cover big

Schrijverszelfmoord voorbij de mythen

Lars Bernaerts

Over De laatste deur van Jeroen Brouwers

Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2017,
ISBN 9789045021089 / 758p + 432p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 19-08-2017

Bookmark and Share

De laatste deur, een boek over de zelfmoord van schrijvers, is het levenswerk van Jeroen Brouwers (1940). In 1983, het jaar dat de eerste editie verscheen, legt hij dat al aan tv-maker Cherry Duyns uit in een brief, opgenomen in Kroniek van een karakter (1987):

Dit zelfmoordboek, waar ik 10 jaar aan heb gewerkt, is mijn ‘levenswerk’, ook in de zin van: het beschrijft ‘het thema van mijn leven’. Al is het een wetenschappelijk werk, het is tevens de zoveelste bijdrage aan mijn ‘autobiografie’ (zoals b.v. Pieter Daens een wetenschappelijk werk was, dat gelijkertijd bijdroeg aan de ‘autobiografie’ en het ‘levensthema’ van Louis Paul Boon; ander voorbeeld: Het seksuele bolwerk en De compositie van de wereld van Mulisch).

Er staat dus veel op het spel voor de auteur. Hij plaatst De laatste deur centraal in zijn leven en zijn werk. Hij presenteert het boek als een wetenschappelijke studie in de zelfmoordkunde, maar het is ook autobiografie, literatuurstudie én literatuur.

Opvallend is ook de vergelijking met Louis Paul Boons Pieter Daens (1971) en Harry Mulisch’ boek over octaviteit. In De laatste deur zelf vermeldt hij ook Simon Vestdijks studie over angst en Boons geuzenboek als referentiepunten. Die vergelijkingen geven het boek de allure van een sleutelwerk in een groot schrijversuniversum. Het is dan ook gepast dat dit jaar een nieuwe, uitgebreide editie verscheen.

De omvang en het bereik van de nieuwe editie zijn overweldigend. Ze bestaat uit twee fraai vormgegeven boekdelen van in totaal meer dan elfhonderd bladzijden. Terwijl de oorspronkelijke studie aangevuld en herzien werd in deze editie, bevat ze bovendien essays die eerder verschenen in andere boeken van Brouwers, onder meer in zijn Feuilletons en in Het vliegenboek. Integraal opgenomen in deel twee, het supplement, zijn De zwarte zon (1999) en De versierde dood (1989/1994).

Ook al leent het boek er zich door zijn encyclopedische karakter schijnbaar niet toe, het is aan te bevelen de twee delen in die volgorde te lezen. Dat heeft twee belangrijke voordelen. Het eerste is dat Brouwers’ compositorische keuzes dan het best kunnen worden geapprecieerd. Ten tweede komt de lezer dan snel tot de kern van de studie, de portretten van Nederlandse en Vlaamse schrijvers die zelfmoord pleegden of ‘begingen’ zoals Brouwers het liever noemt. (Aan de term zelfmoord houdt hij daarentegen vast.)

Brouwers heeft ze allemaal – ook de obscuurste namen – opgespoord en bijgezet in de galerij. Welke lezer kent Elize Baart (1854-1879) nog, schrijfster van ‘tranerige geschiedenisjes over vrouwen’? Of Maria Messens (1939-1989), auteur van lyrisch aandoend proza zoals Murrath (1971) en Sibylle, of de radeloosheid (1976)? Hun portretten staan tussen die van bekender koppen, zoals François Haverschmidt, Menno ter Braak en Jotie T’Hooft.

Brouwers start in de achttiende eeuw en eindigt met de recente zelfmoorden van Jeroen Mettes, Anil Ramdas, Nanne Tepper, Joost Zwagerman en Wim Brands. Elk schrijversportret bevat een levensschets en zoomt in op de aanloop naar de dood. Telkens kamt Brouwers het oeuvre uit op verwijzingen naar zelfmoord. Hij gaat ook na hoe de kritiek het literaire werk in kwestie bejegende en hoe er over de zelfmoord bericht werd. Er komen directe getuigen aan het woord, zoals schrijfster Loekie Zvonik over Dirk de Witte. En ook in memoriams of gedichten ter nagedachtenis krijgen een plaats in de hoofdstukken. Van de dichter Halbo C. Kool haalt Brouwers er zelfs drie op een rij aan.

