cover big

Buitenaardse verrukking en novemberachtige menselijkheid

Koen Sels

Over Bloeiende Agatha van Frank Vande Veire

het balanseer, Aalst, 2013,
ISBN 9789079202249 / 300p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 22-01-2014

Bookmark and Share

Terwijl ik deze recensie schrijf, zijn er meer seksuele handelingen dan ik me kan of wil inbeelden slechts een muisklik van me verwijderd, voorlopig uit het zicht maar toch opdringerig nabij. Altijd is er met andere woorden de mogelijkheid om een wereld te betreden waar een ongekende bevrediging bestaat. Men zou in de explosieve nabijheid van de pornografie een teken aan de wand kunnen zien van de voortschrijdende seksuele bevrijding, maar die analyse lijkt me volstrekt blind voor het simpele feit dat de schaamte de wereld helemaal niet uit is – en gelukkig maar, misschien. Ook in deze schijnbaar taboeloze tijd is er iets wat ons doet terugdeinzen voor onze verlangens, iets wat misschien wel inherent is aan de menselijke seksualiteit.

Maar welke onwerkelijke belofte spiegelt de pornografie de kijker dan voor, met al die onvoorwaardelijke ja’s, en al dat van alle bezwaren en betekenis bevrijde gepomp en gehijg? Of breder: wat doet de door onze maatschappij gekoesterde maar uit het zicht gehouden illusie van volledige bevrediging met ons, of met onze identiteit als man of vrouw? En is die droom niet veeleer knechtend dan bevrijdend?

Hopeloze romantiek

Het zijn enkele van de vragen die Bloeiende Agatha, het romandebuut van de Vlaamse filosoof en essayist Frank Vande Veire (1958), op een onontwijkbare manier bij mij oproepen, juist omdat het zo’n zeldzaam harde, op de pornografie geënte roman is. Waarmee niet gezegd is dat het boek – ondanks al het mechanische en repetitieve geneuk, en ondanks alle groteske lichamelijkheid en de obscene vernederingen die de vrouw uit de titel ondergaat – ook zelf pornografie is. Porno speelt dan wel een belangrijke rol in het boek, en is er ook op structureel en stilistisch vlak de motor van, maar de horizon van het boek ligt ver voorbij de van alle geestelijkheid gestripte lichamelijkheid die de porno voorschotelt. De roman reikt namelijk naar de droom van een volledige en onvoorstelbare bevrijding, een droom waarop de pornografie allicht slechts een onbeholpen, zij het veelzeggend antwoord geeft. En dat maakt van Bloeiende Agatha vooral een filosofisch, spiritueel, religieus en, misschien nog het meest van al, hopeloos romantisch boek – of tenminste een boek dat gaat over die zaken, en hoe deze zich, via de taal, verhouden tot seksualiteit en genot.

In de eerste paragraaf van Bloeiende Agatha brengt een bespiegeling over het woord ‘reikhalzen’ het mannelijke hoofdpersonage Philippe op de volgende gedachte: ‘Het is zo’n woord dat me ver met zich mee kan nemen. Het doet denken aan de lange, schichtige, kwetsbare hals van vogels, aan een honger die radeloos over moerassen zweeft. Maar dit soort poëzie kan iedereen uitkramen. Ik wil me niet laten inpakken door woorden. Ik wil zo helder mogelijk over Agatha spreken.’ Wie aan het einde van het boek is beland kan niet anders dan in deze gedachte een grap zien. Want wat volgt mag dan verblindend helder zijn als het gaat over lichaamsdelen en seksuele handelingen, daartegenover staat steeds een obscuur, mystificerend en gezwollen poëtisch taalgebruik dat Philippe wel degelijk inpakt.

De logica van Bloeiende Agatha ontspruit zelfs zo goed als volledig aan woorden. In het eerste hoofdstuk (‘Het wonder’) ontmoet Philippe de goddelijk mooie vrouwelijke hoofdpersoon in een café, waar ze wordt lastiggevallen door twee mannen. De man doopt haar Agatha, ‘de goede’, een eerste stap in de richting van de even onverbiddelijke als ondoorgrondelijke logica die het boek daarna zal volgen. Hoewel ze ‘zijn type’ niet is, lezen we wat later: ‘Zo was het dus. Ik wilde Agatha volledig bezitten. “Bezitten”, het woord glanst als een hard en onbreekbaar muntstuk.’ Ergens in het midden van het boek wordt dat nog aangedikt: ‘Bezitten: ik wilde dit woord tot in het uiterste uitrekken, zoals sommige filosofen, bedaard maar hardnekkig vasthoudend aan een begrip, er zo ver mee aan de haal gaan dat dit begrip, ogenschijnlijk louter vanuit zichzelf, elke betekenis die het voor gewone stervelingen bezit heeft afgelegd.’

