cover big

Antigone genaamd Nouria

Erwin Jans

Over Antigone in Molenbeek van Stefan Hertmans

De Bezige Bij, Amsterdam, 2017,
ISBN 9789023463481 / 88p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 07-12-2017

Bookmark and Share

In The Death of Tragedy (1961) verdedigde George Steiner de stelling dat sinds William Shakespeare en Jean Racine ‘the tragic voice in drama is blurred or still’. De heilsleer van het christendom, maar ook die van het wetenschappelijk-technologische denken en van de politieke ideologieën sinds de verlichting – Steiner dacht in 1961 vooral aan het marxisme – sloten het grondeloze pessimisme van de tragedie uit.

Een halve eeuw later stelt de Nederlandse filosoof Jos de Mul in zijn boek De domesticatie van het noodlot (2006) dat er aan het begin van de eenentwintigste eeuw wel degelijk mogelijkheden bestaan tot ‘een (post)moderne wederopstanding van de tragiek’. De Mul verbindt de tragedie met grote crisismomenten in de cultuurgeschiedenis. De bloei van de tragedie en van het tragische doet zich voor in periodes van ingrijpende maatschappelijke omwentelingen. De vijfde eeuw voor onze tijdrekening in Griekenland was zo’n crisismoment omdat de mythologie haar greep op de samenleving had verloren en de filosofie nog niet als autonoom denken was uitgekristalliseerd. In de renaissance deed zich een nieuw crisismoment voor toen het christelijke geloof niet langer als omvattend kader functioneerde en het verlichtingsdenken zich nog niet had ontwikkeld. Voor De Mul is ook onze tijd een overgangsfase. Hij verwijst meer bepaald naar de spanningen die de multiculturele samenleving met zich meebrengt en naar de onvermoede mogelijkheden van de technologie: twee ontwikkelingen die het eigentijdse denken onder druk hebben gezet.

De Mul verbindt de discussie over de technologie met de tragedie van Prometheus, terwijl hij de huidige spanningen tussen de verschillende culturen vanuit het perspectief van de tragedie van Antigone bekijkt. Hij doet zelfs een suggestie voor een mogelijke invulling van de rollen, die hij ontleent aan het Nederlandse multiculturele debat aan het begin van het derde millennium. De afvallige en islamkritische Ayaan Hirsi Ali speelt de rol van Antigone. Net als Antigone is zij een bijzonder ambigu personage. Ze bevindt zich voorbij de simpele, geruststellende tegenstelling tussen schuld en onschuld, aldus de Mul.

De eigentijdse Antigone zou echter ook een gelovige moslima kunnen zijn. In zijn toneelstuk Antigone voilée (2004) stelt de Franstalige Belgische auteur François Ost zich de vraag hoe Antigone er zou uitzien indien zij Aïcha zou heten. Hij vertaalt het Griekse verhaal naar een hedendaagse context. Aïcha is de zus van Nordin en Hassan. Beide broers waren betrokken bij een bomaanslag in hun school en kwamen om. De schoolraad heeft beslist om van Nordin de terrorist te maken en van Hassan degene die de aanslag wilde voorkomen. De directeur decreteert dat niemand van de leerlingen aanwezig mag zijn op de begrafenis van Nordin en dat op school elk religieus teken verboden is. Aïcha negeert het verbod van de directeur: ze hangt op school foto’s van Nordin op en beslist de hijab (de sluier) te dragen. Ze wordt van school gestuurd. Daarna gaat ze in hongerstaking en veertig dagen later sterft ze van uitputting, net op het ogenblik dat de directeur zijn verbod op het dragen van de hijab intrekt. Over de Griekse tragedie zegt Ost:

De personages hebben niets van hun frisheid verloren, noch de dialogen van hun actualiteit. Het was en het is nog steeds de confrontatie tussen de jeugd en de volwassenheid, de vrouwelijkheid en de mannelijkheid, het private en het publieke, het koninkrijk van de doden en dat van de levenden.

Antigone is de antagonistische tragedie – de tragedie van het conflict, van het drama, van het tegenover elkaar – bij uitstek. En daarom wellicht zo geschikt in momenten van grote maatschappelijke spanning.

