cover big cover big

De gist van de utopie

Walter Weyns

Over Koning van Utopia. Nieuw licht op het utopisch denken van Hans Achterhuis

Lemniscaat, Rotterdam, 2016,
ISBN 9789047708742 / 197p.

Over Ter verdediging van Utopia van Merijn Oudenampsen

Editie Leesmagazijn , s.l., 2016,
ISBN 9789491717376 / 82p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 08-04-2017

Bookmark and Share

In de twintigste eeuw ging de wereld drie keer gebukt onder het juk van een totalitaire utopie. Communisten droomden van een stralende toekomst voor de mensheid. Een Nieuwe Mens zou, na een zegevierende wereldrevolutie, geboren worden uit het proletariaat. Fascisten, en de felsten onder hen: de nazi’s, droomden van een nieuwe mensheid, gezuiverd van onreine en halfwaardige Untermenschen; op die stevige en gezuiverde bodem zou het duizendjarige rijk van het Herrenvolk verrijzen.

Communisme en nationaalsocialisme waren aartsvijanden, maar ze leken op elkaar. Niet toevallig werd het nazisme al in de jaren dertig ‘Het Bruine Bolsjewisme’ genoemd. Beide ideologieën gingen ervan uit dat het mogelijk was om in één geweldige revolutionaire ommekeer, hier en nu, een nieuwe aarde en een nieuwe mensheid in het leven te roepen. Maar hoe stralender de toekomst werd voorgesteld, hoe gewelddadiger die ommekeer verliep en hoe onvrijer het dagelijks leven was na de omwenteling. Denken mocht nog, zolang je de Nieuwe (fascistische of communistische) Orde maar bezong, dus zolang je niet echt dacht. En je moest, als je oude christelijke of humanistische geweten opspeelde, bedenken dat je geen omelet maakt zonder eieren te breken. Was het niet naïef te denken dat je zonder een offer – al ging het dan om miljoenen mensenlevens – een Nieuwe Mensheid kon realiseren?

De grote les van de twintigste eeuw was dan ook: hoed je voor utopisch denken. Een gerealiseerde utopische droom blijkt, na het ontwaken, een reëel beleefde nachtmerrie te zijn. Utopieën zijn dystopieën met een vriendelijk gezicht. Velen hadden die conclusie al getrokken voor de Sovjet-Unie en het hele communistische Oostblok in een geweldige kladderadatsch ineenstuikten. Maar na de Val van de Muur vielen zelfs bij de goedgelovigsten de schellen van de ogen. De archieven van de Stasi gingen open en iedereen kon met eigen ogen zien wat voor een akelig regime Oost-Duitsland was geweest: een openluchtgevangenis waarin bewakers en bewaakten tussen elkaar leefden terwijl niemand wist wie wie in de gaten hield.

Hans Achterhuis (1942) was al eerder tot dat inzicht gekomen, namelijk toen uit China berichten binnenliepen over wat er zoal was gebeurd onder Mao Zedong, tijdens de Culturele Revolutie. Als jonge filosoof had Achterhuis Mao’s Rode Boekje (1964) met rode oortjes gelezen. Zoals zoveel intellectuelen van zijn generatie was ook hij vatbaar geweest voor de daarin beschreven instructies. ‘Het is streng verboden om bekentenissen af te dwingen’ schreef de Grote Roerganger bijvoorbeeld. Als je zoiets kon schrijven terwijl je middenin een revolutie zat, dan getuigde dat van menselijkheid. Maar toen kwam aan het licht wat die woorden waard waren: niets. Of liever: ze fungeerden als Newspeak, ze betekenden het tegenovergestelde van wat ze leken te zeggen, zoals in George Orwells Nineteen Eighty-Four (1949) ‘waarheid’ leugen betekende en ‘vrede’ oorlog. Toen Achterhuis dit besefte, kieperde hij de maoïstische boeken in de prullenmand en werd hij allergisch voor utopisch denken. Hij ontpopte zich tot dé anti-utopische denker van Nederland. De afgelopen kwarteeuw schreef hij verschillende analyses van en aanklachten tegen het utopisch denken (De erfenis van de utopie uit 1998; Utopie uit 2006; Met alle geweld uit 2008). ‘Ik dacht’, schrijft hij terugblikkend, ‘de utopie ontmaskerd en gedeconstrueerd te hebben: het was tijd om afstand te nemen van de gevaarlijke utopische bevlogenheid’.