Agatha spiegelt die wens volledig, wil anders gezegd ook volledig bezeten worden door Philippe, waardoor ze vanuit zijn perspectief ‘goed’ is, in de zin dat ze de mogelijkheid van schaamteloosheid belooft, de schande volledig voorbij is. Met die premisse – die, zo zou je kunnen zeggen, ook die is van de pornografie, waarin de vrouw haast nooit nee zegt – lost het onderscheid tussen fantasie en realiteitszin meteen op, en komen we terecht in een spiraal die naar een onmogelijk eindpunt kronkelt. De logica van de roman is met andere woorden gebaseerd op de vraag wat de consequenties zijn als de (mannelijke) fantasie van een volledige (vrouwelijke) bereidheid zomaar wordt ingewilligd, waarbij Agatha paradoxaal genoeg steeds meer wordt gereduceerd tot een belangeloos object zonder seksuele verlangens.

Dat maakt van Bloeiende Agatha een – het woord is al gevallen – mechanische roman, die om het te zeggen met een woord dat typisch is voor het boek, ‘ongenaakbaar’ naar zijn conclusies dendert. Een roman zonder duidelijk buiten ook, want het boek speelt zich af in een parallelle, niet helemaal onvoorstelbare maar toch griezelig onechte wereld, waarin aardse verplichtingen of een gebrek aan tijd en geld nooit een belemmering vormen (er is wel sprake van werk, maar eerder als verre herinnering aan een ‘normaal’ leven). Mechanisch betekent hier overigens niet dat het boek voorspelbaar is, maar wel dat alle acties passief zijn, in het teken staan van iets wat de personages overstijgt en waar ze steeds minder controle over hebben. 

Zonder motief

In zekere zin laat Bloeiende Agatha – althans wat de verhaallijn en de daarmee verbonden evolutie naar verlossing en onthechting betreft – zich vrij gemakkelijk samenvatten (hoewel daartegenover staat dat waar het in het boek om gaat zich niet laat parafraseren). Dat wordt ook expliciet gemaakt in het laatste hoofdstuk, waar een al met al vrij korte gecursiveerde notitie is ingevoegd waarin Philippe terugblikt op wat er gebeurd is en wie of wat Agatha nu precies is. ‘Antwoord: een verrukking die zichzelf zoekt, een bloeien dat aan zijn eigen beweging wil raken.’ De ontwikkeling die Philippe hier schetst, vat de dialectische stadia van Agatha’s ‘bloeien’ in termen met een hoofdletter: Minnaar, Aanraking, Pijn, Zweep, Natuur, Staaf, Slot, Niets. De samenvatting die de lezer aan de hand van deze emblematische abstracta krijgt, maakt al de herhalingen en variaties van handelingen en holle woorden van daarvoor echter geenszins overbodig. In tegendeel: ze is een zoveelste stap in een uitputtingsslag om iets onnoembaars te omcirkelen en vast te zetten, die naar het einde toe steeds meer de vorm aanneemt van een wrange parodie.

Maar wat is het ‘verhaal’ dat achter de hoofdletters uit de notitie schuilgaat? Na de eerder al geschetste openingsscènes, waarin het ‘wonder’ geschiedt van Agatha’s naamgeving, ontwikkelen de twee een relatie die in het teken staat van haar onvoorwaardelijke overgave en bereidheid. Al snel weet Philippe haar zo ver te krijgen dat ze, zelfs als ze naar buiten gaat, geen slipje meer draagt, een naaktheid die hij op rituele wijze controleert alvorens haar te ‘bezitten’ (als hij dat al doet). Tegelijk lezen we dat de ‘generositeit’ waarmee Agatha zich in die fase gewillig aan haar minnaar presenteerde, ‘grensde aan onverschilligheid.’ Die zombieachtige bereidwilligheid zorgt ervoor dat de miniemste vormen van verzet die ze aanvankelijk nog vertoont, maar waaraan Philippe geen belang hecht, volledig vervluchtigen.

