cover big

Dansen op de vulkaan

Wim Michiel

Over De vulkaan van Klaus Mann (vert. Ria van Hengel)

Roman onder emigranten

Querido, Amsterdam, 2018,
ISBN 9789021408781 / 544p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 24-10-2018

Bookmark and Share

Zwaarmoedigheid en schmink

Niemand heeft het leven en werk van Klaus Mann (1906-1949) beter omschreven dan Marcel Reich-Ranicki. Deze legendarische Duitse criticus en literatuurpaus verwees in een essay uit 1976, dat voor het eerst verscheen in de Frankfurter Allgemeine Zeitung en later in een uitgebreide versie werd opgenomen in zijn essaybundel Thomas Mann und die Seinen (1987), naar Thomas Manns Unordnung und frühes Leid (1926). In deze minder bekende novelle van Klaus’ vader observeert het hoofdpersonage – professor Cornelius – een toneelacteur, wiens ogen ‘diep zwaarmoedig’ en wiens wangen opvallend geschminkt zijn:

Vreemd, denkt de professor. Men zou denken dat het ofwel zwaarmoedigheid ofwel schmink is. Nochtans vormen ze samen een innerlijke tegenstelling. Hoe zou een zwaarmoedige zich schminken? Maar daar hebben we nu juist de bijzondere, ongewone psychische aard van de kunstenaar die deze tegenstelling mogelijk maakt, misschien zelfs gewoonweg daaruit bestaat.

Uit zwaarmoedigheid en schmink, zo gaat Reich-Ranicki verder, bestaat de inwendige verscheurdheid in Klaus Manns leven en werk. Zijn ongeluk, waaraan hij deels ook zelf schuld had, was dat men in het openbaar meestal die ene kant van zijn persoonlijkheid waarnam: de altijd elegante, kosmopolitische, openlijk homoseksuele, linkse, dandyeske zoon van de grote Thomas Mann, zonder daarbij al te veel oog te hebben voor zijn zware heroïneverslaving of de eenzaamheid en doodverlangens die hem kwelden. Men ontwaarde de schmink en zag de zwaarmoedigheid – al dan niet bewust – over het hoofd.

Roman onder emigranten

De spanning tussen zwaarmoedigheid en schmink is alomtegenwoordig in Klaus Manns Der Vulkan. Roman unter Emigranten (1939) – zijn dikste en naar eigen zeggen ‘beste’ boek, waaraan hij als veelschrijver zowaar twee jaar lang werkte. Én een roman over een thema dat ook toen al brandend actueel was: de migrantenproblematiek.

Als geen ander was Mann vertrouwd met het bestaan van de migrant. Toen Adolf Hitler in 1933 aan de macht kwam, was Mann een van de eersten die het nazistische Duitsland definitief vaarwel zei. Dit in tegenstelling tot vele van zijn schrijvende collega’s, die vaak heel wat meer tijd nodig hadden om met hun vaderland te breken. Zo zou vader Thomas Mann pas drie jaar later in vrijwillige ballingschap gaan en zich pas achteraf in de Verenigde Staten ontpoppen tot het antifascistische geweten van het andere Duitsland.

Na het aantreden van Hitler verbleef Klaus Mann aanvankelijk in Amsterdam. Daar richtte hij het tijdschrift Die Sammlung op, dat van 1933 tot 1935 door Querido werd uitgegeven en waarin het kruim van de Duitstalige Exilliteratur publicatieruimte vond. Samen met zijn oorspronkelijk in het Engels geschreven autobiografie The Turning Point behoort Die Sammlung misschien wel tot Manns belangrijkste literaire verwezenlijkingen. Ook bij Querido verscheen in de zomer van 1939 Der Vulkan, in een oplage van nauwelijks driehonderd exemplaren. Pas zeventien jaar later bracht Fischer een eerste Duitse uitgave uit, stevig onder handen genomen (en hier en daar zelfs gecensureerd) door zus Erika Mann. In 1999 publiceerde Rowohlt ten slotte een nieuwe versie, gebaseerd op de oorspronkelijke Querido-uitgave. En het is die Rowohlt-editie (inclusief eindnoten en nawoord van Michael Töteberg) die door datzelfde Querido nu als basis voor de eerste Nederlandstalige vertaling van Der Vulkan werd gebruikt.