Naast de hoofdstukken over schrijvers zijn er opstellen over allerlei onderwerpen die met zelfmoord en literatuur te maken hebben. In het supplement verruimt Brouwers de blik met essays en anekdotes over buitenlandse auteurs en over fenomenen zoals zelfmoordclubs, Russische roulette, zelfmoord in populaire cultuur en in het dierenrijk.

Een archief van persoonlijkheden

Hoe te schrijven over een delicaat onderwerp als zelfmoord? De kracht van De laatste deur zit om te beginnen in het feit dat Brouwers er de juiste toon voor vindt. Hij schrijft soms inventariserend of anekdotisch, dan weer beschouwend en interpreterend, maar altijd moreel onpartijdig en kritisch voor literaire prestaties. Wanneer hij dwaasheden over zelfmoord aantreft, treedt de genadeloze polemist op de voorgrond, die anderen geestig en uitstekend gedocumenteerd van antwoord dient. Hoogtepunt op dat vlak is het polemische essay waarin hij een schamele studie over zelfmoord in de letterkunde vakkundig fileert: ‘Het is weer zo’n typisch psycholeuterkonterig rotboekje van zo’n typisch eigentijdse zielenzalver: zo een die zelf van baarlijke gekte niet meer weet hoe hij in de poppenkast zal rondspringen.’ De schrijver van het boek, D. van Tol, is psychiater en daarmee lid van een beroepsgroep die het in De laatste deur hard te verduren krijgt.

Op een onnavolgbare manier manoeuvreert Brouwers in zijn bespreking van schrijvers-zelfmoordenaars tussen de Scylla van de spot en de Charybdis van de zwaarte. Nooit wordt zijn toon pathetisch. Altijd onthoudt hij zich van morele oordelen en behoudt hij desondanks zijn meedogenloze scherpte tegenover napraters van clichés en mythen, slecht geïnformeerde zelfmoordkundigen of inferieure literatuur. De auteur betoont zich betrokken, maar laat de empathie dus nooit zijn oordeelsvermogen aantasten.

In grote lijnen zijn dat meteen de belangrijkste kwaliteiten en de centrale ideeën van De laatste deur: zijn persoonlijke betrokkenheid bij het onderwerp die de ontsteking zijn van dit project, de ontkrachting van mythes, de motor van archief en documentatie en de versnellingsbak van het oordeelsvermogen: geen morele oordelen, maar wel snedige uitspraken over letterkundige kwaliteit.

Brouwers’ persoonlijke betrokkenheid bij het thema bepaalt hoe hij naar schrijvers en hun werk kijkt. In zijn omgeving zag hij vrienden en collega’s voor de dood kiezen. Het zevende hoofdstuk van De laatste deur is nadrukkelijk gewijd aan de auteurs die hij gekend heeft, onder anderen Daniël Robberechts, Jan Emiel Daele en Joost Zwagerman. Aan een van zijn vrienden, Anne W., draagt hij het boek op. Over haar zelfmoord schreef hij al in het verhaal ‘De Exelse testamenten’ (Kladboek (1979)), waar hij haar naast een rijtje van schrijvers-zelfmoordenaars plaatste.

Zijn hoogst persoonlijke band met het onderwerp blijkt ook elders in zijn oeuvre, zoals in de literaire parel Zonder trommels en trompetten (1973). Daarin treffen we opnieuw lijstjes aan van schrijvers die zelfmoord begingen: de verteller ziet ze voor zich wanneer hij aan het werk wil gaan. Ze zijn zijn ‘vrienden de fantomen’ die hem influisteren ‘niet hoe zij schreven, maar op welke wijze zij gewenst hebben van het leven te scheiden’.

