cover big

Belachelijk en ondoorgrondelijk

Eddy Bettens

Over De rover (vert. Machteld Bokhove) van Robert Walser

Koppernik, Amsterdam, 2018,
ISBN 9789492313492 / 200p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 27-11-2018

Bookmark and Share

‘Edith houdt van hem. Hierover later meer.’ In de allereerste zinnen van De rover houdt Robert Walser (1878-1956) – of juister: zijn verteller – ons plagerig de wortel van een verhaal voor. Dat doet hij de hele tijd: spanning of opheldering beloven, uitstellen, gedeeltelijk inlossen en het uitstel onbekommerd invullen met allerlei invallen en terzijdes: ‘In de verte lagen natuurlijk weer eens bergen.’ De verteller verzint zijn verhaal waar we bij staan, valt zichzelf in de rede, stelt zijn lezers gerust, vraagt een personage om aan de roman mee te schrijven en ratelt maar door, eigenzinnig en babbelziek:

Eén keer heeft de rover in dat andere zaaltje een kip opgegeten en daarbij Dôle gedronken. We zeggen dat alleen maar omdat ons op dit moment niets belangrijks te binnen schiet. Een pen zegt liever iets ongeoorloofds dan ook maar een moment uit te rusten. Misschien is dit een van de geheimen van het betere schrijverschap, d.w.z. er moet juist iets impulsiefs in ’t schrijven terechtkomen. Als je ons hierin niet helemaal begrijpt, dan doet dat niet erg ter zake.

De rover is wat Tonnus Oosterhoff een ijlroman noemt – geschreven zonder omzien en in vliegende haast. Alleen snelt Walsers verteller niet ongeduldig naar de volgende gebeurtenis, de volgende plotwending: hij ijlt voort langs omwegen zonder eind, en die omwegen zorgen ervoor dat hij, raar genoeg, tegelijk ook kuiert en flaneert.

Als je de verhalende passages in elkaar puzzelt, levert dat geen samenhangend verhaal op. Een man die de rover wordt genoemd, zonder naam of beroep, zwerft in ‘onze stad’ rond, voelt zich achtervolgd en met de vinger gewezen en heeft het vooral druk met vrouwen – jonge meisjes, serveersters, hospita’s en hun dochters, weduwen. Hij houdt, achtereenvolgens of tegelijkertijd, van Wanda en van Edith die hem allerlei tekortkomingen verwijten. Aan het eind van de roman bestijgt de rover op uitnodiging van een dominee de kansel, houdt een preek om zich te rechtvaardigen en wordt door Edith neergeschoten. Vanaf de kanseltrap druppelt ‘kostbaar roversbloed’, maar enkele pagina’s verder is de rover ‘uit alle hospitalen ter wereld weggelopen’ en blijven veel vragen open. ‘Niet alles hoeft onthuld, opgehelderd te worden, anders heeft de genieter immers niets om over te peinzen’, oppert de verteller opgewekt.

Zo’n poging tot samenvatting zegt weinig over de geestige, speelse, ironische, ongrijpbare roman die De rover is. (Is het wel een roman? ‘Hierover later meer’.) Het hoofdpersonage is misschien niet eens de rover maar de verteller zelf, en de kortste samenvatting lijkt me deze: iemand probeert een roman te schrijven, tegen beter weten in en tegen de klippen op:

Deze omwegen die ik hier maak hebben ten doel tijd te rekken, want ik moet tot een boek van enige omvang komen omdat ik anders nog dieper veracht word dan ik al ben. Het kan onmogelijk zo doorgaan. Plaatselijke mannen van de wereld noemen mij een dwaze jongen omdat er geen romans uit mijn zakken vallen.

In het potloodatelier

Robert Walser schreef De rover in de zomer van 1925 in Bern, waar hij sinds 1921 woonde. Hij zou er acht jaar blijven en verhuisde van het ene huurkamertje naar het andere. Begin 1929 kreeg hij zware psychische problemen. Hij zocht hulp bij zijn zus Lisa, maar die vond het beter hem naar een psychiatrische kliniek in Waldau te brengen.

Walser verzette zich niet. Dat deed hij wel, heftig maar vruchteloos, toen hij in 1933 werd overgebracht naar een Heil- und Pflegeanstalt in Herisau, waar hij tot zijn dood in 1956 niets meer schreef.

