cover big

De l’amour

Koen Rymenants

Over De waren van Daniël Rovers

Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2017,
ISBN 9789028426801 / 189p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 22-10-2017

Bookmark and Share

Het kader van Daniël Rovers’ recentste roman De waren (2017) wordt gevormd door een bijeenkomst van twee mannen – Ade en Bob – en een vrouw, Ricky, die hun twintigjarige vriendschap vieren in Nijmegen, waar ze samen hebben gestudeerd. Bob is er als enige blijven wonen. Ade is de schrijver van de drie, ‘kunstjournalist, would-be-tentoonstellingsmaker en aankomend museumgids’. Hij draagt een schrift bij zich en heeft net een essay voltooid ‘over Charley Toorop en haar aanwezigheid in het kunstenaarsmilieu van het interbellum’. Naar alle waarschijnlijkheid is hij het ook die ons voorafgaand aan het relaas van de Nijmeegse bijeenkomst vertelt over een droom die hij als tienjarige had tijdens een vakantie in Engeland. Hij ervoer die als ‘zo overweldigend echt’ dat hij zich bij het ontwaken voorgoed veranderd wist, een volwassener persoon in een getransformeerde wereld.

In zijn droom had hij een jongen en een meisje ontmoet, onbekenden met wie hij haast ogenblikkelijk een diepe vriendschap sloot, afgezonderd van hun families:

We luisterden naar elkaars verhalen, lachten om de grappen, voerden ernstige gesprekken – en juist dat was het vreemde eraan. Een dag eerder had ik niet geweten hoe je dat zou moeten doen, een gesprek voeren, ik moet het in één nacht tijd hebben geleerd.

De jongen ging vervolgens verhuizen ‘naar een stad in het westen, heel ver weg’, wat de dromer vervulde met een mengeling van verdriet en geluk, ‘omdat ik het meisje voortaan met niemand meer hoefde te delen, ze zou alleen voor mij bestaan’. Zijn schrijverschap is op dat moment nog niet begonnen – ‘omdat niemand er die ochtend naar vroeg en ik geen dagboek of schrift had waarin ik opschreef wat ik had meegemaakt, vervaagden hun omtrekken zodra ik besloot op te staan’ – maar de ervaring is er niet minder ingrijpend om. Vanaf dan lijkt de ik-verteller op zoek te gaan naar de gedroomde vriendschap en naar de ene ware liefde, een zoektocht die in de hele roman centraal staat.

Ontwaken en vergeten

De waren is knap geconstrueerd. In drie door volgnummers onderscheiden hoofdstukken met de gedeelde titel ‘Zoenoffer’ maken we de Nijmeegse dag van de drie studievrienden mee: van de afspraak op een caféterras aan de Grote Markt over een incident met een gewonde man tijdens een muziekfestival aan de Waalbrug tot de afsluitende wandeling naar de andere oever van de rivier (en weer terug). Daarbij overheerst achtereenvolgens het perspectief van de wat sombere vrijgezel Ade, de jonge moeder Ricky en de van avonturier tot ambtenaar vervelde Bob. Hun geplande ontmoeting met elkaar en het onvoorziene contact met oude bekenden zoals Ricky’s ex Janek of met figuren waarin ze hun jongere zelf weerspiegeld zien – de kelner in het café, het barmeisje op het festival – roepen herinneringen op aan vroeger en beschouwingen over de afgelegde weg.

Die ‘Zoenoffer’-hoofdstukken worden afgewisseld met drie reeksen terugblikken op het liefdesleven van de vrienden. De eerste daarvan bestaat uit driemaal twee hoofdstukken: een korte introducerende scène uit de kindertijd van elk personage, telkens gekoppeld aan een wat langer stuk over een vroege, doorgaans teleurstellende liefdeservaring. De tweede reeks terugblikken toont voor elk van de drie een episode uit hun studententijd of de periode kort daarna. Een derde serie van drie, ten slotte, brengt het recente verleden in beeld: hoe de ‘noorderling’ Anders tussen Ade en zijn vriendin Kaat komt te staan, hoe Ricky Jesse verleidt in afwezigheid van haar partner Edson en hoe Bob zijn Mia mist.