In zijn tekst Antigone in Molenbeek situeert ook Stefan Hertmans (1951) de mogelijkheid voor een Antigone-tragedie in de spanningen van de huidige multiculturele samenleving, maar op een heel andere manier dan Ost dat doet. Het is trouwens niet de eerste keer dat Hertmans zich met de tragedie van Antigone bezighoudt. Antigone komt voor het eerst expliciet ter sprake in zijn opstel ‘Sterke vrouwen’ in Fuga’s en pimpelmezen (1995). Ze is een personage in zijn theatertekst Mind the gap (2000) en onderwerp van diepgaande studie in zijn essay Het zwijgen van de tragedie (2007).

In Antigone in Molenbeek heet Antigone Nouria en is ze een rechtenstudente. Een van haar broers radicaliseerde, trok naar het Midden-Oosten, vocht voor IS en kwam om bij een terroristische aanslag. Nouria wil maar één ding en dat is de stoffelijke resten van haar dode broer begraven. Die worden echter niet vrijgegeven. Nouria breekt binnen in het Forensisch Centrum waar de resten bewaard worden, maar wordt betrapt en opgepakt. Omdat ze zich agressief gedraagt tijdens de hoorzittingen en tegen haar advocate uitvalt, belandt ze in een psychiatrische instelling, waar ze zelfmoord pleegt. Er zitten in dit verhaal voldoende mogelijkheden voor een aantal dramatische scènes, maar Hertmans kiest voor een radicaal andere schriftuur.

Terwijl Antigone voilée van Ost een zuiver drama is met harde verbale confrontaties, is Hertmans’ tekst een episch gedicht in twee delen. Maar hoewel de bladspiegel en de indeling meer doen denken aan een lang gedicht dan aan een theatertekst, is het duidelijk dat Antigone in Molenbeek vanaf zijn conceptie ook reeds functioneert als een tekst voor het theater. Regieaanwijzingen als ‘(lange stilte)’ en ‘(De herinnering schiet door haar heen)’ lijken dat te bevestigen. De tekst is voor het grootste deel een poëtische ik-vertelling, wat het idee van ‘een monoloog’ nog versterkt.

In vergelijking met de andere theaterteksten van Hertmans is zijn literaire en filosofische netwerk in Antigone in Molenbeek veel minder voelbaar en zichtbaar, al is het er natuurlijk wel. Wanneer Nouria in het Forensisch Centrum stoot op eindeloze rijen vriesvakken waarin lijken liggen, zegt ze: ‘Ik wist niet dat de dood / er zovelen…’, een echo van T.S. Eliots versregel ‘I had not thought death had undone so many’ uit diens The Waste Land (1922).

Maar Antigone in Molenbeek wordt in de eerste plaats gekenmerkt door een mengeling van scherpe zintuiglijke perceptie en gecondenseerde poëtische zegging. Zo roept Hertmans een doordeweekse herfstochtend in Molenbeek op:

Het is te vroeg voor trekkende ganzen.
De warme winter heeft hun innerlijke klok van streek gebracht.
Wind wervelt plastic in de straten op; kleine
engelen, doorschijnend en vervuild.
De enorme flatscreen in de durumbar licht op; verschijnen
komt eerst nog zonder beeld, dan is er plots een wereld.
Het explodeert en daalt als suiker over de eerste thee en koffie.
Een meisje fietsend door de straat op weg naar haar
schoolklasje, daar achter de oude, weidse bocht.
Verbeelding fluit haar na, ze rijdt langs
auto’s met parkeerbonnen en glinsterende
rommel die uit een open koffer steekt.
De kledinghandelaar hangt rijen bloesjes naast rijen sjaals.

Epiek en lyriek vloeien perfect in elkaar over in deze evocatie van een stedelijke intimiteit – de plastic zakjes in de wind (een knipoogje naar American Beauty?), het nagefloten fietsende meisje, de auto’s met de parkeerbonnen, de uitgestalde kleren – die verontrust en verstoord wordt door de verkeerd afgestelde innerlijke klok van de overvliegende ganzen, de flatscreen die de wereld doet verschijnen en explodeert (!) in suiker die neerdaalt op koffie en thee,... Met geconcentreerde middelen weet Hertmans een wereld op te roepen van onderhuidse spanningen tussen mannen en vrouwen, jongeren en ouderen, moderniteit en traditie: ‘In Molenbeek wandelen / drie meisjes, kauwgum in de mond. / Ze kijken een beetje uitdagend naar zichzelf / in de vitrines van de tapijthandelaar, / die ook zilveren kandelaars verkoopt / en hun toeroept dat ze hoeren zijn.’ Grote eenvoud en een grote zeggingskracht vallen samen, zoals in deze passage van Nouria over haar dode broer:

En hij die wegwandelde
met die smalle schouders opgetrokken
Ik moet hem vinden
Bij elkaar puzzelen
De stukken in elkaar passen
Kun je zo’n bodybag openen?
Kun je dat doen?
Kun je daar tegen?
Moet je kotsen of huilen?
Krijg ik een handvol zand
om te begraven wat niet
te vergeten valt?...