In zijn laatste anti-utopische boek (De utopie van de vrije markt, 2010) ontmaskert hij het neoliberalisme, vooral dan de spinsels van de in de Verenigde Staten zeer invloedrijke Ayn Rand, als een vermomde, gevaarlijke utopie. Ook Rand droomde van een nieuwe mens: een door en door berekenend, zelfzuchtig wezen dat het leven opvat als één grote markt waar de gelegenheden om winst te maken voor het grijpen liggen (‘Greed is Good’) en de staat tot een minimum wordt uitgekleed. Zulke denkbeelden bereikten in de jaren tachtig via Margaret Thatcher ook Europa en behoren inmiddels tot het standaarddiscours van economisten, technocraten en beleidsmakers. En ze houden, zoals gerealiseerde utopieën nu eenmaal doen, mensen gevangen in een totalitaire wurggreep van dwang en opgelegd denken.

Want er is, zoals bekend, geen alternatief voor vermarkting, rentabiliteit en budgettaire gestrengheid: de overheid moet worden ontvet en burgers moeten niet langer op elkaar of de overheid rekenen maar op zichzelf. Ze moeten verantwoordelijkheid nemen voor zichzelf, ‘accountable’ worden, wat wil zeggen dat ze niet langer moeten denken maar rekenen. Ook het neoliberalisme kon je dus, in de ogen van Achterhuis, haarfijn aan de kaak stellen als een utopie: de derde grote utopie die de twintigste eeuw had geteisterd – hoewel zij vooral brokken maakte in de eenentwintigste eeuw.

Gerealiseerde of vermomde utopieën aan de kaak stellen is één ding, daar iets tegenover stellen een ander. In debatten met Willem Schinkel en Rutger Bregman, die onomwonden pleiten voor meer utopisch lef, spelde de oude wijze ‘Denker des Vaderlands’ die jonge utopische dromers kortgeleden nog de les: zij zouden niet goed beseffen met welk vuur ze spelen. Maar bij Achterhuis begon iets te wringen. Hij zag dat Bregman en andere critici zich ongegeneerd bedienen van het label ‘utopie’, zonder dat ze heimwee hebben naar welke totalitaire utopie dan ook, zonder dat ze een kant-en-klaar beeld hebben van de komende wereldorde, zonder dat ze in één klap alles tegelijk willen veranderen, en zonder dat ze er prat op gaan alles te weten. Utopisch denken, zo begon het Achterhuis stilaan te dagen, kan dus blijkbaar ook in een niet-totalitaire variant. En zo herontdekte de grote profeet van het anti-utopisme de kracht en de mogelijkheden van het utopisch denken.

Dat is de betekenis van de ondertitel – nieuw licht op het utopisch denken – van zijn recentste, maar niet langer anti-utopische boek Koning van Utopia. Op de kaft prijkt een beeld van Jan Fabre van een man die een schildpad berijdt. De man is een zelfportret van Fabre en het beeld heet Searching for Utopia. Dat spreekt Achterhuis aan: we leggen ons niet neer bij de wereld zoals hij is, we zoeken naar iets beters, we spannen ons daar voor in, maar we koesteren niet de illusie dat we die betere wereld kant en klaar zullen aantreffen. In de traagheid, maar ook in de volharding van het zoeken naar een betere wereld – niet het vinden – ligt de kracht van de utopie.

Voor een denker op een zekere leeftijd die meer dan een kwarteeuw een goed onderbouwde anti-utopische positie heeft bekleed, is zo’n wending niet vanzelfsprekend. Je moet toch maar toegeven dat je je vergiste, of dat je toch minstens bepaalde dingen niet zag. De frisheid en aanstekelijkheid waarmee Achterhuis die Wende maakt, pleit voor hem.

