cover big

Arsenicum voor managers

Jeroen Theunissen

Over Klein lexicon van het managementjargon. Een kritiek van de nieuwe newspeak van Rudi Laermans, Lieven De Cauter en Karel Vanhaesebrouck

EPO, Berchem, 2016,
ISBN 9789462670952 / 208p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 01-04-2017

Bookmark and Share

Verschillende media hebben bericht dat George Orwells beroemde dystopische roman 1984 uit 1949 na de verkiezing van Donald Trump tot vijfenveertigste Amerikaanse president weer hoog in de bestsellerlijsten te vinden was. Maar als we Karel Vanhaesebrouck, Lieven De Cauter en Rudi Laermans mogen geloven, is de totalitaire tendens die Orwell zo meesterlijk blootlegde evenzeer (zij het met andere methoden) aanwezig in het neoliberale managementdiscours. In hun Klein lexicon van het managementjargon ontleden ze ter wille van de ‘mondhygiëne voor managers’ de besmette buzzwords van de neoliberale ideologie. Een vloedgolf van zeer ideologisch geladen nieuwe woorden is de jongste tijd immers ons dagelijkse taalgebruik binnengedrongen.

De ondertitel van hun lexicon luidt dan ook Een kritiek van de nieuwe newspeak. Het motto – uit de appendix van 1984, Orwells ‘The Principles of Newspeak’ – verwijst naar de totalitaire wens om een taal te creëren die niet slechts een expressiemiddel is voor een bepaald wereldbeeld, maar ook alle andere manieren van denken onmogelijk maakt. De neoliberale mentaliteit, beweren de auteurs, probeert een pensée unique te creëren, die niet alleen in de economische sfeer domineert maar ook doordringt in de privésfeer en in de zorg, het onderwijs en de politiek. Daarbij wordt de taal, onder andere door het gebruik van eufemismen, omzwachtelde termen en de omkering van de gebruikelijke betekenis, tot een belangrijk propaganda-instrument.

Zoals de auteurs in hun interessante en heldere voorwoord en nawoord uitleggen, is het niet enkel hun bedoeling deze newspeak als academici te ontleden. Hun kritiek heeft ook een activistisch doel. Tegen de neoliberale hegemonie in willen zij de lezer helpen zich te ontvoogden van de overheersing van de economisering van onze cultuur. Aangezien woorden tot op grote hoogte mee de kaders vormen waarmee we onszelf en onze omgeving betekenis verlenen, moet het ‘sluipend gif, dit alomtegenwoordig en dus onschuldig lijkend maar verderfelijk taalgebruik voor eens en altijd aan de kaak worden gesteld.’

Dat is niet min, en voor zo’n radicale aanval gebruiken de auteurs een schijnbaar nogal braaf en bescheiden medium. In een (klein) lexicon sommen ze zo veel mogelijk besmette woorden op, verklaren en ontleden de betekenis. De lemmata ogen soms enigszins willekeurig, of in elk geval had de mogelijkheid bestaan om nog meer termen op te nemen, de keuze lijkt er eerder op gericht om exemplarisch dan volledig te zijn.

Ook in lengte en in de stijl en concreetheid van de lemmata is er grote variatie. Sommige beslaan meerdere bladzijden, andere zijn kort, sommige lapidair, af en toe krijg je de indruk dat men er zich met een kwinkslag van af heeft gemaakt of begrijp je – zoals bij het lemma ‘yoga voor managers’ – niet goed welk punt men precies wil maken. Met pijltjes worden verbindingen gemaakt tussen woorden die min of meer als synoniemen kunnen gelden of die elders in het lexicon eveneens voorkomen. Meestal werkt dit principe goed, al moet ook hier gezegd dat men af en toe iets zorgvuldiger had mogen zijn; zo wordt bij ‘start-up’ voor verdere uitleg verwezen naar ‘spin-off’, terwijl die termen allesbehalve synoniemen zijn.