Het geheel wordt omlijst door twee hoofdstukken in de ik-vorm, verteld door een figuur die aan Ade doet denken zonder dat diens naam expliciet wordt genoemd: een over de hierboven besproken droom en een over zijn herinnering aan een nachtelijke, zomerse zwempartij in de Bisonbaai met twee vrienden. Eerder in de roman, pal tussen de eerste en de tweede reeks terugblikken, kwam die laatste (of: een vergelijkbare) belevenis al aan bod in het korte, cursief gedrukte hoofdstuk ‘Nu’. Voor Bob was de zwempartij met Ricky en Ade een soort doopritueel, ‘de avond waarop ze een drietal werden, definitief’. De herinnering van de ik-verteller is anders. Bleef hij in zijn droom als tienjarige alleen achter met het meisje terwijl de jongen vertrok, bij het zwemmen was het omgekeerd:

Jullie fietsten samen een kant op en ik fietste de tegenovergestelde richting uit. Ik was bang dat jullie samen naar huis zouden gaan, dat jullie elkaar zouden krijgen en ik alleen achterbleef.

Toch vallen er ook parallellen te trekken tussen de droom en de realiteit. Zoals de droom vervaagde doordat de tienjarige nog niet de reflex had om die te noteren, zo geldt dat ook voor de herinnering aan de zwempartij en zelfs voor het schrijven zelf:

Het vergeten maakt nergens een uitzondering voor en begint al op het moment zelf, zodat ik over een jaar de avond waarop ik dit schrijf vergeten zal zijn.

In die zin is er geen onderscheid tussen een droomervaring en de (gezamenlijke) belevenissen van de vrienden:

alles wat we over die belevenis zouden kunnen zeggen is even zinledig als de avonturen die we, midden in de nacht wakker geworden en tastend naar het bedlampje, pas de volgende ochtend noteren, wanneer de wereld weer overzichtelijk is en alles op zijn vaste plek staat.

Liefdesgeluk kent geen plot

De zojuist geciteerde slotzin van De waren knoopt aan bij het aanvankelijk wat raadselachtige eerste hoofdstuk. Dat heeft als titel ‘Waar jij je bevindt’ en bestaat uit één lange zin die lijkt te suggereren dat ook de lezer zich in een soort droomwereld zal bewegen ‘net zolang tot dat monster, dat ding, die kubus van een witte wekkerradio stilvalt in de werkelijkheid’.

Dat elke ervaring in de herinnering vervaagt zoals een droom na het ontwaken, en dat het opschrijven ervan hooguit een gebrekkige remedie is tegen het vergeten, betekent overigens allerminst dat de flashbacks in De waren louter een aaneenschakeling van vaagheden zouden zijn. Integendeel: de schrijftrant doet denken aan de bijzonder precieze micro-biografietjes van een hele vriendengroep in Rovers’ debuutroman Elf levens (2010).

De tranches de vie van de drie hoofdpersonen worden verteld op een uiterst concrete en zintuiglijke wijze. Allereerst is De waren een boek met een soundtrack. Het aan Lionel Richie ontleende mottoSay you, say me; say it together, naturally’ keert geregeld terug in de roman en wordt afgewisseld met verwijzingen naar songs van onder anderen Lenny Kravitz (‘Let Love Rule’), PJ Harvey (‘To Bring You My Love’) en Whitney Houston (‘I Will Always Love You’).

