cover big

De berichtweigeraar

Dirk de Schutter

Over Een vrouw op de vlucht voor een bericht van David Grossman

Vertaald door Ruben Verhasselt

Cossee, Amsterdam, 2009,
ISBN 978-90-5936-263-5 / 688p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 04-12-2009

Bookmark and Share

Een obsessionele aandacht voor het detail, een bijna mateloze liefde tussen individuele mensen, een onvoorwaardelijke Lebensbejahung: dat zijn de vaste ingrediënten in de romans van de Israëlische, in het Hebreeuws schrijvende auteur David Grossman. Zijn jongste roman Een vrouw op de vlucht voor een bericht vormt hierop geen uitzondering. Grossman staat niet alleen bekend als auteur van internationale bestsellers als Zie: liefde en Haar lichaam weet het, maar ook als pleitbezorger van een alternatieve politiek die een einde moet maken aan de bouw van Joodse nederzettingen op de Westelijke-Jordaanoever en het begin moet inluiden van een duurzame vrede tussen Israël en Palestina. Sinds enkele jaren is hij heftig gekant tegen de militaire vergeldingsmaatregelen van het Israëlische leger en steunt hij elk initiatief dat vredesgesprekken tussen de verschillende volkeren en landen in het Nabije Oosten op gang kan brengen. Des te hartverscheurender was dan ook het nieuws dat zijn jongste zoon Uri in de zomer van 2006 in Libanon sneuvelde, toen diens tank slechts enkele uren voor het begin van de wapenstilstand werd getroffen.

De roman Een vrouw op de vlucht voor een bericht probeert op een hoogst eigenzinnige manier met dat rampzalige feit in het reine te komen. De vrouw in kwestie heet Ora en is de moeder van Adam en Ofer. Ze is getrouwd met Ilan, maar leeft feitelijk gescheiden van hem. Als Ofer na het beëindigen van zijn driejarige dienstplicht beslist om zich vrijwillig voor een militaire actie te melden, slaat Ora op de vlucht. Als ze niet thuis is, dan kan ze ook geen bericht ontvangen dat hij gewond is geraakt of is omgekomen. Ze weet dat er ‘een of andere ten hemel schreiende fout’ zit in deze redenering, maar voert toch haar plan uit: ze gaat op trektocht door Galilea, het noordelijk deel van Israël, en neemt Avram, een jeugdvriend en de biologische vader van Ofer, als gezel mee.

Het is niet de minste verdienste van Grossman dat hij erin slaagt om deze waanzinnige logica, die aan het gedrag van kleuters of psychoten doet denken, voor de lezer aannemelijk te maken. Ora neemt zich voor om haar zoon Ofer te redden, niet alleen door een eventueel rampzalig bericht over hem te weigeren, maar ook door tijdens de dagenlange trektocht onophoudelijk aan hem te denken en over hem te vertellen. ‘Ze voelt zich opgelaten over de woordenvloed die ze uitstort, toch kan ze niet ophouden, want het is precies wat ze nu moet doen, zo voelt ze, Ofer tot in de kleinste details beschrijven, en bovenal zijn lichaam. Een naam geven aan elke wimperhaar en nagel, aan elke vluchtige gelaatsuitdrukking, aan elke beweging van zijn mond of zijn handen, aan de schaduwen die op de verschillende uren van de dag op zijn gezicht vallen, aan elke gemoedsstemming van hem, aan alle soorten en maten van zijn lach, woede en verwondering.’

Ora’s schijnlogica gaat dus hand in hand met de overtuiging dat het woord zelf leven schept. In deze overtuiging klinkt het relaas van Scheherazade mee, die verhalen vertelt om in leven te blijven, maar ze correspondeert ook met het Joodse geloof dat God (Elohîm) de wereld geschapen heeft door te spreken.

Misschien wordt deze waanzinnige logica nog het meest geïnspireerd door de ervaring dat onvoorwaardelijke liefde, de liefde van een moeder voor haar zoon of van een vrouw voor haar man, altijd iets excessiefs heeft, altijd balanceert op de rand van het mateloze en het onzinnige. Grossman brengt in zijn roman een ode aan de liefde – de liefde die bereid is zich met het kleinste en geringste te verbinden, het meest afzichtelijke en onvolmaakte te omhelzen, zijn lot te verpanden aan het meest onooglijke. Liefhebben betekent de ander beminnen tot de dood, vooraf aanvaarden dat je afscheid zal moeten nemen van de geliefde; het is ja-zeggen tegen elke mogelijke objectieve situatie, die de geliefde verandert in een ongeneeslijk zieke of een onherkenbaar verminkte. Het is de ondraaglijke pijn en bijtende ontgoocheling op de koop toe nemen. Deze houding typeert Avram, die aan Ora toegeeft: ‘Het maakt zelfs niet uit of je me haat of op de maan woont, en ook niet of je – god verhoede – een geslachtsveranderende operatie ondergaat. Ik zal altijd van je houden.’