Een van de centrale en onoverbrugbare tegenstellingen die het boek voortdrijft – die tussen de expliciete seksuele handelingen en de daarmee verbonden geestelijke dimensie – neemt hier al vaste vormen aan: ‘me afvragend waarom het hier in godsnaam op moest uitdraaien, drong ik in haar binnen’, zegt Philippe aan het eind van het eerste hoofdstuk, waarmee meteen de paradoxale, onmogelijke dynamiek van zijn verlangen wordt blootgelegd. Via het lichamelijke, dat hij beschouwt als een mager substituut voor de echte verrukking, tracht hij tot een ultieme verlossing te komen, voorbij de woorden en fysieke werkelijkheid. Omdat Agatha zich nooit verzet tegen die wensdroom, wordt zij algauw met die buitenaardse, absolute verrukking vereenzelvigd. Op die manier wordt ze tegelijk heilig verklaard en volstrekt ontmenselijkt. Agatha – de naam verwijst naar een heilige die de ergste martelingen doorstond en de slavin van Christus wordt genoemd – wordt zo het onderwerp van een obscure cultus, waarvan ook Philippe zelf toegeeft dat die ’uitzichtloos’ is.

Terwijl Philippe steeds meer controle verwerft, ontglipt de als een goddelijke bestemming gekoesterde Agatha hem ook. In het tweede hoofdstuk leert het duo de gewiekste Katja kennen, in wier appartement, in een ongenoemde stad, ze lange tijd verblijven, en waar Philippe zijn vriendin ‘vaak en langdurig bezit’. Agatha scheert ondertussen ook haar schaamhaar, om nog ‘meer bereid’ te zijn, ‘bloot zonder te weten voor wie, voor een wind die ze niet kent, voor God.’ Katja overtuigt Philippe haar te laten poseren voor een bevriende fotograaf, en wat later om haar niet meer te bezitten. De eerste fotosessie kan men nog erotisch noemen, voor de tweede wordt Agatha met de zweep bewerkt (Agatha, zo lezen we, ‘leek nu buiten het bereik […] van elke schande, definitief maagdelijk’). Beide sessies worden nadrukkelijk ‘professioneel’ genoemd, en staan in het teken van een van holle symboliek doortrokken kitsch die afsteekt tegen Philippes hooggestemde ideeën over Agatha’s verrukking.

Naarmate het boek vordert geeft Philippe Agatha steeds verder uit handen, in de hoop dat Agatha zo nog meer mag ‘bloeien’. In het vijfde hoofdstuk (‘De kamer’) verlaat hij de stad en laat hij haar achter bij Katja, die zo haar eigen, van jaloezie doordrongen plannen met Agatha heeft. Wanneer hij terugkeert, boekt hij een peperdure hotelkamer (‘Geld is helder. Ik koop je, dat is rustgevend’). Vervolgens laat hij haar daar alleen achter, één keer zelfs verstopt hij haar jurk. In hetzelfde hoofdstuk stelt Katja, met wie Philippe ondertussen eveneens een seksuele relatie heeft, voor om Agatha te laten verblijven in een ‘instituut’ waar vrouwen zichzelf ‘kunnen vinden’.

Haar verblijf daar staat in het teken van een complete, haar volledig ontkennende en vernederende objectivering. Net als de andere vrouwen mag Agatha zichzelf niet aanraken, en nu en dan ondergaat ze, onder het toeziend oog van Madame en haar waakhond Anna, een rituele kastijding met de zweep. Nadat Agatha’s schaamlippen uiteindelijk geringd worden en haar geslacht wordt vergrendeld met een slot, waardoor er dus niets meer overblijft van haar eigen verlangen – het instituut, zo lezen we, ‘leek erop uit te zijn dat vrouwen voor zichzelf iets onvoorstelbaars werden, een spook dat hen vooruit ijlde’ – wordt ze overgeplaatst naar het bordeel van Veronica. Daar wordt, om het laatste beetje vrouwelijkheid te ontkennen, haar anus verwijd met een staaf en wordt aan haar klanten wijsgemaakt dat ze het liefst anaal genomen wordt. Ondertussen verdient iedereen een aardige duit aan Agatha (inclusief zijzelf), zodat niets de totale verrukking voorbij het genot nog in de weg kan staan.