Daarbij komt dat tal van minutieuze verwijzingen naar het dagelijks leven en de populaire cultuur in de jaren tachtig en negentig de lotgevallen van de drie vrienden bijzonder tastbaar maken. Ten slotte worden de plaatsen waar de roman zich afspeelt – Blanes en Cascais, Brussel en Gent, maar bovenal Nijmegen ‒ met grote precisie in kaart gebracht. De achteloze lezer die Ade ziet uitkijken op ‘de kramen van vishandel Wilma Graat’ denkt misschien even dat bakker Fijnebol en kleermaker Dun van Naald niet veraf zijn. Maar wie ooit in de Waalstad heeft gewoond, weet wel beter en zal ook voor het overige veel herkennen: het Keizer Karelplein, ‘dat alleen een rotonde kan worden genoemd zoals de oceaan in jongensboeken “de grote plas” heet’, de ‘rij kapitale villa’s uit de koloniale tijd’ op de Van Schaeck Mathonsingel, ‘een klinkerpad tussen de dennen halverwege het Collegezalencomplex en het Erasmusgebouw’, enzovoort.

De zintuiglijkheid en de precisie van de verteller lijken het onontkoombare proces van vergeten te moeten vertragen. Tegelijk creëren ze een bijzonder detaillistisch mozaïek waarvan de grotere contouren pas vanop enige afstand duidelijk zichtbaar worden. Uiteindelijk gaat het niet zozeer om de specifieke eigenaardigheden van Ade, Bob en Ricky of hun geliefden. Veeleer vormen de episodes uit hun leven, in hun samenhang beschouwd, een (overigens niet al te dwingende) typologie van liefdeservaringen. Zo is er de jeugdige crush (van Ade op Anne en Nicoline), de broederliefde (tussen Bob en de jonggestorven Stan), de lichamelijke liefde (die vooral in de episodes rond Ricky centraal staat), de langdurige relatie (Bob en Mia, Ricky en Edson) maar ook de overspelige liefde die daar haaks op staat, de onbaatzuchtige naastenliefde en de eigenliefde. Die vormen worden niet alleen geïllustreerd aan de hand van specifieke gevallen, maar ook algemener getypeerd in beschouwende passages.

Van meet af aan wordt daarbij duidelijk gemaakt dat de liefde ook een culturele constructie is, bijvoorbeeld door de al genoemde verwijzingen naar liefdesliedjes en via de lectuur van de personages. Zo wordt elke episode in de eerste reeks terugblikken expliciet verbonden met een boek. Ricky vindt in de boekenkast van haar ouders ‘de wolkig witte kaft van Speelse liefde, geschreven door Alex Comfort en vertaald door Aart C. Gisolf, die dreigend “arts” achter zijn naam heeft gezet’, Bobs jeugdliefde Welmoed laat zich inspireren door Benoîte Groults roman Zout op mijn huid (1990), ‘over een Parijse intellectuele dame die passie vindt in de sterke armen van een Bretonse zeebonk’. Dat Ade Het stenen bruidsbed (1959) zit te lezen terwijl hij samen met zijn vriend Kevin op weg is om hun klasgenoten Nicoline en Zina te verrassen tijdens een vakantie aan de Costa Brava, doet al weinig goeds vermoeden over zijn geluk in de liefde.

Tegelijk wijst De waren er geregeld op dat het leven geen roman is, dat de reële ervaring van de liefde zelden wordt gekenmerkt door een sterk dramatisch, doelgericht handelingsverloop. Dat geldt voor de gelukkige liefde – ‘Liefdesgeluk kent geen plot, geen dramatische ontwikkeling’ – maar evenzeer voor de minder geslaagde: ‘Kwam je ooit vooruit? Bleef je niet eerder in een cirkel bewegen, in zo’n oneindige lus van M.C. Escher die zonder begin en einde blijft?’, vraagt Ade zich af.

Waagschaal van woorden

Zoals de liefde doorgaans geen ingenieuze plot kent, blijkt de individuele minnaar zelden een unieke held te zijn. De titel zegt het al: er is meer dan één ware. Doordat de namen van de personages niet altijd genoemd worden, is het soms moeilijk om ondubbelzinnig uit te maken wie we voor ons hebben en vervagen ook de grenzen tussen hun ervaringen en eigenschappen hier en daar.