In Bern leefde Walser erg sober, maar behoeftig was hij niet: hij had geld geërfd van een broer die zelfmoord had gepleegd en vooral van een rijke oom. Aan kranten en tijdschriften in het hele Duitse taalgebied, van Zürich tot Berlijn en Praag, leverde hij wat zijn literaire specialiteit was geworden: Prosastückli, korte prozaschetsen. In zijn Berlijnse periode had hij tussen 1907 en 1909 kort na elkaar drie romans gepubliceerd, maar intussen was zijn krediet bij de grote Duitse uitgeverijen op: twee rond 1920 geschreven romans, Theodor en Tobold, bood hij vruchteloos aan, het manuscript raakte verloren. In 1925 verscheen nog Die Rose, een bundeling van prozaschetsen, maar als literair auteur had hij afgedaan en hoewel zijn Prosastückli overal gelezen werden, negeerde de literaire kritiek hem. Walter Benjamin begon zijn mooie essay over hem dan ook met de vaststelling dat je van Robert Walser veel kon lezen, maar over hem niets. In brieven uit die tijd klaagt Walser dat iedereen een roman van hem verwacht – de enige manier om als schrijver weer mee te tellen.

Vermoedelijk rond 1920 kreeg Walser last van een fysieke en psychische schrijfkramp, die hij probeerde te overwinnen door de pen in te ruilen voor het potlood. In een minuscuul handschrift, nauwelijks 2 mm hoog, krabbelde hij blaadjes kunstdrukpapier, afwijzingsbrieven, enveloppen, kalenderblaadjes vol. Die ‘microgrammen’ hebben een fraaie bladspiegel; Walsers kalligrafisch verzorgde gekriebel lijkt ornamenteel en decoratief. Het minuscule schrift moet Walser veel geduld, concentratie en inspanning hebben gekost, maar je kunt je goed voorstellen dat die discipline hem in een tegelijk tranceachtige en alerte toestand bracht. In zijn geheime potloodreservaat was hij soeverein, wat hij er schreef was provisorisch en onleesbaar voor buitenstaanders – pas als hij het voor anderen overschreef, voelde hij hun blik. De potloodmethode betekende ‘een omweg, een verhoogde inspanning’, schreef hij in 1926, maar tegelijk kreeg hij het gevoel dat ze ‘tot een bijzonder geluk’ kon uitgroeien, dat hij met het potlood ‘dromeriger, rustiger, behaaglijker, ingetogener zou kunnen werken’. Zijn schrijfplezier leefde weer op.

Pas lang na zijn dood werden de microgrammen ontcijferd. Ongeveer de helft van de kladjes, zo bleek, had Walser in het net uitgewerkt en naar kranten en tijdschriften gestuurd. De rest werd tussen 1984 en 2000 uitgegeven in de zes delen Aus dem Bleistiftgebiet, dat Walsers tot dan toe bekende oeuvre met een paar duizend pagina’s uitbreidde. Van die postuum gepubliceerde microgrammen maakt ook De rover deel uit: de roman, die in de Nederlandse vertaling toch 180 pagina’s telt, had Walser op 24 velletjes gekriebeld. Hij heeft die versie nooit in het net uitgewerkt en ze nooit aan iemand laten lezen; in brieven en gesprekken heeft hij er nooit over gerept. In de microgrammen kreeg de tekst overigens geen titel en geen genreaanduiding mee. Zelf noemt de verteller hem een roman, maar in het slotkapitteltje noemt hij zijn boek ‘één grote, grote glosse, belachelijk en ondoorgrondelijk’.