Koning van Utopia is in alle opzichten een open boek. Het is helder en toegankelijk en het spoort aan om zelf te denken. Het vervalt ook niet in de denkfout dat je alleen door te denken de wereld kunt redden. Er is geen reden om minnetjes te doen over bescheiden mensen die binnen hun kleine actieradius iets doen, met vallen en opstaan, om hun leefwereld, en dat wil ook zeggen de wereld die ze met anderen delen, menselijker in te richten. Dat lijkt misschien onbeduidend, maar juist ‘in kleine utopieën die concreet laten zien hoe het anders kan, hoe het beter kan’ bespeur je de geest van revolte tegen een maatschappelijke orde die verontwaardiging wekt.

Nu hij de utopie – of zoals hij liever zegt, om het verschil met de nog altijd gevaarlijke ‘gerealiseerde utopieën’ duidelijk te maken: utopietjes – opnieuw een warm hart toedraagt, kijkt hij ook met andere ogen naar Utopia (1516) van Thomas More.

Koning van Utopia begint met een hernieuwde lectuur van dat baanbrekende boek. Mores Utopia was wellicht geen utopie. ‘Heeft More wel een ideale samenleving willen beschrijven? Ik vraag het me steeds meer af’, schrijft Achterhuis, die sterke argumenten aandraagt om deze twijfel te onderbouwen. Naar zijn mening was pas Francis Bacons Het Nieuwe Atlantis (1627) de eerste utopie, dus echt bedoeld als blauwdruk voor de maatschappij. Utopia was veeleer Mores Lof der Zotheid, ‘een geniale grap, een satire waar hij samen met Erasmus en andere humanistische vrienden smakelijk om kon lachen’. Dat kan verklaren waarom More in het tweede deel van de Utopia allerlei voorstellen doet die hijzelf in zijn leven altijd heeft bestreden. Dat in Utopia godsdienstvrijheid bestond en euthanasie mogelijk was, bijvoorbeeld, wordt meestal gezien als een uiting van Mores vooruitstrevendheid en maatschappijkritiek. Achterhuis (die hier overigens geen originaliteit claimt) komt daar nu van terug.

Het is gewoonweg onmogelijk dat een traditioneel vroom christen als More in een tijd waarin artsen vanwege de eed van Hippocrates ver van een sterfbed moesten blijven, werkelijk serieus zou kunnen stellen dat euthanasie heilig en in overeenstemming met Gods wil zou kunnen zijn. More lijkt hier eerder [...] een afschrikwekkend beeld te schetsen dan een serieus utopisch idee te formuleren. Hij moet hebben gehuiverd, maar misschien ook gegrimlacht toen hij dit opschreef. […] Zijn tijdgenoten wisten dat More een meester was van de ironie en de satire, maar voor mensen die vijfhonderd jaar later de tekst van Utopia lezen, is het bijna onmogelijk om dit te onderkennen.

In Koning van Utopia geeft de filosoof dus ruiterlijk toe dat hij ook maar een mens is die zich kan vergissen. Zowel aan zijn interpretatie van Utopia als aan zijn inschatting van de mogelijkheden van het utopische denken bleek het nodige te schorten. Helder en zonder betweterigheid ontleedt hij zijn vroegere denkfouten. Het is, geloof ik, het meest charmante van al zijn boeken, en het is een plezier om hem op zijn grootvaderlijke denk- en levenswegen te volgen.

Net op het moment dat Achterhuis tot nieuwe inzichten komt, krijgt hij een stevige aanval te verwerken van de Nederlandse socioloog Merijn Oudenampsen (1979), nochtans een van de jonge utopische turken die hem sinds kort zo charmeren. De liefde is dus blijkbaar niet wederzijds.