Panorama van het migrantenbestaan

In De vulkaan schetst Klaus Mann een panoramisch beeld van het migrantenbestaan tussen 1933 en 1939. We volgen de lotgevallen van een twintigtal personages, verspreid over haast evenveel locaties, gaande van Parijs, Zürich, Praag en Amsterdam tot de Verenigde Staten en het door burgeroorlog verscheurde Spanje. De personages zijn geen arme Joodse migranten uit Oost-Europa of proletarische antifa-strijders op de vlucht voor de naziterreur, maar welgestelde Duitse burgers, kunstenaars, bohemiens en intellectuelen afkomstig uit de milieus die Klaus Mann het best kende: een jonge, homoseksuele, aan heroïne verslaafde schrijver en zijn Latijns-Amerikaanse vriend, een Joodse literatuurprofessor, een filosofiestudent en een succesvolle cabaretière – om het bij dit vijftal te houden. Mann beschrijft de eindeloze politieke debatten in Parijse cafés, het lange wachten om een visum te pakken te krijgen, de zoektocht naar valse papieren, het sluiten van schijnhuwelijken, het antisemitisme waarmee de Joodse migranten ook buiten Duitsland te maken krijgen, de vereenzaming en weemoed waarmee iedere migrant vroeg of laat wordt geconfronteerd, de zelfmoord van een van de personages en – een van de sterkste passages in het boek – de heroïneverslaving met fatale afloop van de jonge auteur Martin Korella. Elk personage reageert anders op het migrantenbestaan: enkelen, aldus Mann, ‘vereenzaamden, werden asociaal, omdat ze aan niets anders konden denken, over niets anders konden praten dan over hun eigen ellende.’ Anderen zochten troost in verdovende middelen of pleegden zelfmoord; nog anderen ‘was de harde, gespannen manier van leven goed bekomen. De ballingschap had hen dapperder, wijzer en beter gemaakt. Hun medelijdende fantasie, hun onderzoekende verstand, hun geloof en hun twijfel hadden zich ontwikkeld.’

Chronologisch gezien bestaat De vulkaan uit drie delen die respectievelijk de periodes 1933-1934, 1936-1937 en 1937-1938 omspannen. Waar de sfeer aanvankelijk nog tamelijk hoopvol is, nemen de radeloosheid en vertwijfeling gaandeweg toe. De actie verplaatst zich steeds verder van Duitsland weg – tot Palestina, de Amerikaanse Westkust en China toe. Over Duitsland komen we enkel indirect iets te weten, op de proloog na. Manns mozaïekvertelling wordt omkaderd door twee brieven van een zekere Dieter aan zijn naar het buitenland geëmigreerde vriend Karl. In de eerste brief – geschreven op 20 april 1933 – lezen we het volgende:

Ik ben geen nazi, en ik geef ook toe dat er hier de afgelopen maanden veel afschuwelijke dingen zijn gebeurd; alle weldenkende mensen zijn het daarover eens, en we zijn allemaal van mening dat die dingen misschien onvermijdelijk waren aan het begin van een grote omwenteling, maar dat het heel snel anders moet worden. We moeten in elk geval niet loochenen dat er een grote omwenteling aan de gang is; dat zich in Duitsland een nationaal ontwaken voltrekt. Overal voel je echt enthousiasme, daar zou gaandeweg iets fraais, vruchtbaars, positiefs uit kunnen voortkomen, iets wat vervolgens ook Europa ten goede zou komen, en de vrede.

