cover big

De lipizzaner: tussen paard en politiek?

Erwin Jans

Over Dier, bovendier van Frank Westerman

Atlas, Amsterdam, 2010,
ISBN 9789045028101 / 256p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 10-12-2010

Bookmark and Share

‘Als je een lipizzaner aanraakt, raak je geschiedenis aan.’ Zelfs wie de naam van de wereldberoemde paarden niet kent, heeft ze ongetwijfeld reeds op televisie aan het werk gezien: de grijze schimmels van de Spaanse Rijschool aan de Weense Hofburg, die met hun elegantie, hun jarenlage dressuur en hun indrukwekkende sprongen algemeen beschouwd worden als het summum van de klassieke rijkunst. De lipizzaner is afkomstig uit Lipica (Lipizza in het Italiaans) nu gelegen in Slovenië, maar eind zestiende eeuw nog onderdeel van het Habsburgse Rijk. In 1580 werd de eerste lipizzanerstoeterij opgericht door aartshertog Karel van Oostenrijk, die paarden wilde fokken voor de jacht en de vechtkunst. Paarden werden ingevoerd uit Spanje, later ook uit Italië, Palestina, Duitsland en Denemarken. Uit deze vermenging ontstond een nieuw ras dat zich via zes stamvaders ontwikkelde: de hengsten Pluto, Neapolitano, Conversano, Maestoso, Favory en Siglavy. De stamboom van ieder lipizzanerpaard wordt sindsdien nauwkeurig bijgehouden. 

Op de kaft van het nieuwste boek van Frank Westerman Dier, bovendier prijkt een lipizzaner die aan de Weense Hofburg een van die beroemde spectaculaire sprongen uitvoert. Westerman zelf heeft als kind ‘een lipizzaner aangeraakt’. Hij groeide op in de buurt van rijschool De Tarpan in Deurze. Daar mocht hij eigenaar Piet Baker meehelpen de lipizzanerhengst Conversano Primula – nakomeling in de negentiende generatie van stamvader Conversano – te verzorgen. In 1992 assisteerde Westerman bij het klaarstomen van diezelfde hengst voor de Nederlandse televisieserie Iris, waarin Monique van de Ven de rol speelt van vrijgevochten vrouwelijke veearts. Westerman heeft dus ‘geschiedenis’ aangeraakt, maar welke precies? Westerman zoekt antwoord op de vraag ‘wat mensen tot uitdrukking willen brengen met de dieren waarmee ze zich omringen. Of, in het geval van het paard: wat belichaamt hij in mensenogen?’ Maar deze formulering is wat vaag en algemeen. Het gaat Westerman om een concretere, scherpere vraag. Paarden zijn niet alleen symbolen van schoonheid en kracht, maar ook steeds verbonden geweest met macht. Wie op een paard zit, overziet de wereld: ‘Als ik opkeek, opende zich een vergezicht dat weidser was dan ik kende: ik overzag het stroomdal van het Deurzerdiep tot voorbij de stuw en de houten fietsbrug die daar kort tevoren was gebouwd. […] Ik voelde me verheven. Er was voetvolk en er was ruitervolk’, schrijft Westerman.

De pedigree van Europa

Macht staat ook voor de politieke macht van de heersers. Het is Westerman in de eerste plaats te doen om een specifieke relatie tussen paard en politiek. Dier, bovendier is geen boek over de geschiedenis van het lipizzanerras. Die geschiedenis is immers al goed gedocumenteerd. Nee, de lipizzaners zijn het prisma waardoorheen Westerman naar het politieke bedrijf van de twintigste eeuw kijkt en naar de ellende die daaruit is voortgekomen. Hij gaat op zoek naar die momenten waarop de lipizzaners opduiken in de grote catastrofes van het Europa van de voorbije eeuw. Hij zoekt naar die punten waar de pedigree van de paarden en de biografie van het moderne Europa elkaar kruisen. Westerman concentreert zich op de vier opeenvolgende politieke constellaties die het Europa van de twintigste eeuw hebben vormgegeven: de Donaumonarchie en het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog; het interbellum en de opkomst van het nazisme, fascisme en communisme; de Koude Oorlog; en het Europa na 1989. Op die vier momenten kruist de geschiedenis van de lipizzanerpaarden die van Europa, en vaak op een dramatische manier. Of anders geformuleerd: het lot van de paarden zegt op die momenten iets over de mens van de twintigste eeuw. Maar wat precies? Met de hengst Conversano Primula als vertrekpunt probeert Westerman te traceren wat er met diens voorouders is gebeurd, welke machthebbers beslag op ze hebben gelegd, waar ze tijdens de oorlogsverschrikkingen heen werden gebracht, wie voor ze bleef zorgen, enzovoorts.