Die houding typeert ook Ora op het moment dat Avram als een wrak terugkeert uit Egyptische gevangenschap waar hij wekenlang onmenselijke folteringen heeft ondergaan: ‘Met de overgave van iemand die een gelofte aflegt, dacht ze dat ze hem nu geen seconde alleen mocht laten zonder de blik van een stel liefhebbende ogen, dat ze hem van nu tot in de eeuwigheid liefdevol zou aankijken en dat ze altijd bij hem zou blijven om liefdevol naar hem te kijken, want misschien zou alleen levenslange liefde goed kunnen maken wat hem daar was aangedaan.’ Ontegenzeggelijk roepen deze zinnen de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs in herinnering: ‘De liefde is geduldig en vriendelijk; de liefde is niet afgunstig, zij praalt niet, zij verbeeldt zich niets. Zij gedraagt zich niet onfatsoenlijk, zij zoekt zichzelf niet, zij laat zich niet kwaad maken en rekent het kwade niet aan. Zij verheugt zich niet over onrecht, maar vindt vreugde in de waarheid. Alles verdraagt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles verduurt zij.’

Liefde is het antwoord van Ora op de brutale intrusie van het leger in haar leven. Altijd opnieuw zet het land Israël ‘zijn stampende voet, gestoken in een ijzeren laars,’ neer op een plek waar hij niet hoort te zijn. Ora’s leven wordt getekend door de vele oorlogen waarin Israël verzeild is geraakt, zelfs nog voor het bestond. Haar moeder heeft de shoah overleefd en is sindsdien behept met een vreselijk schuldcomplex: ‘Stuk vuil, stuk vuil, zelfs Hitler wilde jou niet hebben’. Tijdens de Zesdaagse Oorlog in 1967 leren de jongeren, Ora, Ilan en Avram, elkaar kennen. Tijdens de Jom Kippoer Oorlog in 1973 valt Avram – door een dom toeval waarbij Ora betrokken is – in handen van vijand Egypte. En nu meldt Ofer zich voor een zoveelste actie tegen de Palestijnen en hun bondgenoten. Ora vraagt zich af hoe men een gezin bij elkaar kan houden dat bestookt wordt door militaire denk- en gedragspatronen. Het leger, dat in termen van geweld redeneert, heeft nooit stilgestaan bij de betekenis van één mens: ‘Duizenden momenten, uren… ontelbaar veel handelingen… vergissingen… allemaal om een enkele mens in de wereld te zetten. Eén enkele mens, zo gemakkelijk te vernietigen.’

Met de figuur van Ora, de vrouw die op de vlucht gaat voor een bericht, toont Grossman zich in alle weerloosheid aan de wereld. Zijn erg lange roman bevat vele prachtige passages: de eerste vijftig pagina’s, waarin Ora, Ilan en Avram als pubers in een ziekenhuis met elkaar kennis maken; de autorit die Ofer naar het front brengt; de nachtelijke rit naar de grens met Libanon, waarin een onthutste Ora kennis maakt met het verborgen leven van de Palestijnen; de ontdekking van Ofer dat mensen zich voeden met het vlees van de dieren; de ontdekking van Adam dat het leven verteerd wordt door de kracht van het nee; de laatste vierentwintig uren van Avram voor hij als gewonde door het Egyptische leger gevonden wordt; de terugkeer van Avram uit Egyptische gevangenschap. Al deze belevenissen en ervaringen maken deel uit van de gesprekken tussen Ora en Avram tijdens hun wandeltocht door Galilea. De hele roman wordt bovendien voortgedreven door de spanning en onzekerheid omtrent het lot van Ofer. Wat enkele recensenten ook beweerd mogen hebben, als lezer kom je dit niet te weten: het staat niet vast dat Ofer, zoals de zoon van Grossman, om het leven komt.

Tijdens hun tocht worden Ora en Avram steeds weer getroffen door de weelderige schoonheid van de natuur: ‘Om hen heen steken zover het oog reikt salieplanten het wit en lichtpaars van hun bloemen de lucht in, silenes zorgen voor het roze, en de wacht van het rood wordt door ranonkels overgenomen van uitgebloeide, ontbladerde anemonen.’ Op die manier groeit de roman eveneens uit tot een loflied op Israël.

Beiden, Ora en Avram, zijn bezorgd om de toekomst van hun land, niet alleen omdat het zoveel vijanden telt, maar ook omdat het op een sprookje lijkt en te veel wetten van de werkelijkheid lijkt te ontkennen. Ze vragen zich af hoe lang mensen met de vader des vaderlands, Theodor Herzl, zullen zeggen: ‘Als je wil, is het geen sprookje.‘  Wat staat er te gebeuren, als mensen niet langer in dit sprookje willen geloven, of die wil niet langer kunnen opbrengen? Zo geeft Grossman uiting aan het vreemde besef dat het voortbestaan van het Beloofde Land afhangt van een wonder. ‘Misschien zal er één keer in de geschiedenis van het universum een verrassing plaatsvinden? Misschien dat het deze bepaalde luipaard en dat geitenbokje samen zal lukken, juist wel, deze ene keer – boven zichzelf uit te stijgen?’

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?