cover big

De grote glimmende kiosk

Samuel Vriezen

Over De eeuwige terugkeer van het fascisme van Rob Riemen

Atlas, Amsterdam, 2010,
ISBN 9789045018560 / 64p.

(1) reactie(s) - geplaatst op 19-11-2010

Bookmark and Share

‘Geert Wilders is een fascist!’ Mogen we dat nu eindelijk gewoon zeggen? Dat is wel wat Rob Riemen, humanistisch filosoof, oprichter van het Nexus Instituut, en auteur van de bescheiden bestseller Adel van de Geest - een vergeten ideaal, beweert in De eeuwige terugkeer van het fascisme.

Falende elites

In acht korte beschouwingen probeert Riemen het taboe te doorbreken dat op het woord ‘fascisme’ rust in het hedendaagse Nederlandse politieke debat. In het eerste stuk, gewijd aan een lezing van Camus’ La Peste als parabel over het fascisme, schetst Riemen de situatie als volgt: ‘[Er is] in Europa een taboe op het woord ‘fascisme’ voor zover het betrekking heeft op hedendaagse politieke verschijnselen. Er is rechts-extremisme, radicaal-rechts, populisme, rechts-populisme, maar fascisme… nee, dat is er niet: dat kan niet waar zijn, zoiets doet zich bij ons niet meer voor, wij leven in een democratie, wilt u alstublieft geen paniek zaaien en mensen beledigen!’ Maar voor Riemen is het duidelijk: het nieuwe politieke verschijnsel dat Nederland tegenwoordig in zijn greep houdt moet benoemd worden, en ‘fascisme’ is daarvoor de juiste naam.

Om zijn punt te maken schetst Riemen de cultuurhistorische achtergrond van het fascisme. Vervolgens beweert hij dat kortzichtigheid van de elites de fascisten indertijd aan de macht hielp. Dan komt het voornaamste deel van het boek: een uitgebreide polemiek tegen de schijnargumenten die de PVV-apologeten graag gebruiken. Pas op de laatste pagina’s noemt Riemen ondubbelzinnig Geert Wilders een fascist, en legt hij de schuld van diens opkomst opnieuw bij een falende elite: ‘politieke partijen die hun eigen gedachtegoed verloochenen, intellectuelen die een gemakzuchtig nihilisme cultiveren, universiteiten die deze naam niet waardig zijn, de geldzucht van de zakenwereld en de massamedia die liever de buikspreker van dan een kritische spiegel voor het volk zijn.’ Het boek eindigt met een pleidooi om ons leven te ‘wijden aan al wat waarlijk leven geeft – waarheid, goedheid, schoonheid, vriendschap, rechtvaardigheid, compassie en wijsheid’ als enige manier om ‘resistent te worden tegen de dodelijke bacil die fascisme heet.’

Dit alles in een soepele stijl, met hier en daar enkele stevige retorische uithalen naar de falende elites die het voornaamste doelwit van Riemens polemiek zijn. Dat maakt het een fijn boek voor wie de laatste jaren wel eens moedeloos werd van onze kopstukken. Riemen richt zijn pijlen daarbij niet op één politieke richting, maar op gebrek aan principes over de hele linie. In een meeslepende passage somt hij alle elites op die de gewone mensen ‘in de steek hebben gelaten’: nihilistische intellectuelen die beweren dat niets van blijvende waarde is, maar ook conservatieve intellectuelen die onkritisch vasthouden aan versteende waarden, het onderwijs, de zakenelite, zowel de linkse als de rechtse politieke elite die ‘beginselen, visies en idealen heeft ingeruild voor de valse munt van kiezersgunst en meedrijven met de tijdgeest’, enzovoort. Het boek wil de complete hedendaagse cultuur wakker schudden en herinneren aan de noodzaak te ‘leven in de waarheid’. Dat is sympathiek, en hopelijk is het boek bruikbaar als oproep tot meer stellingname – misschien vooral bij het CDA, dat gevoelig zou moeten zijn voor Riemens conservatieve betoogtrant. Maar het is de vraag hoe sterk Riemens analyse is.