Op de hem kenmerkende manier verknoopt Westerman persoonlijke biografie, onderzoeksjournalistiek, interviews, historische en wetenschappelijke data. Dat alles formuleert en schikt hij zo dat het boek – ondanks het feit dat het om non-fictie gaat – ‘spannend’ wordt: voortdurend duiken er meer of minder spectaculaire nieuwe sporen op die het verhaal een onverwachte wending geven. Het wel en vooral het wee van de paarden voert Westerman van de overrijpe pracht en praal van de Weense Hofburg, over de Grote Slachting – niet in de laatste plaats onder paarden – die de Eerste Wereldoorlog was, via de nazistische toe-eigening van het lipizzanerras als een Duits ras, hun bevrijding door de Amerikaanse troepen en hun naoorlogse triomftochten tot de recente ontberingen tijdens de Joegoslavische oorlogen. Keizer Franz-Joseph, Hitler, Mussolini, Hirohito, Patton, Tito, Ceauşescu: ze maken allemaal deel uit van de geschiedenis die het lipizzanerras heeft aangeraakt.

Westerman weet soms verrassend verschillende lijnen met elkaar te vervlechten, waardoor in een ogenschijnlijk fait divers de krachten van de grote geschiedenis transparant worden. Zo verbindt hij het draaien van de film Miracle of the White Stallions (1963) met de bouw van de Muur en vooral met de Cuba-crisis. 1962 was een cruciaal jaar in de Koude Oorlog: de Muur werd operationeel en de poging van de Sovjet-Unie om kernkoppen op Cuba te installeren, leidde bijna tot een Derde Wereldoorlog. In datzelfde jaar produceerde Walt Disney, een hevige anticommunist, een film over hoe de Amerikanen in 1945 de lipizzanerpaarden redden van de oprukkende Russen, die de paarden voor militaire doeleinden zouden gebruiken of voor voedsel zouden slachten. Omdat Oostenrijk zijn lipizzaners niet wilde afstaan voor filmopnames, moest Disney een duur contract afsluiten met Tito voor de huur van 163 lipizzaners. Die deal was mogelijk omdat de maarschalk een eigen politieke koers voer, los van de Sovjet-Unie. Ook Hongarije bezat lipizzaners, maar het is onwaarschijnlijk dat het Moskougezinde regime in Boedapest de paarden zou hebben afgestaan voor een film waarin de Amerikanen over de Russen triomferen. 

Nature vs nurture

Westerman gaat op zoek naar directe getuigen en betrokkenen die hem deze geschiedenis van nationalistische trots, vernietiging, diaspora en verwaarlozing kunnen vertellen. Tegen Hans Brabanetz, een 84-jarige hippoloog uit Wenen, een van de vele kleurrijke figuren die Westerman interviewt, zegt hij dat hij de lipizzaner ziet als een menselijke schepping: ‘Ik wilde datgene wat de mens in de loop van de geschiedenis aan het paard had toegevoegd losweken, afstropen en tegen het licht houden. Het kon niet anders of dat gaf een scherper zicht op het naakte dier, homo sapiens.’



Met deze opmerking raken we aan de harde kern van Westermans boek. Het ‘bovendier’ uit de titel is de sleutel. Het Nederlandse woord klinkt vreemd, maar de Duitse vertaling ervan – ‘Übertier’ – roept onmiddellijk een lange keten van associaties op die ons terugvoeren naar de donkerste pagina’s van de twintigste eeuw (de nazistische eugenetica) en die vooruitwijzen naar het wellicht meest duizelingwekkende hoofdstuk van de eenentwintigste eeuw (de mogelijkheden van het klonen en de genetische manipulatie). De praktijk van het fokken van het lipizzanerras plaatst Westerman in het centrum van een discussie die de mens al eeuwen bezighoudt en naar het hart gaat van het mens-zijn: de vraag naar nature (aanleg) of nurture (omgeving en opvoeding) als de bepalende factor in de menswording.

De lipizzaner is het resultaat van bewuste teelt en veredeling van het ras. Wat met planten en dieren lukte, heeft de mens in de loop van de geschiedenis ook met het eigen ras geprobeerd. Wie een overzichtelijke en inzichtelijke geschiedenis van de moderne eugenetica zoekt, moet De mens voorbij. Vooruitgang en maakbaarheid 1650-2050  (2008) van Gie van den Berghe lezen. Van den Berghe maakt duidelijk dat de eugenetica niet alleen een verwerpelijke nazistische praktijk was, maar integraal deel uitmaakt van het westerse verlichtingsdenken dat in het teken staat van de ‘maakbaarheid’ van de mens. Peter Sloterdijk – wiens controversiële essay Regels voor het mensenpark (1999) Westerman ter sprake brengt – heeft het in dit verband over ‘antropotechnieken’: technieken die ingezet worden om de mens te ‘verbeteren’, van fysieke training en onderwijs, over hygiëne en disciplinering, tot therapie en geneeskunde. Toch schrikken we – en niet ten onrechte – terug voor de laatste consequentie van de ‘maakbaarheid’: het ‘telen’ van de mens.

