cover big

Charmeren om te bestaan

Samuel Vriezen

Over Digitale hemelvaart van Rodaan Al Galidi

Meulenhoff, Amsterdam, 2009,
ISBN 9789029085571 / 88p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 07-12-2009

Bookmark and Share

Rodaan Al Galidi is een charmeur. Wie hem heeft zien optreden zal dat kunnen beamen. Met humor, theatraal instinct en een melodieuze stem slaagt hij er in om het publiek op zijn hand te krijgen. En, niet te vergeten, met zijn aantrekkelijke gedichten, eenvoudig van taal en helder van opzet, vaak in de makkelijk te volgen vorm van een anekdote.

Expliciet streeft de dichter ernaar zijn publiek te verleiden: ‘Als mensen om zijn gedichten moesten lachen, dan was het goed. Als ze niet lachten en zeiden dat het wel een mooi gedicht was, dan veranderde hij het,’ staat er op het omslag van zijn bundel De fiets, de vrouw en de liefde (2002). Al Galidi is zelfs bereid om zich poëtisch te compromitteren, en zijn publiek te bedienen uit economische noodzaak. Niet zonder ironie verklaart de dichter in het nawoord van zijn bundel De laatste slaaf (2008): ‘Eerlijk gezegd, als ik niet had gedacht aan de verkoop van het boek, had ik het als één lang gedicht geschreven. Maar als iemand de eerste zin dan niet leuk zou vinden, zou hij het boek niet kopen. En dan verdienen de uitgever, de redacteuren en de promotiemedewerkers van de uitgeverij niet genoeg om in leven te blijven.’

Toegankelijkheid en eenvoud

Al Galidi is een dichter die hard werkt om zijn poëzie toegankelijk te maken. Bij veel dichters met de pretentie van toegankelijkheid heb ik het idee dat de toegankelijkheid gewaarborgd moet worden door de tuttigheid van hun onderwerpskeuze. Zulke dichters willen zich graag opwerpen als vertolkers van de gevoelens van het publiek: poëtisch populisme. Dan schrijven ze herkenbare dingen uit een herkenbaar leven in herkenbare taal, waarmee hun werk vanzelf toegankelijk moet worden. Bij mij werkt dat vaak niet: ik vind het meestal helemaal niet toegankelijk maar gewoon beresaai (en daarom uiteindelijk onleesbaar).

Zo niet Al Galidi. Toegankelijkheid is voor hem een serieuze zaak, niet een kwestie van de ambitie laag genoeg stellen, maar van hard werken. ‘Ik bewerk gedichten drie, vier keer, om ze steeds makkelijker te maken,’ zegt de dichter in een interview met Ron Rijghard (NRC, 27 april 2007). Dat is nodig, omdat zijn onderwerpen vaak juist niet zo alledaags zijn. Bijvoorbeeld als hij put uit zijn belevenissen als asielzoeker uit Irak: een ervaring die niet heel bekend is bij het publiek waarvoor hij schrijft.

Dat Al Galidi’s werk soms uiterlijk weinig geavanceerd overkomt, komt voort uit zijn streven naar eenvoud. De dichter doet afgeronde mededelingen in een eenvoudige taal zonder nadrukkelijke klankeffecten, syntactische hoogstandjes of experimentele disruptiestrategieën. Compositorisch werkt hij meestal eenvoudigweg naar een pointe toe. Hij maakt rijkelijk gebruik van suggestieve, betekenisvolle metaforen en allegorieën en spint zijn punt effectief uit met herhalingen en parallellismen.

Alles spreekt en wordt aangesproken

Een veelgebruikt middel is de personificatie. De dichter spreekt alles aan en laat alles spreken. In zijn werk kunnen vogels, vliegvelden en drollen een stem krijgen, en zingt Zorro een lied voor de vla die siddert van angst in zijn koelkast. Zelfs de boeken van de dichter zelf nemen het woord.