Hoe gewoontjes een opsomming van gedefinieerde termen ook mag ogen, een lexicon is veel minder neutraal dan het op het eerste gezicht lijkt. Elke definitie is ook een manier van kijken en van denken en in sommige gevallen een oordeel. Dat wisten verlichtingsdenkers als Pierre Bayle (1647-1706) of Denis Diderot (1713-1784) al toen ze de eerste encyclopedieën schreven, en het is geen toeval dat Immanuel Kants bekende antwoord op de vraag wat verlichting is, ‘sapere aude’, twee keer in het boek wordt vermeld. Ook in de slotzinnen van het Klein lexicon klinkt Kant door in termen als ‘kritische rede’ en ‘ontvoogding’. Dat een opsomming van lemmata met een bijbehorende definitie behoorlijk bijtend en grappig kan zijn, heeft Gustave Flaubert (1821-1880) al bewezen in zijn Dictionnaire des idées reçues (postuum gepubliceerd in 1913).

Grosso modo hanteren de auteurs in de definities die ze ontwerpen drie strategieën. Ten eerste is er de dissectie. Aangezien de manier waarop wij het managementjargon in ons dagelijks taalgebruik ingang laten vinden grotendeels te wijten is aan onzorgvuldigheid, kan grondige analyse van het woord of van de manier waarop het gebruikt wordt in sommige gevallen volstaan om de verhulde ideologische laag bloot te leggen. Wat betekent ‘flexibilisering’ bijvoorbeeld, hoe kon het woord uitgroeien tot een van de kernwoorden van het neoliberale discours, en waarom komt het begrip voor werknemers vaak neer op precarisering? Waarom betekent ‘content’, toch de Engelse term voor inhoud, in feite precies het tegenovergestelde van inhoud – inhoud ontdaan van de inhoud? Waarom zijn ‘innovatie’ en ‘planned obsolescence’ (geplande veroudering) in de huidige praktijk zo nauw met elkaar verbonden, en waarom leidt de kortzichtige manier waarop vandaag wordt geïnnoveerd tot ecologische rampspoed? Als de analyse scherp en helder gebeurt, blijkt vanzelf dat sommige mild ogende termen in werkelijkheid perverse mechanismen herbergen. Meestal betekent ‘lean management’ niet veel meer dan ‘ontslag’, en de vage term ‘externalisering’ komt eigenlijk neer op een gebrekkige maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Maar in een aantal gevallen volstaat pure analyse niet en is een ruimer economisch, ecologisch en maatschappelijk kader nodig, een gerichtere systeemkritiek, waarin de auteurs ruimschoots voorzien. Al in het voorwoord verwijzen zij naar Michel Foucaults typering van het neoliberalisme als een vertoog dat alles en iedereen benadert als een bedrijf, een visie die in de psychologie recent is uitgewerkt door Paul Verhaeghe in zijn bestseller Identiteit (2012).

Het neoliberalisme beperkt zich niet tot de economie, maar wil zoals elke totaliserende ideologie een geheel nieuwe mens creëren, een maatschappij van voortdurend uit eigenbelang handelende, rationele individuen, met ‘dynamische’ ‘young potentials’ en ‘polyvalente’, ‘inzetbare’ ‘teamplayers’ (waarbij een teamplayer dan weer iemand is ‘die erin slaagt om in een wereld van universele concurrentie anderen toch het gevoel te geven dat hij een samenspeler is’), met ‘winners’ maar jammer genoeg ook met ‘losers’. Naar de winners kijken we op, zij zijn moreel goed, uit het juiste hout gesneden. De losers hebben het aan zichzelf te danken. Er wordt een pan-economische visie gecreëerd, die alles benadert in termen van bedrijf en markt, van ondernemerschap en winstmaximalisatie. Het resultaat is een ‘gesloten, bijna claustrofobisch universum’, of nog, een ‘gesloten discours dat een nieuwe realiteit creëert.’ Steeds opnieuw hameren de auteurs daarbij op de manier waarop het managementjargon met woorden als ‘consensus’, ‘evidence-based policy’, ‘good governance’ of ‘TINA’ (‘There is no alternative’) probeert om debat, discussie en reflectie met dure woorden te doden, niet alleen in de economie maar ook in onze postpolitieke, tot conciërge van de vrije markt gedegradeerde democratie.