Even later marcheert een zingende troep SA-ers voorbij de woning van Dieter, die hierop reageert door het raam te sluiten. Symbolisch – Dieter sluit zich af van de realiteit die in Duitsland steeds grimmiger wordt. Mann gebruikt Dieter als het vertrekpunt, om zich vervolgens volledig te focussen op de levens van de migranten die hun vaderland wél ontvlucht zijn. In de epiloog komen we diezelfde Dieter weer tegen. Opnieuw schrijft hij een brief aan Karl. Het is 1 januari 1939, we zijn in Marseille aanbeland. Dieter is klaar om Europa te verlaten, net zoals vele andere migranten dat vóór hem hebben gedaan. Tussen 1933 en 1939 is er heel wat veranderd. Alles wijst erop dat Duitsland zich klaarmaakt voor de oorlog. Het is enkel nog wachten tot de vulkaan daadwerkelijk uitbarst.

Activisme

Het beeld van de vulkaan is een van de twee belangrijkste leidmotieven die de roman structureren. Een van de hoofdpersonages is Marion von Kammer (Manns oudste zus Erika Mann zou model hebben gestaan), die als voordrachtskunstenaar de klassieke Duitse poëzie – met succes – inzet als wapen tegen het nazisme. Tot drie keer toe wordt ze opgeschrikt door een vulkaanvisioen:

‘We redden het wel, we redden het echt wel!’ fluisterde zij vol vertrouwen. Maar ook in haar ogen stond de ontzetting, alsof zich plotseling een afgrond voor hen had geopend. Uit die afgrond steeg vuur op, en rook in dikke slierten, en er werden rotsblokken omhoog geslingerd. Het was de krater van een vulkaan.

Waarna de verteller zich rechtstreeks tot Marion en haar latere echtgenoot Marcel richt:

Pas op, Marion en Marcel! Verschrikkelijk is de vulkaan. Het vuur kent geen genade. Jullie verbranden als je niet heel slim en behoedzaam bent. Waarom vluchten jullie niet? Of willen jullie soms verbranden? Verlangen jullie ernaar je arme leven te offeren?

Tegen deze vulkaanuitbarstingen kan enkel hulp van bovenaf bescherming bieden. En die komt er ook in de vorm van engelen. Met het motief van de engel introduceert Mann het meest opvallende én meest problematische element in zijn roman. Zijn collega, vriend en eerste lezer Lion Feuchtwanger stak in 1939 al niet onder stoelen of banken dat hij de engelen maar niets vond en waarschijnlijk zal ook menig eenentwintigste-eeuwse lezer de wenkbrauwen fronsen bij deze goddelijke interventies. Het is Martin Korella’s vriend Kikjou, die aanvankelijk als een homoseksuele ‘parasiet’ een leven van ‘dierlijke geilheid’ leidde, die het vaakst met engelen te maken krijgt. Zo ontmoet een gelouterde, tot inkeer gekomen Kikjou op het einde van het boek in een surrealistisch visioen de Engel der Heimatlosen. Die legt hem uit wat de zin van alle tegenspoed is: door de mens met alle mogelijke ellende te overladen, wil God hem tot een ethisch, religieus reveil brengen zodat hij de allerhoogste instantie beter zou kunnen dienen. Het derde deel van De vulkaan eindigt dan ook – zonder een vleugje ironie - met de volgende raadgeving van de engel:

Wees waakzaam en dapper, dat eist mijn liefde van jullie. Wees energiek, wees realistisch, wees ook goed! Span je in! Vecht! Wees eerzuchtig en hartstochtelijk, koppig, liefhebbend en moedig. Wees rebels. Wees vroom. Blijf hopen! Sta op eigen benen!

