnen veranderen.
In dit licht mag de komst van een nieuw boek van Oosterhoff dan ook een gebeurtenis heten, een evenement, zo je wilt, waar veel poëzieliefhebbers reikhalzend naar uitkijken. Welke verrassing heeft de dichter deze keer in petto?
Vorige week schreef Arie van den Berg in NRC Handelsblad over Leegte lacht, de jongste dichtbundel van Oosterhoff. Het werd een nogal plichtmatige bespreking. Hij komt niet verder dan het debiteren van gemeenplaatsen en noteert om de haverklap nietszeggende observaties als: ‘Het mag duidelijk zijn dat de poëzie van Oosterhoff bovenal experimenteel is.’ Ja, en Jan Kal schrijft bovenal klassieke sonnetten. Van den Berg doet nu net alsof hij de eerste is die ooit een kritiek over Oosterhoff heeft geschreven. Nergens biedt hij aanleiding tot debat over, ik noem maar wat, de veranderende aard van poëzie onder de invloed van nieuwe media.
Van den Berg heeft nauwelijks affiniteit met zijn onderwerp (experiment is eng) en voert bovenal een verplicht nummer op, waarbij hij en passant nog even sneert naar niet-randstadbewoners: ‘Poëzie is een kunstig taalbouwsel, maar doet toch bovenal mededelingen? Oosterhoff ontkomt daar soms ook niet aan. Zijn gedichten vertellen verhaaltjes of uiten zelfs maatschappijkritiek. De dichter woont weliswaar in het isolement van Oost-Groningen, maar ook dat is deel van de gewone wereld.’ Het staat er écht.
En wat, tot slot, te denken van de volgende ontboezeming? ‘Zelf houd ik niet van balsporten, maar toch kan ik gefascineerd toekijken hoe een tennisser of voetballer de stuiterende bol tot onvermoede kunsten dwingt.’ Dat doet mijn kat ook, denk ik dan.
Het is misschien niet helemaal eerlijk om Van den Berg hier als pars pro toto voor de kwijnende poëziekritiek in de dag- en weekbladen op te voeren. Hij is een doorgewinterde poëzievorser, die al in 1976 zijn eerste poëziekritiek in NRC publiceerde en sinds 1994 als vaste poëziebespreker van deze krant zijn brood verdient. Maar wanneer een kwaliteitskrant als NRC zo’n suffe, vermoeide, naar binnen gerichte recensie afdrukt over de nieuwste bundel van een groot dichter als Oosterhoff, dan moet je haast wel concluderen dat poëzie er in de traditionele, landelijke media nauwelijks nog toe doet.
In haar inmiddels veelbesproken column ‘Dichters huilen niet’ suggereert Ann De Craemer dat die kennelijk geringe populariteit van poëzie te wijten is aan de dichters zelf. Die zouden te weinig engagement tentoonspreiden en vooral ik-gerichte poëzie schrijven. Volgens De Craemer ligt hun focus steevast op de eigen navel en niet op de wereld.
Die opvatting bestrijd ik. In een recensie voor Streven over Erik Jan Harmens bloemlezing Ik ben een bijl heb ik al betoogd dat er in ons taalgebied genoeg geëngageerde poëzie wordt geschreven. Denk bijvoorbeeld aan het werk van H.H. ter Balkt, Lucas Hüsgen, Alfred Schaffer en Hans Verhagen, maar zeker ook aan Dirk van Bastelaere (die De Craemer onterecht wegzet als een ‘poëziejuwelierke’). Het is daarbij wel goed om te beseffen dat engagement eerst en vooral in de vorm zit, die lezers dwingt, en niet zozeer in de onderwerpskeuze.
Het probleem is nu dat recensenten als Van den Berg deze poëzie in zekere zin pacificeren door consequent af te zien van een geëngageerde lectuur, alsof de literatuur en de maatschappij twee gescheiden domeinen zijn. Ze weigeren geëngageerde gedichten te lezen in het licht van actuele discussies over de wereld van vandaag. Al te vaak komen ze aanzetten met een cleane, strikt ‘literaire’ en daardoor vrijblijvende bespreking die vooral de eigen autoriteit lijkt te willen bevestigen. Ze richten zich met name op consumentenadvies (‘koop deze bundel wel/niet’) en gaan jammerlijk voorbij aan de poststructuralistische kritiek die de blinde vlekken in de taal en het wereldbeeld zichtbaar wil maken.
Maar gelukkig valt er ook goed nieuws te melden. Jonge, getalenteerde critici als Jeroen Dera, Kim Gorus, Laurens Ham, Daniël Rovers en Johan Sonnenschein laten zien dat het ook anders kan. In hun recensies durven zij wel stelling te nemen en relaties te leggen tussen het besproken boek en de wereld. Ook zijn ze niet bang om hun eigen beoordelingsproces publiekelijk ter discussie te stellen en zoeken ze nadrukkelijk aansluiting bij het internationale debat.
Het lijkt me dan ook hoog tijd dat de boekenredacties van landelijke kranten en weekbladen deze jonge critici eens aan het woord laten. Wat frisse lucht is natuurlijk altijd gezond. Het zou de geloofwaardigheid van de boekenbijlagen geen kwaad doen. En wie weet geeft het de poëzie ook nog een impuls, al is dat genre taaier dan sommigen vermoeden.
3 reacties
Aanmelden
Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?


17-11-2011, om 6:31:54