Wel of geen fascist?

In de pers hebben mensen als Frits Bolkestein en Afshin Ellian zich alvast bepaald niet overtuigd betoond van Riemens hoofdstelling over het fascisme van Wilders. In een venijnig opiniestuk van Ellian in NRC-Handelsblad (10 november 2010) wordt deze stelling bijvoorbeeld afgedaan als het ‘gekakel’ van een ‘publiciteitsgeile geest’. Ellian brengt sterke argumenten mee, met name dat bij Wilders fundamentele, bepalende kenmerken van het historische fascistische gedachtegoed ontbreken. Zo staat Wilders geen organische staat voor als verenigd lichaam van het volk onder een dictator en geen inperking van de vrijheid van meningsuiting. Inderdaad past Wilders’ populistische politiek en retoriek juist uitstekend binnen onze democratische politieke cultuur. Waarom zou Riemen dan net voor het woord ‘fascisme’ kiezen?

Riemens fascisme-opvatting is uiteindelijk niet historisch, maar structureel – of misschien zelfs a-structureel: Riemens fascisme is namelijk gezichtsloos. Het kent geen positieve definitie. Riemen haalt onder meer de communist Palmiro Togliatti aan, die er in 1935 op wees dat ‘het fascisme in verschillende landen verschillende vormen zal aannemen, en wel doordat er geen enkel idee en geen enkele universele waarde achter het fascisme zit’. Een citaat van Thomas Mann wijst zelfs op de mogelijkheid dat ‘if ever Fascism should come to America, it will come in the name of freedom.’ Het fascisme volgens Riemen is dus vooral negatief, en niet historisch of conceptueel. Maar dat verzwakt zijn keuze voor een bij uitstek historisch geladen naam, evenals zijn argumentatie vanuit historische paralellen. Het maakt maakt hem kwetsbaar voor verwijten als die van Ellian – een eerste structureel probleem van Riemens betoog.

Het fascisme is bij Riemen het gevolg van een veel grotere ontwikkeling die eeuwen omvat. Om deze ontwikkeling te schetsen gebruikt hij tal van getuigen: Goethe, Tocqueville, Valéry, Kraus, Ortega y Gasset. Een spilfiguur is Nietzsche, die al vroeg inzag dat er in de moderne tijd geen fundamenten meer bestaan voor absolute waarden en het Europese beschavingsideaal. Deze cultuurhistorische toestand van de moderne tijd veroorzaakt ‘ressentiment’, dat uiteindelijk tot het fascisme leidt. Onder verwijzing naar Max Scheler stelt Riemen: ‘Nietzsche betoogde waarom hogere waarden niet meer kunnen bestaan. Nu echter ontstaat er een besef dat deze waarden ook niet mogen bestaan, omdat ze een inspanning vereisen en iedereen die deze inspanning niet kan of wil opbrengen, buitensluiten. [...] Net als Nietzsche begrijpt Scheler dat de ressentimentsmens uiteindelijk een zwakkeling is en bang voor [zijn] vrijheid. De ervaring van de absolute vrijheid zal omslaan in een diepe angst voor vrijheid, en groot wordt de behoefte zich te conformeren aan de massa, de massa die uiteindelijk niets liever wil dan blindelings een charismatische leider geloven en gehoorzamen.’