Zulke poëtische middelen kunnen op ons, moderne, Westerse poëzielezers, archaïsch overkomen. Maar een ander gezichtspunt werd enkele jaren geleden naar voren gebracht door de Turks-Amerikaanse dichter Murat Nemet-Nejat, samensteller van EDA: An Anthology of Contemporary Turkish Poetry, in de loop van een blogdiscussie op de International Exchange for Poetic Invention over poëzie in de Lage Landen. Nemet-Nejat merkte over Zorro’s vlalied op:

‘What I also find interesting in Al Galidi’s poem is the human address to the ‘custard.’ This pathetic fallacy -possibly regarded as kitsch- would be unimaginable, almost a taboo, in modernism. In this poem it is a daring step (though seemingly poetically reactionary) to point to an alienation. [...] An animistic attitude runs deeply in Asiatic sensibility, including in its literary forms (I am assuming also in Arabic forms). [...] In my view, Western modernism, including the avantgarde, needs to confront this attitude, which runs so much against its grain, seriously. I believe it will end up being altered by it, becoming a different kind of avantgarde, while also altering the originator.’

De personificatie van de vla bij Zorro als middel dat vervreemding benadrukt: in die geste zit een spanning. De personificatie, een wellicht wat archaïsch aandoend middel, moet immers de afstand tot de wereld verkleinen, wat in tegenspraak zou zijn met een meer moderne uitdrukking van vervreemding. Maar juist doordat een personificatie de wereld dichterbij probeert te brengen kan ze een uitdrukking van afstand tot de wereld worden. Het zijn dan ook juist de afstotelijke ratten en drollen en de onooglijke vla die een stem krijgen, en het zijn juist de vogels, de vlinders en het vliegveld Schiphol die worden aangesproken, gevraagd om uitwegen te tonen.

Al Galidi charmeert dus niet alleen om de afstand tot zijn publiek te verkleinen, ook de wereld zelf moet worden gecharmeerd – ook in de zin van charmed, betoverd. Als de wereld een ziel krijgt kan de wereld iemand opnemen of misschien redden uit de koelkast, de kelder, het riool of Nederland. In toenemende mate gebruikt Al Galidi dit motief van de aanspraak die een afstand moet overbruggen, waarbij die afstand telkens juist duidelijker naar voren komt.

Gecharmeerd

Van Al Galidi’s gedichten ben ik al gecharmeerd sinds zijn tweede bundel, De fiets, de vrouw en de liefde, zijn eerste boek bij een grote Amsterdamse uitgeverij. Daarin wisselt hij een reeks scherpe en fris geformuleerde, vaak geestige, observaties over Nederland af met fantasieën en plotselinge uitbarstingen van politieke woede die uitmonden in een complexe analyse van de onderkant van de wereld, zoals in de cyclus ‘De republiek van de rat’. In 2006 verraste Al Galidi met De herfst van Zorro, waarin Zorro het woord neemt en spreekt over zijn reizen en over de oorlogen tussen zijn hart en zijn penis. Dat boek werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs.

In 2008 publiceerde hij een verbluffend episch dichtwerk, De Laatste Slaaf, een woedende analyse van het complete systeem van internationale media, macht en imperialisme aan de hand van het verhaal van ‘de laatste slaaf’. Deze woont in een wereld die opgetrokken is uit een uit zijn voegen barstende metaforiek waarvan kelders, balkons, schermen, ramen, slaven, heersers en vlinders de elementen zijn. Het onderwerp was eigenlijk te groot, de onderneming onmogelijk, en zo kreeg het boek het karakter van een schitterende mislukking, met een nawoord waarin de dichter zich verontschuldigt voor zijn boek.

Al deze bundels bestonden uit losse gedichten, die op een vernuftige manier in een overkoepelende structuur waren opgenomen, aan de hand van centrale figuren (de rat, Zorro, de laatste slaaf). In elk van deze bundels speelt zowel erotisch verlangen als politieke woede een rol, reflecteert hij op de schoonheid en de beklemming van Nederland, en droomt hij over ontspanningsmogelijkheden. Met Digitale hemelvaart is er nu een vierde bundel. Deze bundel is losser georganiseerd – geen afdelingen, maar gewoon ruim veertig gedichten zonder een strenge formele samenhang. Wel heeft de bundel een hoofdpersoon met een verhaal. Deze hoofdpersoon heet Rodaan Al Galidi, en het verhaal gaat over zijn dood.