De vonk slaat dus over in Brouwers’ persoonlijke leven en zijn perspectief is dat van het schrijverschap en de biografie, meer bepaald de necrografie. Hij verklaart zich solidair met de door hem behandelde schrijvers. Als schrijver kan hij zich ‘vereenzelvigen met andere schrijvers, mijzelf herkennend in alle eigenaardigheden, angsten, depressies, verslavingen en noem het maar “gekten” die des schrijvers zijn’.

Die persoonlijke benadering betekent enerzijds dat Brouwers literair werk onomwonden biografisch duidt. Over Nanne Tepper: ‘De avonturen van Hilliebillie Veen is even autobiografisch als De eeuwige jachtvelden en, hoewel minder, De vaders van de gedachte: men komt er dezelfde ingekookte ikken in tegen en Hillie Veen, door een vriendinnetje Hilliebillie genoemd, is geen ander dan Nanne Tepper zelf.’

Anderzijds speurt Brouwers mogelijke vermeldingen, motieven en factoren van de zelfmoord na in interviews, persoonlijke gesprekken, brieven en dagboeken. Zwagerman had zich in Het vijfde seizoen (2003) en Door eigen hand. Zelfmoord en de nabestaanden (2005) al uitvoerig met het onderwerp beziggehouden en sprak in interviews geregeld over zelfmoord, waarbij hij steevast te kennen gaf dat zelfmoord niets voor hem was. Toch beging Zwagerman zelfmoord.

Wie denkt dat signalen en indicaties eenduidig voor het grijpen liggen in het oeuvre van schrijvers die voor de dood kiezen, vergist zich dus: ‘Het raadsel is het raadsel is het raadsel.’ Hoezeer Brouwers het werk ook uitvlooit, het mysterie raakt niet ontsluierd. In die ontnuchterende constatering wordt tegelijk de literaire én de wetenschappelijke ambitie van de studie kenbaar en op dat vlak is De laatste deur een magnifiek project. Het literaire zit in de tendens om ‘het raadsel te vergroten’, zoals de door Brouwers bewonderde Mulisch het noemde. Wat Brouwers het raadselachtige van de zelfmoord noemt, wordt door zijn enorme arsenaal aan kennis niet vernietigd maar versterkt.

Wetenschappelijk is de volgehouden inspanning om alles te verifiëren en nauwkeurig te documenteren. Brouwers verifieert of – veel vaker – bestrijdt de clichés, topoi en mythen die circuleren over zelfmoord. Zulke denkbeelden bestaan zowel over zelfmoord in het algemeen als over zelfmoord en literatuur. Is extreme drankzucht trage zelfmoord? Onzin, zegt Brouwers. Dacht u dat de Bijbel zelfmoord veroordeelde? Het is een groot misverstand. Zijn fenomenen als wurgseks of basejumping geen vorm van zelfgekozen toenadering tot de dood? Ook die vragen stelt Brouwers. Welke rol speelt zelfmoord in de Japanse cultuur? Brouwers laat het zien en helpt terloops enkele misverstanden over harakiri de wereld uit. Kunnen dieren zelfmoord plegen? Versteende beelden over zingende zwanen, schorpioenen die zichzelf steken en lemmingen die zich in de afgrond storten, doen het ons geloven, maar alles wat ‘daarover blijft klinken is geblaf, gefluit, gemiauw, gemekker, geritsel, getoeter, geblaas en nog ander voorbijgaand gerucht in de verder onverstoorbare stilte van het mysterie.’ Met die woorden eindigt het supplement en onderstreept Brouwers dat de door hem vergaarde kennis vooral laat zien dat er veel is wat we niet weten.