Waar moet ik dat beeld
begraven…
Er vliegen ganzen over het verlaten
voetbalveld…
Ganzen zonder zichtbare weg…

Hyena in mijn hoofd
Gieren in mijn hoofd
Zand in mijn ogen
Ik zie een stad in zand
verdwijnen
Ik had twee broers
De ene sloeg de andere
De andere mij soms ook

En er is niets meer
te begraven

Zijn episch-poëtische schriftuur geeft Hertmans de mogelijkheid om niet alleen het conflict tussen Nouria en de overheid – in de figuur van agent Crénom, haar advocaat en de rechter – te schetsen, maar ook en vooral haar transgressie van binnenuit te evoceren. Dat Antigone rechten studeert, zou kunnen inhouden dat zij in zichzelf het conflict uitvecht tussen wat zij wil en de illegaliteit van haar handelingen. Maar dat is niet zo. Zij weet precies wat ze wil: ‘Ik heb het RECHT menselijk te zijn / voor iemand die mijn meest verwante / mijn dichtstbij gebleven levend wezen is, / ook nu na zijn dood…’ Ze stoot enkel op paternalistisch en neerbuigend onbegrip: ‘Kom mevrouwtje, doet u niet / zo hysterisch en stelt u zich niet zo aan, / U studeert toch modern recht, / dacht ik, niet?’ De vertegenwoordigers van de overheid wijzen haar voortdurend op de contradictie dat ze rechten studeert maar zich weigert aan de wetten te houden: ‘Aan oeroude wetten uit de woestijn / hebben we hier niets, mevrouwtje. Dat weet u verdomd ook’, aldus de rechter. Het meisje reageert scherp: ‘De enige woestijn die ik ken / is de wijk waar ik ben opgegroeid / Hier in dit land van u!’.

Al die goedbedoelde burgerlijke redelijkheid – ‘Je bent een verstandig meisje’ – drijft Nouria steeds verder in haar isolement, maar ook in haar overtuiging. Voor Hertmans is Antigone minder een tragedie over de onverenigbaarheid van de wet van de polis en de ongeschreven wetten van de goden dan wel een tragedie over de transgressie. Het tragische van Antigone (en dus van Nouria) manifesteert zich in haar overschrijding van alle politieke, sociale en morele normen. Nouria wordt opgepakt wanneer ze de body bag wil openen om naar de resten van haar broer te kijken! Antigone en Nouria breken met de samenleving tot aan de zelfdestructie toe. Het lijkt alsof die zelfdestructie zich aan Nouria, buiten haar wil om, voltrekt: ‘Wat ging er in mij om? / Ik begreep mezelf niet meer. / Wat kwam er in mij omhoog? / [...] / Welke demon hield mij in zijn greep?’ En verder: ‘Het was alsof ik steeds radicaler werd, / alsof ik gek aan het worden was: / Ik! Wil! Gewoon! Mijn! Broer! Begraven! / Dat! Is! Beschaving! / Punt!’

In haar confrontatie met de orde komt Nouria tot een punt waarop ze niet meer kan argumenteren, zelfs niet meer kan praten, alleen maar schreeuwen en ten slotte zwijgen. In haar ‘waanzin’ stoot ze niet alleen op de grenzen van het maatschappelijk aanvaardbare, maar ook op de grenzen van de taal: ‘Tragedie begint waar de taal eindigt, in een daad die dit zwijgend werken van de goden op zich neemt met alle gevolgen van dien. Tegelijk is dit zwijgen ook de plek waar het raaskallen een aanvang neemt, de parrèsia van de vrouwen tegenover het geweld van de patriarchale rede”, aldus Hertmans in zijn essay Het zwijgen van de tragedie.

Met Antigone in Molenbeek heeft Hertmans een van zijn meest intense teksten geschreven, die in de ogenschijnlijke eenvoud van zijn vertelling niet alleen een gecondenseerde poëzie presenteert, maar zich ook aan een ethiek voor vandaag waagt. In haar eenzame zwijgen/raaskallen verwoordt Antigone/Nouria paradoxaal een absolute trouw aan het menselijke, zelfs in zijn meest onmenselijke en abjecte gedaante, dat van terrorist én van verscheurd lichaam.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?