Dood - of niet?

Of Rodaan Al Galidi echt dood is, blijft overigens in het midden. In het eerste gedicht geeft de dokter de ik-figuur ‘nog tien te leven’. Tien wat? Tien tellen of dichtregels, zo blijkt: reeds aan het eind van het gedicht zakt de ik in elkaar, ‘mijn lichaam op mijn schoenen / mijn hart op de hemel.’ Dat lijkt een duidelijk geval van overlijden. Maar ook het einde van de bundel is een doodsfantasie, die evenwel dubbelzinnig blijft. Hierin gaat de dichter liggen ‘naast een kanaaltje,’ en de wereld vraagt zich af of hij in slaap is gevallen. ‘Ze denken dat ik slaap. / Zo’n dood / past bij mij. / Mijn hele leven gevuld met twijfel. / Wat mooi / als mijn dood dat ook is.’

De bundel opent met een soort grafschrift, maar ook hier hoeft de dichter niet per se te zijn overleden: ‘Op de volgende pagina’s rust / Rodaan Al Galidi / Blader zacht / Maak hem niet wakker.’ De dichter is hoe dan ook in een diepe slaap verzonken. Als hij doods overkomt, is dat omdat niet alleen hijzelf slaapt, maar ook zijn verlangens en zijn dromen:

Alsjeblieft

Laat me
mijn droom volgen.
Maak eerst
de droom wakker,
daarna mij.

Dit ingeslapen zijn van de droom zelf duidt een belangrijk verschil aan met eerdere bundels. In elk van de vorige bundels waren wel gedichten te vinden die spraken over het verlangen naar een vrouw. De rat verlangt naar ‘een vrouw voor één nacht’, Zorro’s liederen gaan voornamelijk over het erotische verlangen, en de laatste slaaf verlangt terug naar het meisje dat hij in de kelder heeft achtergelaten toen hij opklom naar de balkons. Zulk erotisch verlangen is in Digitale hemelvaart hoofdzakelijk indirect aanwezig, via tussenstappen als sekslijnen of anderszins zonder mogelijkheid van directe vervulling. Het tweede gedicht van de bundel gaat over Nathalie, die nog maagd bleef omdat zij en de dichter overal beloerd werden door de wereld. Dit loeren wordt uiteindelijk geïnternaliseerd, wat het verlangen zelf onmogelijk maakt: ‘Tussen de bomen / beloerden onze ogen ons. / Zo bleef Nathalie maagd.’ Verder is er nog verlangen naar het verlangen: ‘Ik wil niet meer praten / met Joris, Jan of Daan / over werk, economie en integratie, / maar ik wil praten / met Juan, Rodriego en Gonzalez / over de mooie vrouwen in Villabranca.’

Joris, Jan en Daan maken het verlangen onmogelijk. Nederland staat er in deze bundel weinig fraai bij. ‘In mijn hoofd / schreeuwen duizenden Nederlanders / dag en nacht. / ‘U mag niet lopen! /U mag niet plassen!’’ Nederland verschijnt als kooi of (in diverse gedichten) als ziekenhuis, waar de dichter ‘geïntegreerd’ wordt door een vrouw die hij elk uur betaalt om ‘in witte kleren binnen te komen / en een naald in mijn vlees te steken.’ Ze constateert dat zijn hartslag stabiel is en zijn ademhaling rustiger wordt (‘En nu mond houden en licht uit. / Welterusten.’). Zulke vrouwen kan de dichter nog wel bereiken.