Ook over schrijverszelfmoord gedijen de mythen welig. In een uitgebreid hoofdstuk over de Tweede Wereldoorlog, met portretten van onder anderen Gerth Schreiner en Frans Buyle, onderzoekt Brouwers het fenomeen van de ‘zelfmoordepidemie’ in mei 1940. Van een golf van zelfmoorden is wel degelijk sprake, maar de zelfmoorden gerelateerd aan de oorlog konden ook veel later nog geschieden, zoals het geval van Buyle laat zien. Bovendien is niet elke zelfmoord in die periode een politiek gemotiveerde daad. Van Menno ter Braak neemt men graag aan dat zijn daad er een van protest was, maar die hypothese wijst Brouwers af.

Zo verzet Brouwers zich ook tegen andere romantiserende en moraliserende aannames: zelfmoord als een zegen voor de populariteit van een schrijver, zelfmoord als een daad die volgt nadat men de balans van het leven heeft opgemaakt, zelfmoord als een immorele daad, enzovoort. Terwijl Brouwers’ romans vaak stoelen op mythen, is hij hier degene die de mythen over zelfmoord en letterkunde uitroeit. Dat is des te opmerkelijker omdat Brouwers’ verhalende proza zo veel affiniteit vertoont met motieven uit de romantiek waarin er met de zelfgekozen kunstenaarsdood wordt gedweept.

Als essayist kijkt hij er bovendien voor uit om geen nieuwe mythes uit de grond te stampen terwijl hij de oude dumpt. Zo ontstaat in de loop van de portretten het beeld dat de literaire auteur al in zijn werk alludeert op zijn eigen zelfmoordmethode. Auteurs weten volgens Brouwers vaak al op voorhand hoe ze zichzelf ombrengen, zij het niet bewust, lang voordat ze de daad stellen. François Haverschmidt alludeerde in zijn werk op de dood door ophanging, die ook daadwerkelijk zijn einde betekende. Cornélie Huygens kwam door verdrinking om zoals een personage in haar roman Hogenoord (1892). En in de gedichten van Jan Arends, die in 1974 uit een venster sprong, vindt Brouwers verwijzingen naar ‘Teplettervallen’ en ‘luchtlopen’. Hij maakt het patroon aannemelijk, maar smoort de nieuwe mythe vervolgens met tegenvoorbeelden in de kiem. Overigens zijn er tal van zelfmoordgevallen in literaire werken waarvan de auteur zichzelf niet doodde. Brouwers geeft een hele reeks voorbeelden.

In de strijd tegen clichés is het archief Brouwers’ grootste bondgenoot. Hij beschikt over brieven, knipsels, dagboeken, typoscripten, enzovoort die hem in staat stellen veralgemeningen te staven of onderuit te halen. Hij typeert zichzelf daarbij als onvermoeibaar verzamelaar van materiële sporen:

ik [ben] sedert mijn zestiende een verwoed uitknipper, verzamelaar en archivaris van alles wat ik aan Nederlandstalige literatuur tegenkom: tegen alle wanden van mijn schrijfsmidse staan nu de kasten met enige duizenden op auteursnaam gerubriceerde mappen, die samen naar bescheiden schatting zo’n miljoen knipsels herbergen.

Wie De laatste deur leest, waarin veel van die mappen worden opengeslagen, leert dan ook veel over de Nederlandse literatuur. Hier en daar overheerst de documentatiedrift. ‘De versierde dood’ is in de eerste plaats een ‘verzameling archiefstukken, teksten en getuigenissen’, een ‘inventaris van gegevens’. Zo wordt De laatste deur ook zelf een archief, in de eerste plaats een persoonlijk archief van schrijverspersoonlijkheden. Gezien de toon van solidariteit doen reeksen van namen, bijvoorbeeld wanneer het over de zelfmoordgolf in 1940 gaat, aan als een ingetogen opsomming bij de herdenking van slachtoffers van een grote ramp. Welke ramp wordt hier herdacht? Wellicht het leven zelf.

