cover big

Beter worden in het lichte

Erwin Jans

Over Voor jou, van jou van Nachoem M. Wijnberg

Atlas Contact, Amsterdam, 2017,
ISBN 9789025451523 / 101p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 25-06-2018

Bookmark and Share

In zijn bundel Van groot belang (2015) volgde Nachoem Wijnberg (P.C. Hooft-prijs 2018) met gedichten over zware en weinig poëtische onderwerpen als economie, politiek, belastingen, fabrieken, stakingen, oorlog, enzovoorts de actualiteit en de dagelijkse krantenrubrieken op de voet. Titel en omvang van de bundel alleen al wezen op het ‘gewicht’ van de inhoud.

Het contrast met Wijnbergs recentste bundel kan niet groter zijn. Met Voor jou, van jou schreef hij een opvallend intimistische bundel. Terwijl hij in Van groot belang het complexe proza van de wereld verwerkte tot lange prozagedichten, maakt hij van Voor jou, van jou een proeve van lyriek: van de titel van de bundel over de titels van de gedichten (‘Ochtend’, ‘Avond’, ‘Vogel’, ‘Aan zee’, ‘Je dochter’, ‘In de tuin’...) en de thema’s (herinnering, jeugd, verliefdheid, kinderen…) tot de vormelijke kenmerken (strofen met korte regels).

Voor jou, van jou is een handreiking naar de lezer. Op het eerste gezicht is het Wijnbergs meest directe bundel. De lezer wordt aangesproken op herkenbare ervaringen en emoties. Maar die toegankelijkheid, of noem het lichtheid, bestaat niet zonder een bijbehorende zwaarte. ‘Zwaar, licht’, zo luidt dan ook de titel van de eerste twee gedichten van de bundel, een titel die verderop als een spoor nog enkele keren opduikt.  Als lezer denk je bij die tegenstelling al snel aan Milan Kundera’s ‘ondraaglijke lichtheid’. Ook Wijnberg speelt met die paradox:

Je maakt het lichte zwaar,
omdat je er niet goed in bent,
en niet van anderen wil leren.

Daarna word je enkel
om wat zwaar is gevraagd
en je hoopt dat je ondertussen
– je kan niet zeggen hoe –
beter zal worden in het lichte.

Het is moeilijk om deze regels niet als een poëticale uitspraak te lezen. De dichter heeft zich altijd verzet tegen de opvatting dat zijn poëzie zwaar en moeilijk zou zijn. Is dit dan toch een soort van ‘schuldbekentenis’? Of net niet? Is de zwaarte de noodzakelijke prijs die hij moet betalen voor het lichte? Het lichte is immers niet iets wat er zomaar is, maar iets wat op de zwaarte moet worden gewonnen. Maar wat is die zwaarte dan?

De openingszin van de bundel – ‘Je kan honderden voorbeelden geven / van wat gewicht is, maar je herinnert je / er maar één.’ – introduceert meteen het belangrijkste thema: de herinnering. Ook de inhoud van de herinnering is veelzeggend: ‘een kind / met elk van zijn handen / in een hand van een van zijn ouders / die hem samen optillen en laten schommelen / terwijl zij verder lopen.’ Is het de eerste herinnering van de dichter? Hangend tussen zijn ouders? Een oerbeeld van veiligheid en tegelijk een spel met die geborgenheid. Een primaire herinnering: het kind dat zijn eigen gewicht voelt wanneer het tussen zijn ouders bengelt. Misschien gaat deze bundel daarover: de zwaarte of de lichtheid van het eigen gewicht, het eigen bestaan? En de noodzakelijke verbondenheid met anderen, de familie en de geliefden op de eerste plaats?

In het tweede gedicht wordt de dialectiek van licht en zwaar expliciet met het schrijven en het herinneren verbonden:

Je woorden zo licht maken
dat de naam van een plaats,
die nog niet eerder herinnerd is,
de woorden daaromheen genoeg gewicht geeft
dat ze voor even daar blijven.

Woorden zo licht maken dat ze toch zwaar genoeg zijn om even te blijven hangen rond de naam van een plaats die nog niet eerder herinnerd is. Op het eerste gezicht lijkt het een moeilijk te volgen gedachtegang, maar misschien ook niet: poëzie als de zoektocht naar het juiste gewicht van de woorden om het singuliere van de herinnering te laten verschijnen? De woorden benoemen de herinnering niet, maar staan ‘daaromheen’. Maar blijkbaar gaan we niet altijd op zo’n lichte manier met herinneringen om:

Met honden jagen
op herinneringen,
maar als zij er een in het nauw gedreven hebben
en jij te laat komt
hebben ze die al uiteengescheurd,
maar als je snel bent
kun je de staart afsnijden
en de rest door de honden laten uiteenscheuren.

Wat wordt er allemaal herinnerd in deze bundel? Een huis, een tuin, jeugdjaren, vakanties aan zee, meisjes, verliefdheden… Meer nog dan een proeve van lyriek is deze bundel dus herinneringsarbeid. De dichter maakt een stand van zaken op. Hij weegt zijn eigen gewicht. We zijn wat we ons van onszelf herinneren. Het is op basis van onze herinneringen dat we de samenhang construeren die we onze identiteit noemen. Maar hoe betrouwbaar zijn onze herinneringen? Hoe coherent is het verhaal dat we over onszelf vertellen?

Hoe noemen ze je
als jij die bent
die zich alles hier moet herinneren,
omdat ze de vorige die zo heette
niet meer kunnen vinden?

Terugkeren naar huis is immers even zo vaak een ‘unheimische’ ervaring:

Naar je huis teruglopen
na zolang,
niet erg lang,
ergens anders te zijn geweest
dat je bang wordt van hoeveel je je van hier herinnert.

Opvallend veel gedichten gaan over herinneringen aan meisjes, aan moeizaam communiceren en aan verliefd worden. Het is in deze gedichten dat het ‘lichte’ de grote uitdaging is, want ze gaan over weinig tastbaars, over onvatbare momenten tussen iets en niets doen, tussen contact maken of toch juist niet, tussen verlangen en begeerte:

Nu je de keren herinneren
dat je niet doorging met een meisje te vragen
omdat het te lang zou duren.

Je bedoelt, je was bang
dat zij zou denken dat je haast had
om het niet te lang te laten duren.

Naast de gedichten die over herinneren gaan, staat er in de bundel een groot aantal dat ‘dochters’ als onderwerp heeft. Telkens gaan de gedichten over intieme gevoelens. De ‘ik’ van deze gedichten is duidelijk een vader die ermee zit dat zijn dochters vriendjes hebben of willen hebben. Het zijn opvallend transparante en rechttoe rechtaan verzen voor Wijnbergs doen:

Wat kun je hem geven
om hem ver weg te laten reizen
en niet meer van zich te laten horen
tot hij je dochter
niet meer wil zien?

Maar de melancholie en de introspectie overheersen. Herinneren is een poging om trouw te betuigen aan wat en wie was en er niet meer is:

Je wil trouw zijn
aan wie jou en anderen tijd gaf,
in het huis
waar zoveel anderen waren,
meer dan je ooit bij elkaar zag.

Maar dat huis is er natuurlijk niet meer. Er is alleen maar sneeuw. En de aanvaarding dat er alleen maar sneeuw is en dat die sneeuw op zijn beurt om trouw vraagt, want iets anders is er niet:

Leren vallen op sneeuw,
gevallen en liggen blijven,
trouw aan waar trouw aan kan.

Vallen als sneeuw en erin blijven liggen: lichter kan niet.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?