Geen etiket, geen stempel

De rover heeft geen naam. Waaraan heeft hij zijn roveridentiteit te danken? Het slothoofdstukje, opgezet als een ‘resumé’, verklapt dat het hele boek is voortgekomen uit een aquarelschilderijtje. Die aquarel was al eerder uitvoerig beschreven en staat op de cover van de Nederlandse vertaling: het schilderijtje werd gemaakt door Karl Walser, Roberts oudere broer, en toont de 15-jarige Robert uitgedost als Karl Moor, een hoofdpersonage van Friedrich Schillers toneelstuk De rovers. De identiteit van de rover is dus fictief, op diverse niveaus – hij ‘leek op het product van een aquarellist’ die een jonge acteur afbeeldt terwijl die een fictieve rover ensceneert. Voor de rest heeft de rover geen vaste contouren, en die algehele wazigheid – hij is een wolk in roversplunje – wordt hem kwalijk genomen: ‘aan uw gestalte ontbreekt een etiket, op uw levenswandel een stempel.’ Zijn positie in ‘onze stad’ is duidelijk marginaal, maar als outsider is hij anti-heroïsch. Wat hem precies wordt verweten, waarom hij precies ‘vervolgd’ wordt, is onduidelijk:

Ze vervolgden hem om hem te leren leven. Hij stelde zich zo kwetsbaar op. Hij leek op het blad dat een jongen met zijn roede van een twijg afslaat omdat het hem als iets geïsoleerds opvalt.

Zijn meest opvallende attribuut heeft de rover met de verteller gemeen: hij is zelf ook schrijver. Als auteur van ‘eens zo graag geziene en zo rijkelijk gehonoreerde rooftochten’ eigent hij zich de wereld toe en tovert die om in literatuur; hij rooft landschapsindrukken en gevoelens, verdient geld met de verhalen die hij over Edith verzint en rooft ook verhalen ‘door steeds van die kleine triviale boekjes te lezen en van de gelezen vertellingen iets hoogst eigens te maken’ – ook Robert Walser las heel graag sentimentele romannetjes om ze verrukt te pasticheren en te parodiëren. En net zoals de verteller wordt de rover verweten dat hij ‘nog steeds geen fatsoenlijke roman had voortgebracht’.

Geen wonder dat de verhouding tussen de verteller en de rover erg ambigu wordt. De verteller, die graag in naam van het ‘wij’ van ‘onze stad’ zou spreken, houdt ijverig het zondenregister van de rover bij, berispt hem en scheldt hem uit. Tegelijk houdt hij hem de hand boven het hoofd en verklapt hij ons dat de rover hem helpt om zijn roman te schrijven. Dat verklaart natuurlijk waarom de rover tijdens zijn toespraak op de kansel weet dat Edith hem zal neerschieten: hij is immers de coauteur van het verhaal waarin hij ook een personage is. Verteller en rover lijken op elkaar, en de afstand tussen hen dreigt voortdurend in elkaar te klappen – één keer vergist Walser zich en schrijft hij ‘ik’ terwijl het ‘hij’ moet zijn. Het verschil tussen ‘hij’ en ‘ik’ is een hulpconstructie, nodig om het schrijven aan de gang te houden, maar eigenlijk al gesloopt.

De aquarel is niet het enige autobiografische element in De rover – ook de rijke oom waarvan Walser had geërfd en de hospita’s en serveersters die hij vanaf afstand adoreerde komen er vervormd in voor. Toch kun je de rover noch de verteller zomaar met Walser identificeren. Autobiografisch zijn vooral de impulsen, de affecten die het schrijven voortstuwen: Walsers onzekerheid over zijn status als schrijver en over zijn asociale positie, de minachting en het wantrouwen die hij om zich heen denkt te voelen, zijn vereenzaming, zijn seksuele identiteit of het gebrek eraan – algemeen wordt vermoed dat Walser nooit seks heeft gehad. In de figuur van de rover worden die angsten grotendeels bezworen en in een niet depressief, opgewekt register herschreven: hoewel hij vervolgd wordt, weet de rover ‘heel simpel vrolijk te blijven’ en heeft hij manieren gevonden om zich ‘te vermaken’. En voorzichtig ontwikkelt hij zelfs een alternatief voor de seksuele liefde.