Met en zonder oordeel

Oordelen doet Brouwers nadrukkelijk niet, tenminste niet over de keuze van auteurs om een einde te maken aan hun leven. Wél oordeelt hij over literaire kwaliteit. Veel van de besproken Nederlandstalige auteurs voelden zich miskend – het is een van de motieven in de levensschetsen – maar ze bleven volgens Brouwers ook terecht ongeprezen om hun literatuur. Geestig, spitsvondig en trefzeker schrijft hij over slechte literatuur. Over Willem van Haren (1710-1768): ‘Van Haren maakte deel uit van de achtergrond van de literatuur en zijn werk is van geen enkele invloed gebleken’. Over Menno ter Braak: ‘Zijn bellettristische werk – hij schreef twee romans – is van geen waarde’. Maar de waarde ligt elders, zo beklemtoont Brouwers: ‘Ter Braak was een “vent”.’ Brouwers heeft oog voor de persoonlijkheid van de auteur, met een knipoog naar de vorm-of-ventdiscussie in het interbellum. En over Dirk de Wittes werk schrijft hij: ‘wat dit proza uitademt is sentimentaliteit en verveling, voor het grootste gedeelte bestaat het uit kitsch’ en ‘Niet zo’n schrijver was hij die zich ook maar één seconde heeft afgevraagd of die boeken, die “raadsels” en die “precieze aanwijzingen” van hem wel zo interessant zijn dat ze het verdienen te worden bestudeerd. De dwingelandij van het zieligdoen. Het brouwen van een mythe.’ De goede verstaander begrijpt dat Brouwers in De laatste deur niet meebrouwt.

De laatste deur is dus een zelfmoordstudie die mythen minutieus ontkracht én een literair-kritisch werk dat oeuvres doorlicht. Terloops laat Brouwers ook iets zien van de dynamiek van het literaire veld door de rol van de recensent, de literaire tijdschriften en de uitgeverijen aan te stippen. Verder maakt Brouwers uitstappen naar de cultuurgeschiedenis en populaire cultuur. In zijn essay over Osamu Dazai bespreekt hij bijvoorbeeld de plaats van zelfmoord in de Japanse cultuur, te beginnen bij ‘harakiri’ en ‘kamikaze’.

Ten slotte kunnen we niet voorbijgaan aan de literaire waarde van De laatste deur. Die suggereerde Brouwers al in zijn brief aan Cherry Duyns. De literaire componist is in dit boek onmiskenbaar aan het werk, bijvoorbeeld in de schikking van auteurs en motieven in het boek, maar ook in de stijl en structuur van de hoofdstukken. Indrukwekkend is een essay als dat over de Amerikaanse dichter en uitgever Harry Crosby (1898-1929). Brouwers lardeert zijn verhaal over Crosby met een levensschets van de filosoof Diogenes, waardoor een suggestieve analogie ontstaat. Ook grandioos is het essay over Zwagerman, waarin hij zijn eigen lectuur van Zwagermans essays evoceert en daardoor zijn professionele interesse én persoonlijke betrokkenheid subtiel in beeld brengt.

De literaire drijfkracht van De laatste deur zit ook in de soms uitgesponnen metaforen die onvatbare gedachten vatbaar en zogenaamd troosteloze verhalen troostend kunnen maken. Van een vergelijking tussen Jan Arends en Jan Emmens maakt Brouwers ‘een duet van gelijke, even sterke stemmen […]. Mannen die met een vrouwenstem zingen, tenoren die altpartijen kunnen vertolken’, want ‘ze hebben het in dezelfde of soortgelijke bewoordingen over hun beider onpeilbaar diepe verdriet om het bestaan, geënt op het besef in dat bestaan van geen enkele betekenis te zijn’. En Hart Crane wordt beschreven als ‘uitgebrand als een door bliksem getroffen circustent.’ Het is ook dankzij zulke schotvaste metaforen dat dit monumentale boek schrijverslevens verlevendigt, het raadsel vergroot en de mythen over schrijverszelfmoord verdelgt.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?