Iets vergelijkbaars geldt voor de grenzen tussen de auteur en zijn personages. Ade mag dan de schrijver van het drietal zijn, ook in het leven van Ricky (de lezer) en Bob (de doener) zijn reminiscenties aan het werk van Daniël Rovers terug te vinden. Zo spreekt Ricky op een wetenschappelijk congres met als titel Stories of the Self, waar de Fernando Pessoa-kenner Filippe haar een vraag stelt over ‘Mary Cassel, de auteur die heel haar leven nog nooit één interview had gegeven, nog nooit bij een optreden of festival aanwezig was geweest en haar schrijverschap combineerde met een baan in een stationskiosk’.

Deze typering verwijst, samen met de in de Engelse congresdialoog vervormde naam, duidelijk naar Marie Kessels. Rovers bestudeerde haar romans in De figuur in het tapijt. Op zoek naar zes auteurs (2012), de handelseditie van zijn proefschrift, en gaf er eerder een lezing over in dezelfde stad als zijn personage, op een bijna gelijknamig congres. De vrienden onderling hebben dan weer een achtergrond gemeen die Rovers heeft behandeld in zijn vorige roman Walter (2011):

Alle drie hun vaders hadden in hun jeugd een roeping gevoeld of opgedrongen gekregen en hadden op katholieke scholen en internaten ontelbare lessen Latijn, kerkgeschiedenis en naastenliefde ontvangen.

Het kan van secundair belang lijken dat De waren hier en daar het bestaan van zijn auteur weerspiegelt, dat Rovers in een interview vertelde over de priesteropleiding van zijn eigen vader, of dat de lezer via Google Books makkelijk de congresbundel Stories and Portraits of the Self (2007) op het spoor komt. Zulke weetjes behoren tot wat Rovers in De figuur in het tapijt aanduidt als de figuurauteur. Dat wil zeggen het publieke imago van een schrijver zoals dat door hemzelf en door anderen wordt opgebouwd via interviews, recensies en andere vertogen over zijn oeuvre. Al die uitspraken kunnen al dan niet parallel lopen met wat Rovers de auteursfiguur noemt, ‘de manier waarop een auteur de teksten van zijn oeuvre – en daarmee zichzelf – heeft vormgegeven’, zijn identiteit zoals die verschijnt in kenmerkende ‘woorden, zinsstructuren, metaforen en plotwendingen’.

De literatuurbeschouwer Rovers pleit dan ook nadrukkelijk voor zorgvuldig lezen, zonder de soms opdringerige aanwezigheid van de figuurauteur als enige sleutel op het oeuvre te hanteren. Een dergelijke lezing van De waren kan bijvoorbeeld inzoomen op hierboven genoemde elementen als het motievencomplex rond droom, werkelijkheid en herinnering of de intertekstuele verwijzingen naar literatuur en popmuziek. Daarnaast valt te denken aan stijlkenmerken als de detaillistische tekening van het decor of de metaforische blik van Ade: de kelner is voor hem ‘toegewijd en geduldig als een misdienaar’, de gemberthee van Ricky ‘een kop kokend heet water waar als kleine gefossiliseerde foetussen stukken gember in dreven’.

Maar ook het thema van de verhouding tussen de schrijver en zijn werk – of breder: tussen teksten en mensen ‒ behoort onmiskenbaar tot Rovers’ auteursfiguur zoals die naar voren komt uit zijn literaire essays en uit zijn romans. In De waren zien we hoe het (liefdes)leven van de personages wordt gevoed door allerlei teksten, maar ook hoe autobiografische en andere feiten bijdragen tot de romanwereld.

Dat maakt van de roman niet alleen een boeiende fictionele verhandeling over de liefde, maar ook een intrigerende reflectie op het schrijven over eigen en andermans leven(s). Juist die bewust aangebrachte gelaagdheid, met spiegeleffecten die de lezer soms doen duizelen, bepaalt in grote mate het karakter van Rovers’ schrijverschap. Zoals hij (auteursfiguur of figuurauteur?) het in De figuur in het tapijt formuleert:

Waarom zou je een boek lezen als daar niet de volledige persoonlijkheid van de schrijver, zijn ware zelf, in de waagschaal wordt gelegd? Maar die waagschaal – die is wel gemaakt van woorden.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?