Een soort godin

Seksueel getint lijkt de liefde van de rover voor Wanda en Edith in elke geval nooit te worden. En de enige ‘indrukwekkende prestatie op erotisch gebied’ die hij in de roman levert, is deze: verrukt door Le baiser à la dérobée van Fragonard, dat hij in een etalage had gezien, likt hij het lepeltje af dat zijn hospita had gebruikt bij het koffiedrinken. Later waarschuwt een verlicht intellectueel hem dat iemand die zich seksueel niet naar behoren uitleeft, geestelijk verkommert en aan ‘een soort versukkeling’ lijdt. Voor de verteller is dat een goede reden om zijn rover naar de dokter te sturen. In een lange monoloog ontwikkelt hij een zelfdiagnose. Hij bekent dat hij zich nu en dan een meisje voelt, maar tegelijk serieus gelooft dat hij een man is ‘als ieder ander’, al is het hem wel opgevallen ‘dat er helemaal geen veroverings-, geen bezitsdrang in mij opwelt, actief is en op springen staat’. Ongelukkig maakt hem dat niet, want hij heeft een ontzettend grote voorraad aan liefdeskracht, ‘telkens als ik de straat op ga, begin ik zomaar iets, zomaar iemand lief te krijgen’. Voor de rover heeft het bezit van een geliefde niets met seks te maken, maar alles met de kristalliserende verbeelding (en dus met het schrijven): hij ‘bezit’ Edith, maar dat betekent gewoon dat ze in zijn verbeelding aan hem verschijnt wanneer hij dat maar wil. De beschuldiging dat hij haar op die manier ook uitbuit en berooft, probeert hij in zijn kanselrede te weerleggen.

Aan de dokter vertelt de rover ook dat hij in een ‘heerlijke vrolijke stemming’ verkeert als hij in gedachten iemand bedient, zich aan iemand ondergeschikt maakt. Dat verlangen naar onderdanigheid, vaak erotisch getint, is een hoofdmotief in Walsers werk. Nergens anders wordt het zo scherpzinnig verhelderd als hier. De rover zoekt af en toe ‘een moeder, een lerares, d.w.z. beter uitgedrukt, een onbenaderbaar iemand, een soort godin’, in elk geval iemand van wie hij voelt dat ze macht over hem kan hebben. ‘Om tot menselijk geluk te komen moet ik altijd eerst op een of ander verhaal voortborduren waarin die of die persoon met mij te maken krijgt en waarbij ik de ondergeschikte, gehoorzamende, opofferende, bewaakte, bevoogde partij ben.’ Hij geniet van die doelbewust gezochte onderwerping, maar dat betekent niet dat je hem zomaar kunt ‘dresseren’, zegt hij:

[…] zodra iemand een gezicht trekt waarmee hij zich tegenover mij tot een baasje wil verheffen, begint er mij iets te lachen, te spotten, en dan is het natuurlijk met het respect gedaan, en in de ogenschijnlijk minderwaardige ontwikkelt zich de superieure, die ik niet uit mezelf verstoot als hij zich bij mij aandient.

De rover (en Walser zelf) ensceneert zichzelf in zelfbedachte scenario’s als onderdanige, maar houdt tegelijk superieur de touwtjes van de regie in handen. Zo’n ironisch spel wordt nergens beter gespeeld dan in de verbeelding. Die poneert een tegenstelling (onderdanige – godin) die overeind moet blijven om ervan te kunnen genieten, maar zet die oppositie tegelijk ook op losse schroeven. Die gelijktijdige, dubbele beweging – poneren en onderuithalen – geldt natuurlijk ook voor De rover als geheel, dat tegelijk een roman is en een glosse die de roman uitwoont. En je ziet ze bij Walser ook op microniveau: scherpzinnig merkte Walter Benjamin op dat elke zin bij hem ‘slechts de opdracht lijkt te hebben om de vorige te doen vergeten’.

Wie zich daartoe geroepen voelt, mag voor de liefdesopvatting van de rover, voor Robert Walser zelf en voor deze roman allerlei etiketten en stempels laten aanrukken – contactgestoord, autistisch, regressief, onanistisch, masochistisch – en zich verschansen in de ‘ontwikkelde kringen’ van wat normaal en gezond is. Dat heeft de verteller natuurlijk voorzien:

Ik doe tot gezonde mensen de volgende oproep: lees toch niet altijd maar van die gezonde boeken, neem toch ook nader kennis van zogenaamde ziekelijke literatuur, waaruit jullie misschien wezenlijke verheffing kunnen halen. Gezonde mensen zouden in zekere zin steeds iets moeten riskeren … Ik besef tegenwoordig grondiger dan ooit dat er in die ontwikkelde kringen zeer veel bekrompenheid bestaat, ik bedoel bangelijkheid in moreel en esthetisch opzicht. Maar bangigheid is iets ongezonds.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?