cover big

Concerto pour cerveau seul

Dirk De Schutter

Over Cahiers van Paul Valéry (vert. Jan Fontijn)

De Buitenkant, Amsterdam, 2017,
ISBN 9789490913779 / 299p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 19-11-2017

Bookmark and Share

Vijftig jaar lang, vanaf zijn drieëntwintigste tot aan zijn dood, pende Paul Valéry (1871-1945) in de vroege ochtenduren alles wat in hem opkwam neer in cahiers. Zo schreef hij 261 cahiers vol, samen meer dan 26.000 pagina’s – de flaptekst heeft het over ‘266.000 bladzijden’, maar dat werkelijk exorbitante getal durf ik te betwijfelen. Die cahiers zijn geen dagboeken, want ze vermelden nauwelijks biografische feiten. Wel vormen ze de neerslag van jaren overpeinzingen, waarin Valéry de discussie met zichzelf aangaat. Hij bedacht zijn cahiers dan ook met de treffende naam: ‘concerto pour cerveau seul’.

Valéry ging in zijn cahiers geen onderwerp uit de weg, maar Jan Fontijn selecteerde voor zijn vertaling notities over ‘Poëzie’, ‘Literatuur’ en ‘De aard der gevoelens’. Terwijl de notities over poëzie en literatuur door de jaren heen nog enige consistentie vertonen, ontbreekt die in de exercities over het gevoelsleven nagenoeg volledig. Valéry heeft de neiging gevoelens te wantrouwen, hij gelooft in elk geval niet dat gevoelens ons iets zeggen over de werkelijkheid buiten ons. Gevoelens zijn een vorm van lijden die de mens op zichzelf terugwerpt. In 1935 noteert hij: ‘Descartes zou er beter aan gedaan hebben te schrijven: ik lijd, dus ik ben.’ Het blijft evenwel bij die korte zin, de gedachte wordt niet uitgewerkt.

De discussie over literatuur wordt beheerst door Valéry’s voorkeur voor poëzie en zijn afkeer van proza en van de roman. Daarbij verheelt hij niet hoe groot zijn bewondering is voor zowel de dichter als voor de persoon Stéphane Mallarmé (1842-1898). Vijf jaar na diens dood schrijft hij: ‘Ik denk vaak aan die man, van wie ik zoveel heb gehouden – die ik zo intens bestudeerd heb en intens heb leren kennen…’ En in 1942: ‘Ik was door Mallarmé geïmponeerd. Ik bewonderde hem. Ik heb van hem gehouden.’

Valéry ontpopt zich tot de advocaat van de ‘poésie pure’, een poëzieopvatting die voor het eerst door Charles Baudelaire werd geformuleerd: ‘la poésie n’a d’autre but qu’elle-même’. Poëzie bestaat omwille van zichzelf, ze heeft geen uitwendig doel. Dat is het verschil met proza. Anders gezegd: poëzie verhoudt zich tot proza als dansen tot lopen; wie danst, wil niet ergens heen, begeeft zich in de ruimte, maar heeft niet de bedoeling om voorwaarts te gaan. Dichters die het best aan dit ideaal beantwoorden, genieten dus Valéry’s voorkeur. In de eerste plaats Mallarmé, op korte afstand gevolgd door Arthur Rimbaud (1854-1891), zij het vooral diens Illuminations (1886), minder Une saison en enfer (1873).

De Franse romantici, daarentegen, moeten het ontgelden: Alfred de Vigny (1797-1863) wordt weggezet als ‘afschuwelijk dichter’, Alphonse de Lamartine (1790-1869) als een ‘zeer gebrekkige schrijver’. Op een bepaalde manier, aldus Valéry, lijkt poëzie op wetenschap: beide streven een uiterste precisie na. Vandaar de toch wat verrassende notitie uit 1902: ‘Elke poëtische structuur berust op een verhuld mathematisch gegeven.’

Hier ligt de grote tekortkoming van de roman: hij ontbeert precisie. De roman leeft van de verzinsels, die onderhevig zijn aan willekeur en allemaal vervangen of veranderd kunnen worden. Waarom neemt de gravin om acht uur de trein? Waarom niet de markies om negen uur? Valéry haalt zwaar uit: de roman is nooit vrij van ‘charlatanerie’, ‘de roman is het toppunt van grofheid’, ‘men moet om een roman te schrijven vrij dom zijn’. Zijn kritiek is vooral gericht op de realistische of naturalistische roman; kop van jut is bovenal Gustave Flaubert.

Velen hebben het hem voorgedaan: de veroordeling van proza in proza. Zoals Plato in zijn geschriften de gesproken taal boven de geschreven taal plaatst, zo bejubelt Valéry poëzie in honderden stukjes proza. Waarom heeft Valéry nooit aandacht besteed aan de door hem jarenlang ontplooide activiteit? Aan zijn gewoonte om dag na dag zijn gedachten op papier te zetten, om 261 cahiers of 26.000 bladzijden vol te schrijven met het zo verguisde proza?

In de inleiding bij de vertaling prijst Fontijn de intellectuele honger van Valéry: ‘Groot is zijn literaire en artistieke belangstelling.’ Maar de door Fontijn geselecteerde notities bevestigen dit hoegenaamd niet. Valéry vermeldt en becommentarieert vele Franse schrijvers – van Molière en Jean Racine tot André Gide en Paul Claudel – maar de afwezigheid van niet-Fransen springt in het oog. Valéry stond afkerig tegenover de Franse romantici, maar we lezen geen woord over Friedrich Hölderlin, John Keats of Giacomo Leopardi. Hij bewonderde de ‘poésie pure’, maar we lezen niets over de poëzievernieuwing in bijvoorbeeld The Waste Land (1922) van T.S. Eliot, en we zoeken tevergeefs naar Rainer Maria Rilke. En wat te denken over zijn verbeten kritiek op de roman en het proza, als we niets vernemen over Herman Melville of Franz Kafka? (Hetzelfde kan over de filosofie gezegd worden: René Descartes, Blaise Pascal, Voltaire, Jean-Jacques Rousseau tekenen present, maar waar zijn Immanuel Kant, G.W.F. Hegel, Sören Kierkegaard en Friedrich Nietzsche?)

Het is mij absoluut niet duidelijk in hoeverre deze bedenkingen Valéry zelf betreffen dan wel enkel de selectie van Fontijn. Wat hier ook van zij, de notities bevatten ook pareltjes als: ‘Het gedicht, die verlengde aarzeling tussen klank en betekenis’ (uit 1912). Een waarachtig gedicht wil niet alleen klank zijn, niet alleen muzikaal, het wil ook iets betekenen, maar zal in zijn betekenisproces nooit vergeten dat het uit (betekenisloze) klank ontstaan is. Of de volgende paradox uit 1927, die subliem de hedendaagse obsessie met publiciteit en beroemdheid onderuithaalt: ‘Het is een zeer bijzonder iets wat geen weerklank heeft.’ Het waarlijk unieke blijft zonder navolging.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?