In het voorlaatste hoofdstuk staat een dagboekachtig verslag van een reeks hardcore pornofilmpjes die Philippe ontvangt, zogezegd van Veronica maar in werkelijkheid van Katja. Op die filmpjes wordt Agatha in alle gaten geneukt: ‘zonder motief, zonder voorwendsel, zonder consideratie’. ‘IJselijke parodie op Agatha’s verrukking’, zo noemt Philippe ze wat verderop. En hij voegt daaraan toe: ‘Ik kon me […] bij deze filmpjes met de beste wil geen doelgroep voorstellen.’ Agatha is dan tegelijk zo onthecht én zo verdingelijkt dat ze het seksuele verlangen is ontstegen, ‘Niets’ meer is. Ook Philippe van zijn kant is ‘niemand, haar levende dode getuige.’ In het al aangehaalde laatste hoofdstuk haalt Philippe Agatha – die zich, als finale stap in een ontkenning van haar menselijk genot, op eigen verzoek heeft laten besnijden – uit het instituut. Als hij terugkeert naar haar appartement, vlucht hij weg van de idee dat hij haar echte naam zou aantreffen op het bovenste plaatje, ‘overlopend van menselijkheid, van doordeweekse, novemberachtige menselijkheid.’ De naam van het gebouw leest hij nog wel: ‘Residentie Lorelei’, waarna een vers van Heine hem tegemoet zweeft (‘De vrouw die haar gouden haar kamt met een gouden kam’), en we teruggestuurd worden naar het begin, waar een van de twee mannen die haar lastigviel een tattoo van een zeemeermin draagt.

Was will das Weib?

Met dat einde, maar ook met de vele andere verwijzingen naar mystiek, filosofie en romantiek, komt de premisse van Bloeiende Agatha nadrukkelijk in het licht te staan van de grotere, in se totalitaire cultuurhistorische wens om De Vrouw te bezitten en door symbolisering, idealisering, vergoddelijking en fetisjisering onschadelijk te maken. ‘Was will das Weib?’ vroeg Sigmund Freud zich al vergeefs af. Als Philippe Agatha leert kennen ontkent hij dat hij ook haar object van verlangen zou kunnen zijn: hij benadrukt zijn banaliteit en transformeert haar in zijn verzinsel. De logica die zo in gang gezet wordt, leidt hem, via een aaneenrijging van onoverbrugbare tegenstellingen, almaar dieper in een onontwarbaar mysterie, dat hij koestert omdat het een diepere grondeloosheid afdekt.

Aan het uitgangspunt van het ‘bezitten’, dat Bloeiende Agatha op gang trekt en houdt, gaat met andere woorden een culturele analyse ‘vooraf’ die het boek tot veel meer maakt dan louter een relaas van een zieke geest. Je zou de Novalis citerende romanticus Philippe dan ook kunnen zien als een vertegenwoordiger van een oude, naar het absolute reikende wereld. Naarmate het boek zijn einde nadert, ziet hij zijn onnoemelijke verlangen perverteren tot een beenharde parodie – een logica waarin hij willoos meegaat, omdat het tot op zekere hoogte ook de zijne is.

Wat is dat vage ‘instituut’ – met zijn op de christelijke traditie geënte symboliek en retoriek – immers anders dan een op die oude wereld parasiterende instelling, die de ooit vergoddelijkte vrouw het liefst gereduceerd ziet tot een object? Of wat scherper gesteld: een spookachtige, zichzelf onzichtbaar makende ideologie, die de volstrekte inlosbaarheid – of annihilatie – van het verlangen predikt, en zich zo in de afgrond van een ontheiligde goddelijkheid stort. De onmogelijke belofte die de romanticus ‘afschermt’ met behulp van onder meer poëzie, paradoxen en tragiek, keert in het instituut en het bordeel terug in een klinische, agressieve vorm, die spreekt van een onvermogen zijn eigen ongeloof te verteren. In de woorden van Philippe, in het laatste hoofdstuk:

Zoals een volk dat steeds grotere tempels bouwt, steeds grotere offers brengt, steeds luider en massaler bidt om niet te hoeven weten dat zijn God niet warm of koud meer wordt van al dit gedoe – als hij al niet sinds lang is verdwenen –, zo liepen al die gasten dagelijks bij Agatha binnen om zich met alles wat ze hadden aan handen en vingers en geslachten en ogen, te goed te doen aan haar openingen, plooien en welvingen, terwijl dat alles er meer dan ooit verweesd en onttakeld bijlag, uit elk verband losgemaakt, barstensvol van haar afwezigheid.

