cover big

De media, de boodschap en het kapitalisme

Graa Boomsma

Over Hells Angels van Hunter S. Thompson

Vertaald door Ton Heuvelmans

Lebowski, Amsterdam, 2011,
ISBN 9789048808472 / 214p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 18-07-2011

Bookmark and Share

Met ogenschijnlijk speels gemak sprong Hunter S. Thompson midden in de jaren zestig over de kloof heen die de journalistiek van de Echte Literatuur scheidde. Zijn eerste grote non-fictieproject Hells Angels (1967) – persoonlijke studie van een maatschappelijk fenomeen en probleem – was een schot in de roos van de turbulente tijdgeest: een bewust subjectief verslag van zijn omgang met Californische outlaws, dat wil zeggen onaangepaste Harley Davidson-verslaafden, bewuste aso’s, min of meer criminele motorbroederschappen met strenge interne regels, afwijkende kledingvoorschriften en agressieve gedragspatronen. De Billy the Kid-cowboys uit de negentiende eeuw waren getransformeerd in motormonsters die stad en land onveilig maakten, gevaarlijke gangsters. Ook dat waren de jaren zestig in Californië.

Ook Norman Mailer, Truman Capote en Tom Wolfe stortten zich in de sixties op de non-fictie, maar de rauwe, ruige en ruwe rafelranden van de verschuivende maatschappelijke verhoudingen kregen van de ruwe bolster Thompson de scherpste blik en de scherpste pen. Nog steeds is zijn Hells Angels een indringende en integere studie naar dubieuze beeldvorming. Was ‘the medium the message’? Wat de krant schreef was waar: het stond immers gedrukt.

Thompsons ervaring was een andere, en hij weet die zeer overtuigend te verwoorden. Het is geen grootspraak of een sweeping statement als hij Amerikaanse doorsneekranten maar ook gerespecteerde bladen als Time, Newsweek en The New York Times beticht van leugens, laster en valse beeldvorming rond de Hells Angels: ‘De dagbladpers vormt de kwaadaardige grondslag van de moderne wereld.’ En dat is niet eens een zin van hemzelf maar van Sören Kierkegaard. Sommige waarheden gaan helaas lang mee. Schandalen verkopen, overal en altijd. Op basis van een gewiekste mengeling van feit en fictie, maar ook gewoon uit luiheid en domheid, werden de Hells Angels – die overigens vanaf het begin geen lieverdjes waren –  systematisch gestigmatiseerd. Aan de ene kant was daar de aantrekkingskracht van krachtige motoren en hun spijkerpakberijders, inclusief de erotische uitstraling; aan de andere kant discrimineerde de politie hen stelselmatig door te pas en te onpas verkeersbonnen uit te delen. De politie als provocateur en pestkop. Het Hells Angels-spel met opgevoerde motoren, alcoholische slemppartijen, nazi-tekens en wat al niet, kreeg eenduidige aandacht in de pers. Dat de Hells Angels eigenlijk zeer gezagsgetrouw waren (ook binnen de club) en niets moesten hebben van de Vietnambeweging, nam de gevestigde orde niet voor hen in. Outlaws blijven outlaws.

Het schrikbeeld van Amerika?

De Hells Angels kwamen uit de lagere regionen van de samenleving en hadden niets meer te verliezen in een vijandige maatschappij. Hun provocaties als protest bleven in de marge van de maatschappelijke opstand. En de erotische aantrekkingskracht (een Harley Davidson tussen de ongewassen spijkerbroekbenen) kwam in de krant terecht als verkrachtingszaak.

Het fascinerende van Thompsons Hells Angels is dat hij zich in hun midden begeeft om aan materiaal te komen. Hij volstaat niet met een vrijblijvend interview met een kopstuk of een dagje meerijden, nee, hij probeert eerst het vertrouwen te winnen om daarna dieper te kunnen doordringen in hun wereld en motieven. Hij koopt zelf een motor,  houdt zich op in hun kroegen en gaat mee als ze ergens in Californië bij elkaar komen, op Labour Day of Independence Day. En dan blijkt dat het ‘derderangs geteisem’, dat een marginaal verschijnsel vormde aan de Amerikaanse Westkust, de journalisten eigenlijk ‘geteisem’ vindt. De reden? Een vermeende verkrachtingszaak werd breed uitgemeten in de pers, terwijl de aanklaagsters geen enkel bewijs konden overleggen. Maar het kwaad was al geschied en het beeld gevormd. ‘Halverwege 1965 was hun reputatie gevestigd als het schrikbeeld van Amerika.’ De Hells Angels stonden daar dubbelzinnig tegenover. Zeker, het was aantrekkelijk om berucht en beroemd te zijn, maar dat het beeld van een mengeling van feit en fictie aan elkaar hing was ergerlijk. Die ‘orgie aan publiciteit’ was gevaarlijk voor het solide clubgevoel (een voor allen, allen voor een), en door de golf aan krantenberichten stroomden de opportunisten toe. 