Westerman duikt in het werk van onderzoekers en wetenschappers als Jean-Baptiste de Lamarck (1744-1829), Charles Darwin (1809-1882), Francis Galton (1822-1911), en vooral Gregor Mendel (1822-1884), die de basis hebben gelegd voor de discussie over erfelijkheid die de twintigste eeuw stevig in haar greep zal houden. In die discussie staat de definitie van de mens en zijn toekomst op het spel. Westerman concentreert zich op de doorwerking van de strijd tussen ‘lamarckisten’ (aanhangers van de omgeving en de opvoeding als beslissende factor) en ‘mendelianen (aanhangers van de erfelijkheidsthese) in de nazistische en stalinistische doctrines. Westerman ziet de lipizzanerfok onder Gustav Rau (1880-1954) in Hostau als een spiegelbeeld van Heinrich Himmlers programma om het Arische ras te veredelen. Hij besteed veel aandacht aan de discussie in de Sovjet-Unie tussen de ‘mendeliaan’ Nikolaj Vavilov (1887-1943), de bioloog van Lenin, en de lamarckiaan Trofim Lysenko (1898-1976), de bioloog van Stalin, om te eindigen met de eerste kloonexperimenten en de gentechnologie. 

Linksige meningen

Tegen het einde van het boek werpt Westerman ook zijn eigen opvattingen in de strijd. Het debat over de ‘maakbaarheid’ van de mens is dermate existentieel en met zo verstrekkende gevolgen dat Westerman expliciet deelneemt aan de discussie. Terwijl hij in het overgrote deel van het boek in de eerste plaats aanwezig is als seismograaf voor de grote en minder grote historische verschuivingen in de twintigste eeuw, komt hij in de laatste hoofdstukken die de Joegoslavische oorlog behandelen, meer geprofileerd tevoorschijn: ‘Ik merkte dat mijn eigen linksige, nooit in de praktijk getoetste meningen averij opliepen.’ 

Die linksige meningen omvatten onder andere de idee van de absolute gelijkheid van alle mensen en de radicale afwijzing van op ras gebaseerd verschil. Een les die uit de Holocaust werd getrokken. Zo staat het trouwens in de UNESCO-verklaringen uit 1950 en geactualiseerd in 1951, 1964 en 1967: ‘er zijn geen erfelijk verankerde verschillen in intelligentie, karakter of temperament tussen volken of groepen mensen. Aan dit beginsel hoorde je niet te tornen. Sterker: je moest het niet willen.’ Toch is er bij Westerman twijfel gezaaid en geeft hij dat ook toe: want hoe zit dat dan met het feit dat de meeste volwassen Aziaten allergisch zijn voor melk, dat Kenianen en Ethiopiërs de wereldkampioenen marathon leverden, maar nooit een wereldkampioen schaken, en dat de schedel van een Aziaat makkelijk te onderscheiden is van die van een Afrikaan of een Europeaan? Spelen erfelijke verschillen toch een rol, al durven we dat omwille van morele redenen niet toe te geven? En wanneer krijgen dergelijke verschillen een duidelijk racistische dimensie? Westerman begeeft zich hier op glad ijs en beseft dat ook. Het zijn vragen en hypothesen die hij opwerpt en niet verder uitwerkt. 

Westerman heeft niet alleen geschiedenis aangeraakt, hij laat zich ook door geschiedenis aanraken. Hij bezit een grote gevoeligheid voor de rizomatische loop van de geschiedenis, maar daardoor loopt hij soms ook het gevaar om zich te verliezen in die vele vertakkingen. Hij slaagt erin om de lipizzaner te gebruiken als een betekenaar waarin de ideeën en de theorieën die de twintigste eeuw haar vorm en verloop hebben gegeven, zich uitdrukken, al lijkt het er bij momenten op dat Westerman in dit boek een te groot verhaal heeft willen vertellen. De discussie over de ‘maakbaarheid’ is zo omvattend dat er zo veel geschiedenis moet worden aangeraakt dat het verhaal – hoe fascinerend ook – soms bezwijkt onder zijn last. Maar misschien is die ‘onmacht’ wel een bewijs van de menselijkheid van de mens waarnaar het boek zo wanhopig zoekt?

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?