Uit dit citaat komt een dubbele, Nietzscheaans gekleurde cultuurkritiek naar voren, die gericht is tegen zowel het absolutisme van de oude wereld als het professionele nihilisme van de nieuwe. Men zou kunnen tegenwerpen dat het reactionaire instituut juist een omkering is van een neoliberale, zogezegd postfeministische samenleving. ‘Weet u, eigenlijk is het bij ons andersom als in de wereld, daar meent iedereen dat alles vooruitgaat, terwijl alles bevroren is’, vertrouwt Veronica Philippe toe. Maar als groteske omkering is het instituut misschien vooral de niet weg te denken onderkant van die wereld, die wel degelijk een absoluut en abstract verlangen faciliteert, een onderkant die zich niet alleen zichtbaar openbaart in harde porno, maar bijvoorbeeld ook in de reclame. Voor mij althans bood Bloeiende Agatha een mogelijk antwoord op de vraag wat de mysterieuze beeldtaal van de modefotografie ons nu eigenlijk wil zeggen, met al die contextloze sexy vrouwen met onpeilbare blik en achteloos gespreide lippen.

Kitsch en parodie

Dit gezegd zijnde, zou je Bloeiende Agatha kunnen zien als een zich van zichzelf bewuste fantasie die vraagt om een filosofische en psychoanalytische duiding (er zijn ook tal van niet te miskennen verbanden met de op Lacaniaanse leest geschoeide essays uit Vande Veires Neem en eet, dit is je lichaam ). Zo’n lezing kan zeker een boeiend stuk opleveren, maar zou allicht de manier waarop het boek op de lezer inwerkt niet geheel kunnen vatten. Het morele appel dat van deze ‘onfatsoenlijke’ roman uitgaat, komt immers vooral voort uit de uitputtende beeldende kracht, die een viscerale impact heeft op de lezer. En dan heb ik het niet zozeer over al dat mechanische gestoot en al die vernederingen, maar vooral over het pathos en de zichzelf uitdiepende belachelijkheid van Philippes retoriek, zijn onnavolgbaar ‘moeilijke’ filosofische notities over schaamhaar, de zondeval en het paradijs, de lyrische beschrijvingen van de jurken, pumps, juwelen en accessoires die de vrouwen dragen…

Bijna alles in dit boek is meedogenloze kitsch en ijselijke parodie, tot walgens toe, en toch blijf je in de ban van Philippes drang naar complete onthechting. ‘Het is altijd door een grap dat men in iets duisters en verschroeiends terechtkomt’, zegt Philippe aan het begin van het boek. Aan het einde lezen we: ‘Plotseling ging mijn mondhoek trillen en trok scheef, alsof iemand met zijn lach mijn mond wilde openbreken, een lach die me niet zou toelaten te lachen, […], een lach die even ver verwijderd was van de vrolijkheid der mensen als de zweep van de tederheid die geliefden met elkaar bindt.’ Een vrolijke lach – of een traan, of esthetische genoegdoening – biedt deze roman ook de lezer niet. Maar juist omdat dergelijke emoties systematisch onmogelijk worden gemaakt, is Bloeiende Agatha een zeldzaam boek, waarbij je je tegelijk afvraagt waarom iemand het zou willen schrijven (of lezen), én moet onderkennen dat het belangrijk is dat het geschreven is (en gelezen wordt). In al zijn hopeloze abjectheid laat Bloeiende Agatha immers de vraag open of en hoe we ons verlangen anders kunnen organiseren, misschien wel in het licht van een ‘doordeweekse, novemberachtige menselijkheid’ die ruimte laat voor concrete, minder totalitaire vormen van genot.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?