Riemen lijkt zijn fascisme-opvatting welhaast te hebben geconcipieerd als middel om zijn polemiek tegen gecorrumpeerde elites vorm te kunnen geven. Voor hem is fascisme het noodzakelijk gevolg van de afwezigheid van gezaghebbende elites: het is de juiste naam voor elke populistische exploitatie van het nihilistische ressentiment. Pas vanuit die definitie wordt ook Wilders’ nieuwe, volkomen democratische incarnatie van het fascisme begrijpelijk. Riemen schetst daarmee een maatschappijvisie waarin het volk ofwel door goede elites opgevoed wordt tot verantwoordelijk leven, ofwel verstrikt zal raken in de netten van fascistische volksmenners, die hen een compleet gebrek aan ideeën als norm aanbieden en dat ‘vrijheid’ noemen. Het is dus óf ideeën en waarden, óf het grote fascistische Niets. Een aantrekkelijk schema, maar Riemen hanteert het nogal makkelijk en gaat soms al te kort door de bocht.

Zijn positie betekent bijvoorbeeld dat hij geen denkbeweging in het fascime kan zien: wederom iets dat Riemen kwetsbaar maakt voor Ellians verwijten, als die wijst op wel degelijk bestaande fascistische politieke theorie. Ook rijst de vraag hoe Riemen om zal gaan met figuren als Marinetti of Heidegger – belangrijke intellectuelen die gevoelig waren voor fascistische gedachten. Net zo wil Riemen het denken van de grote tradities van christelijk, joods en humanistisch denken graag vrijwaren van het fascisme, maar verzuimt hij uit te leggen hoe het kan dat mensen die uit deze tradities voortkomen, tóch door het fascisme gegrepen konden worden. Dit leidt tot ongerijmdheden in het boek. Op pagina 39 legt Riemen uit dat niet alleen de islam, maar elke religie en denkrichting totalitair kan worden, en op pagina 42 voert hij de Joodse fascist Ettore Ovazza op als bewijs dat fascisme en jodendom prima samengaan. Maar al op pagina 44 stelt Riemen, zonder verdere bespreking van de schijnbare tegenstrijdigheid, dat wie in de christelijke, Joodse of humanistische traditie staat ‘zich tot het uiterste verzetten [zal] tegen een maatschappelijke cultuur van ressentiment’. Hoe moeten we dat zien? Was die Ovazza soms geen echte Jood?

Deugdzame elite, gedwee volk

Het grootste structurele probleem van De eeuwige terugkeer van het fascisme zit in het alternatief dat Riemen schetst. Nu begrijp ik dat dit schotschrift in de eerste plaats bedoeld is om te ontmaskeren, en dat we voor een vertoog over het juiste leven wellicht een ander boek van Riemen moeten kopen. Toch werpt zijn pamflet een enorm probleem op als het gaat om de mogelijkheid van alternatieven. Het fascisme ontstaat volgens hem als absolute waarden vergeten worden. Daarom is het enige tegengif de terugkeer naar het besef van hogere waarden. Maar Riemen had nu juist Nietzsche laten aantonen dat absolute fundamenten voor zulke waarden niet houdbaar zijn. De vraag wordt dan zeer nijpend: hoe kunnen wij die hogere waarden denken, als de fundamenten ervan zijn verdwenen? Over dit dilemma zegt Riemen helemaal niets.

De omissie is absoluut fataal. Riemen stapt doodleuk over het probleem heen, alsof je maar met je vingers hoeft te knippen en de crisis van de moderniteit (met haar nihilisme, haar massamensen en haar ressentiment) is gewoon verdwenen, de absolute eeuwige waarheden zitten weer harmonieus op hun plek, de elites zijn weer deugdzaam en het volk gedwee, alsof het nooit anders was. Dat Riemen niet bang is de grote woorden weer te gebruiken siert hem, maar omdat hij het fundamentele probleem omzeilt, blijven ze leeg. Hij onderneemt geen enkele poging om de woorden een nieuwe, constructieve invulling te geven. In plaats daarvan lijkt Riemen vooral te vertrouwen op een nogal vaag idee van traditie. Alsof wie maar ‘echt’ in een traditie denkt helemaal vanzelf tot de waarheid zal komen. Maar wat precies wel en wat niet tot zo’n traditie behoort wordt nergens duidelijk.