Het verlies van verlangen staat in verband met het verlies van het land van oorsprong. Bij een gruwelijk ‘Irakees fotoalbum’ legt de dichter uit op welke manier zijn jeugd nog wel levendig was. Hij en zijn familie bijten met scherpe tanden het broertje van de dichter ‘om hem te leren de slaap niet te vertrouwen’; uiteindelijk eten ze hem op, ‘omdat elke keer als we hem beten hij zachter werd / en niet sterker.’ Toch, terugkijkend naar een foto uit die tijd, merkt de dichter op: ‘Ik kijk naar het rode water van de Eufraat / en denk aan mijn kinderjaren / en hoe ik ‘s nachts durfde te rennen, / alleen / tussen de honden.’

Het is het verlaten van dit verleden en de komst naar Nederland wat de dichter getemd heeft. Voor de dichter, die inmiddels met zijn charmante optredens een bestaan probeert op te bouwen op Nederlandstalige podia, zijn de bloedige Irakese ervaringen handelswaar geworden. Om den brode moet de dichter voor het publiek koketteren met zijn uitzonderlijke achtergrond en status. Zo raakt hij van zichzelf vervreemd: ‘Met gemeenheid en laagte / stal ik het bloed en de tranen van mijn volk / en verhandel die op festivals. / Ik, de dichter. / Zelfs dit gedicht schrijf ik / om te bewijzen dat ik nog mens ben.’

Veel gedichten in Digitale hemelvaart handelen over de eenzaamheid van de dichter. In eerder werk sneed hij dat thema ook aan, maar er lijkt een verschil te zijn. Immers, wie wil charmeren, bijvoorbeeld om een mooie vrouw te verleiden, moet zijn eenzaamheid ook inzetten als teken van beschikbaarheid, en om te kunnen zeggen: ‘kom me troosten’. Maar in Digitale hemelvaart is er sprake van een diepere eenzaamheid. De dichter is het directe contact met zijn jeugd en zijn volk kwijt, en verhandelt nu bloed (zijn identiteit) op festivals. Maar zelfs lijkt de charmeur Al Galidi minder vertrouwen te hebben in zijn mogelijkheid om het publiek te bereiken. Zo is er in de bundel veel ruimte voor een reeks gedichten waarin de dichter klaagt over het succes dat hij bij zijn publiek heeft. Zijn boeken liggen bij De Slegte en verwijten hem hun gebrekkige communicatieve vermogen: ‘Door jou / zijn we niet interessant genoeg.’ Het publiek doet ook geen moeite meer om Al Galidi te zoeken: ‘Uiteindelijk koos het meisje Hugo Claus. / Hij is ook heel goed / en zoeken naar hem kost haar geen tijd, / zoals zoeken naar mij.’

Zo is Digitale hemelvaart ondanks een lichte, soms zelfs hilarische toon uiteindelijk een harde bundel. De charmeur ervaart de druk van zijn historische en politieke omstandigheden, hij twijfelt aan zijn identiteit en heeft weinig vertrouwen meer in de relatie met zijn publiek. De dichter keert zich af van de mensenwereld; hij weet niet meer zeker of hij zelf mens is. Uiteindelijk is het zelfs niet zeker of er in het menselijke nog wel oplossingen te vinden zijn:

Het wonderei van Rodaan Al Galidi

Normaal gesproken
leg ik mijn gedachten op papier,
maar twee weken geleden
legde ik een ei.

Uit respect voor mijn gedachten
en wat eruit kon komen,
bouwde ik een nest in de hoek van de kamer
en zat op het ei.

Vrienden en collega’s
geloofden niet dat ik een ei uitbroedde.
Ze dachten dat ik
mijn wereld niet wilde verlaten.

Hoe lang zal mijn broeden duren?
Hopelijk niet een leven lang.

Wat komt eruit?
Hopelijk geen mens.

In Digitale hemelvaart botst het aantrekkelijke en toegankelijke van de poëtische techniek met ongenaakbare, soms zelfs onmenselijke onderwerpen. Die botsing laat een ongemakkelijk tekort zien, de onoverbrugbare afstand tot de wereld waarin de dichter vrij zou willen zijn. Dat levert veel mooie, soms bijzonder krachtige gedichten op, en maakt Digitale hemelvaart tot een aangrijpend boek.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?