Oudenampsens Ter verdediging van Utopia (2016) had net zo goed Aanval op Achterhuis kunnen heten. Het is één grote kritiek op diens anti-utopische filosofie, en dan in het bijzonder op diens De erfenis van de utopie (2010). Als je Oudenampsen mag geloven, deugt daar ongeveer niets van. Achterhuis trapt in de val van Georg Wilhelm Friedrich Hegels teleologische geschiedenisopvatting. Hij heeft Michel Foucault verkeerd gelezen. Hij volgt Hannah Arendt slaafs, ook wanneer zij de bal misslaat. Hij ‘zondigt tegen de meest basale principes van de literatuurwetenschappen’. Maar bovenal, en onvergeeflijk voor een filosoof die van de studie van de utopie een goed deel van zijn werk heeft gemaakt, hij interpreteert Mores Utopia helemaal verkeerd. Utopia is allerminst een blauwdruk voor een toekomstige maatschappij, stelt Oudenampsen. Het bevat daarentegen tal van losse ideeën die niet te nemen of te laten zijn, maar mensen aan het denken willen zetten over een betere toekomst. De detailbeschrijvingen die er inderdaad in voorkomen zijn geen voorschriften maar hebben een fictioneel doel: ze moeten de lezer meevoeren naar het rijk der verbeelding, de ‘ruimte waarin gedacht kan worden’ die Utopia is.

Dat Mores Utopia geen blauwdruk is maar een uitermate complexe, veellagige tekst, daar was Achterhuis zoals we zagen intussen ook al achter gekomen. En dat het utopische denken een grote waarde kan hebben, is misschien de belangrijkste boodschap die Achterhuis in zijn nieuwste boek wilde meegeven. Een evenwichtige inschatting van het denken van Achterhuis als (anti-)utopiefilosoof kon Oudenampsen dan ook niet bieden. Dat denken was immers, blijkt nu, ver van afgerond.

Toch heeft Oudenampsens essay een betekenis. Natuurlijk is het een afrekening met Achterhuis. Maar het is meer. Achterhuis staat namelijk voor de ‘revisionistische utopiekritiek’ die Nederland ‘bijna twintig jaar in de greep heeft gehouden’. Sinds de val van de Berlijnse muur in 1989 werd het bon ton om te beweren dat socialistische dromerijen tot het verleden behoorden.

Wij spreken niet meer over Het Alternatief van de Partij van de Arbeid [...] Er is geen alternatief voor de maatschappelijke constellatie die we nu hebben en dus heeft het geen enkele zin daarnaar te streven.

Dat zei Wim Kok in 1989. Kok was toen leider van de Nederlandse PvdA en vicevoorzitter van de Socialistische Internationale. Het is inderdaad eventjes met de ogen knipperen als je dit citaat leest. Na Kok zeiden andere sociaaldemocraten als Tony Blair en Gerhard Schröder gelijkaardige dingen. Er is geen alternatief. Voor Oudenampsen komt deze moord op de politieke verbeelding voort uit een verwrongen verhouding tot het utopische denken. Wie de utopie verbiedt of zich er beschaamd van afkeert, onderwerpt zich aan het bestaande en sluit zich af voor een betere toekomst. Zonder de gist van de utopie bakt de politiek er weinig van.

In de ogen van Oudenampsen staat Achterhuis symbool voor een oude garde die het vuur van de utopie doofde uit schrik zich eraan te branden, maar die met het vuur ook het licht liet uitgaan, zodat niemand nog kon zeggen waar het nu precies naartoe moest. Achterhuis’ jarenlang beleden afkeer van utopie (omdat ze de samenleving zou veranderen in een openluchtgevangenis) verlamt de politiek. Wie uit naam van vrijheid en openheid de utopie bestrijdt, verkleint in feite de horizon van collectieve mogelijkheden. Oudenampsens kritiek op Achterhuis is dus een ‘pleidooi voor de rehabilitatie van het democratisch utopisme’, want ‘zonder utopie leven we in een gesloten samenleving’.

Daar zou de nieuwe, gelouterde Achterhuis het intussen mee eens zijn. Het is dan ook jammer dat Oudenampsens boek niet een jaartje eerder verscheen. Nu trekt hij ten strijde tegen posities die Achterhuis inmiddels verlaten heeft. Wie Koning van Utopia en Ter verdediging van Utopia leest, is getuige van elkaar kruisende boodschappen op zoek naar een bestemmeling die inmiddels is verhuisd.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?