Ook raken de tradities en de waarden in Riemens betoog onderling verwisselbaar. Hij komt op voor het echte christendom, het echte humanisme, het echte liberalisme, het echte conservatisme, de echte sociaal-democratie, waar zijn pet maar toevallig naar staat. Als het maar een eeuwige, universele waarde kan vertegenwoordigen – alleen over radicaal linkse waarden horen we hem nagenoeg niet. Riemen geeft de indruk te shoppen in een groot waardenaanbod, zonder zich duidelijk voor één waarde hard te maken. Zijn argumentatie lijkt een opvoering van de cultuurcrisis die hij signaleert: absolute fundamenten worden niet aangegeven, de grote woorden blijven leeg, alles wat Riemen het volk te bieden heeft is zijn grote glimmende kiosk vol geliefde auteurs.

Maar waarom hebben die fascisten dan ongelijk? Welke nieuwe of vernieuwde absolute waarde kan vandaag de dag in stelling worden gebracht tegen hen, op grond van welke specifieke analyse van de contemporaine situatie? Eerlijk is eerlijk: hoe gretig ze ook emmers water over hun buren smijten, moslims pesten en de kunst kapotsaneren, tegen ‘goedheid’, ‘schoonheid’ of ‘vriendschap’ heeft nog geen PVV’er ooit zich openlijk uitgesproken. Dit gebrek aan duidelijkheid over zijn fundamenten is uiteindeljk wat Riemens pamflet zo kwetsbaar maakt. Het is onvoldoende activistisch. Nu brengt de discussie over zijn stelling hem te makkelijk in het defensief: ze gaat over de toepasbaarheid van het woord ‘fascisme’, in plaats van over hoe mensen zich juist actief kunnen inzetten voor iets goeds en zo dat fascisme de pas afsnijden. Riemens maatschappijvisie steunt zo sterk op elites, abstracte waarden en vage tradities, dat ook bij hem de vrijheid en de macht van mensen onzichtbaar blijft.

Riemens betoog is prikkelend en nuttig als voorstel om Wilders te interpreteren als loot aan dezelfde stam die ook het historische fascisme heeft voortgebracht. De gevaren van de PVV die Riemen signaleert en de cultuurhistorische achtergronden verdienen hun plaats in het publieke debat. Maar zijn onvermogen om fundamenten en contouren van nieuwe waarden te schetsen maakt zijn pamflet uiteindelijk onbevredigend en kwetsbaar. Het belet Riemen om het filosofische niveau te bereiken waar hij op inzet, waardoor ook zijn gebruik van de term ‘fascisme’ uiteindelijk niet aan de retoriek kan ontstijgen. Om Wilders werkelijk te kunnen bestrijden, zullen steviger posities nodig zijn.

1 reacties

Voor een zo scherpe kritiek valt de conclusie nogal welwillend uit, vind ik. Ik vraag me af of iemand die, in het besef dat de politiek in onze tijd zich niet kan legitimeren d.m.v. een beroep op algemeen bindende waarden, de noodzaak van dergelijk waarden toch bezweert, niet evengoed gezien moet worden als een loot aan de stam die ook het historische fascisme heeft voortgebracht. Mij althans doet het vertoog van Riemers – althans zoals Vriezen het hier weergeeft – erg denken aan de rechtse variant van het decadente discours zoals dat in de tweede helft van de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw en vogue is en dat vooral neerkomt op het overschreeuwen van de eigen onzekerheid ten aanzien van de verdere levensvatbaarheid van de cultuur die verdedigd moet worden. Het verlangen naar absolute culturele fundamenten is bepaald niet exclusief fascistisch, maar er zit naar mijn idee toch altijd wel een soort Wagneriaans sentiment achter.

  • Door Gijsbert Pols
  • gepost op
    19-11-2010, om 4:15:09

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?