Het lemma ‘participatie’ is wat dat betreft tekenend: ‘Daarom is het niet direct de bedoeling dat wie mee aan tafel zit ook écht vragen begint te stellen of met echte alternatieven komt aanzetten. Zoveel out of the box denken is ongewenst: men moet > constructief en > positief zijn.’

Uit de spottende toon van het lemma ‘participatie’ blijkt ook al de derde strategie: de humoristische, vaak ironische en soms naar sarcasme neigende omkering. Zo is een van de fijnste definities te vinden bij het lemma ‘unique selling point’ of uniek verkoopargument, dat de auteurs met venijnig plezier toepassen op hun eigen product: hun Klein lexicon is ‘een > dynamisch, > kostenefficiënt, > marktconform, > ondernemend, en > transparent boekje, een academische > spin-off met een breed > draagvlak, over een publiek geheim daarenboven waarover een zedig verzwegen > consensus bestaat en wel dat het managementgedoe allemaal > window dressing en allesbehalve > efficiënt is, en voor het overige veel gewichtige nonsens bevat.’

Een ander voorbeeld is ‘trendwatcher’: ‘postmoderne versie van het Grieks orakel. Je bent er veel geld aan kwijt en in ruil presenteren ze je een op niets gestoelde voorspelling.’

Niet alleen George Orwell, maar ook Hannah Arendt benadrukte in haar standaardwerk The Origins of Totalitarianism (1951) het belang van de taal. Een totalitair denkkader is een constante confrontatie met de realiteit, schreef zij, en dit kan alleen wanneer het publieke en private taalgebruik binnen de ideologie wordt ingelijfd.

Het is interessant en enigszins schokkend de door de auteurs van het Klein lexicon regelmatig onderstreepte totalitaire tendens in het neoliberale managementdiscours te toetsen aan LTI. Notizbuch eines Philologen (1947), de studie die de Duitse professor en ondergedoken jood Victor Klemperer tijdens en na de Tweede Wereldoorlog van de taal van het Derde Rijk maakte, in de overtuiging dat ‘woorden als minimale doses arsenicum kunnen zijn: je slikt ze ongemerkt door, ze lijken geen werking te hebben, maar na enige tijd werkt het gif toch’ (mijn vertaling).

Verschillende van de door Klemperer beschreven mechanismen blijken ook in het managementjargon aanwezig te zijn. Zo is er de voorliefde voor afkortingen, waarop de titel ‘LTI’, Lingua Tertii Imperii, zelf een parodie is. In managementkringen zijn er bijvoorbeeld ‘SWOT-analyse’, ‘RRI’ en ‘TINA’. Net als de nazitaal neigt het managementjargon ernaar arm, eentonig en humorloos te zijn. Een beperkt aantal sleutelwoorden komt steeds terug: in LTI bijvoorbeeld ‘fanatisch’ en ‘spontan’, in het managementjargon ‘efficiënt’ en ‘creatief’. Er wordt vaak gebruikgemaakt van eufemismen zoals ‘lean management’, ‘disruptie’, ‘outsourcing’ en ‘reorganisatie’. Waar de nazitaal samenstellingen vormt met woorden als ‘volk’ (bijvoorbeeld ‘volksfremd’ of ‘Volksgenosse’), doet het managementjargon dit met ‘markt’ (bijvoorbeeld ‘marktconform’ of ‘marktwaarde’). Net als in de door Klemperer beschreven taal zijn er heel wat neologismen en is er vaak ook een voorliefde voor buitenlandse woorden, met name uit het Engels (‘leadership’, ‘format’, ‘mission statement’, ‘mood board’). Zoals in LTI leggen verschillende woorden nadruk op dynamiek en snelheid (‘dynamisch’, ‘ondernemend’) en komen ze uit het militaire wezen (‘strategie’, ‘mobiliseren’) of uit de sportwereld (‘coach’ of ‘teamplayer’). Beide taalvarianten leggen een haast manische nadruk op optimisme en kritiekloos positief denken. Waarschijnlijk het meest verontrustend is de neiging tot dehumanisering. Zoals LTI woorden als ‘Menschenmaterial’ of ‘Rohstoff’ gebruikt, hanteert het managementjargon ‘human capital’ en ‘human resources’.