De kern bleef dezelfde: losers zonder geldig toegangsbewijs tot de wereld, een bewijs dat de verwende Berkeley-studenten wel hadden. Geen wonder dat de Hells Angels niet te beroerd waren hun anti-Vietnamdemonstraties aan te vallen. Thompson doet daarvan heet van de naald verslag, inclusief de smeekbede van beatnikgoeroe Allen Ginsberg: de romantisch-geëngageerde artistiekeling tegen het leger losers, de werklozen die zich door hun vrouw of vriendin laten onderhouden en die alleen hun Harley en hun bodemloze blikje bier koesteren. Met het politieke radicalisme van Berkeley hadden de Hells Angels niet veel op, zoals sommigen dachten. Thompson is haarscherp in zijn analyse van het misverstand. De massale publiciteit voor de Hells Angels – vlak na de grootschalige publiciteit over de studentenrellen in Berkeley – werd ‘in progressief-radicaal-intellectuele kringen geïnterpreteerd als het teken voor een nationale alliantie.’ En van zo’n verbond kwam natuurlijk niets terecht. De Angels hadden dan wel lak aan de politie, ze ‘kwamen niet aanzetten met theorieën, songs en citaten maar met lawaai, muziek en kloten.’

Hoewel Thompson de Hells Angels dicht nadert, valt hij nooit met hen samen en wordt hij nergens hun woordvoerder of hielenlikker. Sterker nog, de sfeer raakt langzaamaan verpest en de media spelen ook daarin een rol. ‘Het was rond deze tijd [van de botsing tussen Angels en Vietnamdemonstranten – GB] dat mijn langdurige goede verstandhouding met de Angels begon te verslechteren. Alle humor sijpelde weg uit hun manier van doen toen ze hun eigen persverklaringen begonnen te geloven.’ Aan het slot van Hells Angels krijgt ook Thompson rake klappen in een Angels-kroeg als hij iets zegt wat in slechte aarde valt. Misschien hadden ze door dat hij zich al langzaam terugtrok uit hun sfeer. Intuïtie? ‘De outlaws hebben weliswaar geen uitgesproken mening over de sterke en zwakke punten van de wereld waarin ze leven, maar hun instinct is vlijmscherp.’

Dit soort waarnemingen, gebaseerd op eigen ervaring, tilt Hells Angels ver uit boven een doorsnee journalistiek verslag. Thompson, scherp waarnemer van de bizarre werkelijkheid, die totaal uit het lood is geslagen door leugenachtige journalisten, geflipte LSD’ers en politieke naïevelingen die de hemel willen bestormen maar in de hel terechtkomen.

De levensvatbaarheid van de Amerikaanse droom

Het boek waarmee Hunter S. Thompson écht beroemd werd – Fear and Loathing in Las Vegas (1972)— is nog persoonlijker dan Hells Angels, vanwege de toon van het door drank en drugs doordrenkte slang van de jaren zestig. Bovendien bedient hij zich in zijn waanzinnige autotocht annex overlevingstrip naar Las Vegas van de zeer overspannen, maar wel aanstekelijke hyperbool. De opgefokte tijdgeest weet hij weergaloos te weerspiegelen. Sterker nog, het grandioze misverstand tussen het Establishment en de ‘hippie-mentaliteit’ (altijd op zoek naar hogere sferen) beschrijft Thompson treffend. In opdracht van het blad Rolling Stone woont hij in Las Vegas een congres bij van politiemensen die in de verste verte niet weten welke houding ze moeten aannemen tegenover de drugscultuur. Hier maakt Doctor Gonzo (‘gonzo’ is slang voor excentriek, bizar of krankzinnig) een waterscheiding zichtbaar: de mentaliteit van Het Gezag dat in het duister tast en die van de alternatievelingen die in hun megalomane expansiedrift denken dat ze de wereld kunnen veranderen.

Waar het Hunter S. Thompson in zijn particuliere reportages om te doen is — ook als hij in de jaren zeventig en tachtig presidentskandidaten tijdens hun verkiezingsstrijd volgt — is een onderzoek naar de levensvatbaarheid van de Amerikaanse Droom. Anders geformuleerd: Thompson is gefascineerd door mensen en maatschappelijke ontwikkelingen die niet de Droom, maar de Nachtmerrie, wel of niet met airco, dichterbij brengen. Wie Songs of the Doomed (1990) leest, deel drie van The Gonzo Papers, komt tot de ontdekking dat het Richard Nixon (‘I am not a crook’) is geweest die door zijn comeback in 1968 de dood van de Amerikaanse Droom heeft ingeluid. Thompson verwijst naar het slot van F. Scott Fitzgeralds The Great Gatsby als hij Nixon omschrijft: ‘Hij was onze Gatsby, maar het licht aan het einde van de steiger was zwart in plaats van groen.’ Waar Fitzgerald het heeft over een ‘extatische toekomst’ van Amerika, die steeds weer terugwijkt, verliest Hunter Thompson zich steeds meer in sombere voorspellingen. Het lezen van later werk is geen onverdeeld genoegen, omdat voelbaar is dat Thompson zelf wordt opgevreten door de media, waaraan hij verslaafd is. De krant als kannibaal. Hij gaat steeds meer op in zielige verhalen over zichzelf, schreeuwt om aandacht en verzuimt om dat te doen waar hij zo vreselijk goed in was: de ziel van de Amerikaanse Droom blootleggen in meeslepende vertellingen die samenvallen met de tijdgeest.

Thompson heeft woest geleefd en hij is woest doodgegaan. Zelfs na zijn zelfmoord wist hij nog de aandacht van de media te trekken: zijn as werd in 2005 met een raket de ruimte ingeschoten. Pathetic, zou een Amerikaan hoofdschuddend zeggen. En toch missen we vandaag de dag in de westerse wereld dat dynamische New Journalism van Tom Wolfe, Norman Mailer en Hunter S. Thompson. Er zijn altijd kritische scribenten nodig die met verbaal vuurwerk de vinger op de wonde van de werkelijkheid weten te leggen,  tot op het bot willen gaan. 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?