Tijdens het lezen voel je dat Manns sympathie uitgaat naar die personages die zijn activistische wereldbeeld het best belichamen, zoals Marion von Kammer, Kikjou en de batterij linkse intellectuelen die eind jaren dertig naar Spanje trokken om tegen Francisco Franco te strijden. Ook de Martin Korella van voor zijn heroïneverslaving behoort hiertoe. Het eerste deel van De vulkaan besluit met het voorwoord dat de getalenteerde Korella schreef voor zijn fragmentarisch gebleven roman:

De glimlach van een vochtige, verstrooide dankbaarheid waarmee de jongere kameraden misschien aan ons zullen terugdenken, moet voldoende beloning voor ons zijn. Ergens zullen zij, van wie we ons zo graag voorstellen dat ze gelukkiger zijn dan wij, op sporen stuiten die van ons lijden en onze gevechten getuigen, de gevechten die ons op dit moment volkomen in beslag nemen, maar waarvan die knapen waarschijnlijk geen idee hebben hoe zwaar en bitter ze zijn. Dan zullen ze heel even stoppen met spelen en werken. Een paar ontroerde seconden lang beschaduwt nadenkendheid hun gezicht, als een wolk die snel voorbij is. Ze bladeren wat medelijdend en misschien niet geheel zonder respect in deze kroniek van al die zwerftochten en al die vragen. Misschien krijgen ze dan een vermoeden van wat wij hebben gezondigd en berouwd, doorstreden en geleden, en dan zijn we niet vergeten.

Het zouden ook Klaus Manns woorden kunnen zijn. Het is deze cocktail van maatschappelijk engagement en weemoed die zijn werk bij momenten zo onweerstaanbaar maakt.

Urgentie

De vulkaan is geen meesterwerk. Daarvoor is het – net zoals het gehele oeuvre van Klaus Mann – te snel bij elkaar geschreven. Stilistisch maakt Mann geregeld een uitschuiver (adjectieven!, clichés!, uitroeptekens!), worden bepaalde personages en verhaallijnen nauwelijks uitgewerkt en neigen sommige fragmenten (zoals de liefdesgeschiedenis tussen Marion von Kammer en professor Benjamin Abel in het derde deel) te veel naar triviaalliteratuur. Ook was de roman waarschijnlijk beter af geweest met enkele tientallen pagina’s minder.

Het is oneerlijk om in het geval van Klaus Mann telkens naar zijn vader te verwijzen, maar Thomas Mann, een van de grootste stilisten van de twintigste-eeuwse letteren, slaat misschien wel de nagel op de kop wanneer hij – godbetert na de zelfmoord van zijn zoon – schreef dat die ‘te onbesuisd en te snel’ werkte, ‘wat de vele vlekken en nalatigheden in zijn boeken verklaart.’

Vermoedelijk heeft de actualiteit van het migratiethema Querido doen besluiten om – na bijna tachtig jaar – een Nederlandstalige versie van Der Vulkan op de markt te brengen. En dat is te begrijpen: de inkijk in de levens van de migranten die Mann ons biedt, vertoont zeker overeenkomsten met de lotgevallen van een migrant anno 2018. Maar het is misschien wel in de eerste plaats de spanning tussen schmink en zwaarmoedigheid waardoor De vulkaan het particuliere overstijgt en ook voor hedendaagse lezers actueel is. Mann beperkt zich immers niet tot de oppervlakte, maar toont bij momenten genadeloos de peilloze diepten van het migrantenbestaan.

Daarnaast is dit boek een boeiend tijdsdocument. De urgentie, de oprechtheid en het engagement waarmee het is geschreven, verheffen het ver boven de middelmaat. De vulkaan is het product van een schrijver die de duistere tijden waarin hij leefde op de hielen zat en met alle mogelijke middelen bestreed.

Ook door middel van de klassieke Duitse literatuur. Zo wordt het eerste deel van De vulkaan ingeleid door de derde strofe uit Friedrich Hölderlins ‘Hyperions Schicksalslied’ (1799); verzen die (op deze manier door Mann gebruikt) perfect het lot van de migrant weergeven en tegelijk een subtiele middenvinger opsteken naar een systeem dat zo graag de Duitse Klassiker recupereerde en zes jaar voordien onder meer de boeken van oom Heinrich Mann en die van hemzelf tot de brandstapel veroordeelde:

Maar ons lot is het
nergens rust te vinden,
de lijdende mensen
wijken en vallen
blindelings van het ene
uur in het andere
als water van klip
op klip geworpen
jarenlang de onzekerheid in

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?