Uiteraard betekent dit niet dat we onze van ‘leadership’ en ‘creativiteit’ getuigende managers en coaches met nazi’s gelijk mogen stellen (al was het maar omdat mijn eigen vader een coach en consultant is), maar de vele gelijkenissen tonen eens te meer aan hoezeer taal en werkelijkheid met elkaar verweven zijn en hoe een ideologie ertoe in staat is door een handig misbruik van taal onze perceptie van de werkelijkheid te manipuleren. De basispremisse van de auteurs is dan ook dat het heilige geloof in de vrije markt als postpolitiek welvaartsinstrument, dat na de val van de Berlijnse Muur alleen maar aan vuur won, niet neutraal is, maar een gevaarlijke utopische ideologie vormt, die tot immense catastrofes zal leiden wanneer zij niet als dusdanig ontmaskerd wordt.

Het is geen toeval dat Hans Achterhuis’ boek De utopie van de vrije markt (2010) enkele keren wordt vermeld, dat een van de auteurs ooit een essay schreef met de titel ‘De permanente catastrofe’, en dat de slotparagrafen van het Klein lexicon onder het lemma ‘zelfevaluatie’ stellen dat de wekker op vijf voor twaalf staat (volgens de wetenschappers van de ‘Doomsday Clock’ is dat overigens nog te optimistisch), en dat in dezelfde paragraaf Naomi Kleins stelling wordt aangehaald dat de mensheid zal moeten kiezen: het kapitalisme redden of de aarde redden.

Dat neutraliteit niet bestaat, betekent ook dat de auteurs geen academische voorzichtigheid nastreven, maar een duidelijk standpunt innemen en in die zin zelf ook ideologisch zijn. Het zou mij verwonderen dat een van hen op een liberale partij stemt. Hun ‘eenvoudige stelling dat de economisering van alles [...] een cruciale pijler vormt van de neoliberale hegemonie’, is waarschijnlijk zelf niet waardevrij.

Het beeld dat van ondernemerschap en van het hedendaagse bedrijfsleven wordt gegeven, is behoorlijk zwart, soms op het cynische af. ‘Human Resources Management’ mag dan wel een aan Amerikaanse universiteiten ontwikkelde pseudowetenschap zijn, zoals de auteurs beweren, dat betekent nog niet dat iedere HR-manager psychologisch impotent en sociaal gehandicapt is (al ken ik, toegegeven, wel een paar voorbeelden). Alles wat binnen de bedrijfswereld naar ethiek, engagement of participatie neigt, wordt door de auteurs zeer vlotjes als window dressing afgedaan, alsof het op voorhand onmogelijk is dat een bedrijf of een ondernemer ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid opneemt. ‘Consulting’ afdoen als ‘het tegendeel van wijze raad’ is een goede grap, maar het is nog de vraag of het klopt. En een keertje minder naar Jean Baudrillard of Guy Debord verwijzen, had ook geen kwaad gekund.

Maar al bij al is dit een prachtig boek, spits en intelligent, vol aha-erlebnissen en nieuwe inzichten. Meer nog: het is een boek waaraan een grote behoefte bestond. ‘Woorden doen ertoe’, schrijven de auteurs ergens. Genadeloos ontrafelt het Klein lexicon van het managementjargon de ideologische grondtoon van onze tijd.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?