cover big

De nieuwe wereld

Dirk De Schutter

Over De Amerikaanse toekomst van Simon Schama

Uit het Engels vertaald door Frans van Delft, Guus Houtzager en Meile Snijders

Contact, Amsterdam / Antwerpen, 2008,
ISBN 978 90 254 2964 5 / 476p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 26-08-2009

Bookmark and Share

Simon Schama, de uit Groot-Brittannië afkomstige historicus, heeft wereldwijd en zeker in onze contreien faam verworven met veelgeprezen boeken over Nederland in de Gouden Eeuw en over Rembrandt en met een Emmy Award-winnende tv-serie De kracht van kunst. Na een jarenlang hoogleraarschap aan prestigieuze Amerikaanse universiteiten richt hij zijn aandacht nu op zijn nieuwe vaderland: de Verenigde Staten. Zoals we dat van hem gewend zijn, leidde deze aandacht tot een boek dat intelligentie en eruditie combineert met milde humor en verbolgen cynisme en dat in meeslepende vertellingen en originele interpretaties uitmunt.

Het vertrekpunt van Schama is de presidentsverkiezing in 2008. Hij schrijft het boek voordat de uitslag van die verkiezing bekend is, maar het is duidelijk dat hij met Barack Obama sympathiseert en met vele kiezers van oordeel is dat de Verenigde Staten op een keerpunt in hun politieke geschiedenis staan. Obama, die intussen de verkiezingen gewonnen heeft, heeft dat verlangen naar verandering het best begrepen. Om enig licht te werpen op deze heroriëntering, nodigt Schama de Verenigde Staten uit tot een zelfonderzoek en tot de vraag hoe de Amerikaanse identiteit tot stand gekomen is. Zoals Obama in zijn wervende speeches, gaat Schama terug naar de Founding Fathers, naar Benjamin Franklin, George Washington en Thomas Jefferson, die niet alleen de onafhankelijkheid hebben bewerkstelligd, maar ook hebben getekend voor de constitutie van het land als republiek.

In vier delen behandelt Schama vier cruciale problemen uit de Amerikaanse politiek: het gaat achtereenvolgens om de relatie politiek-leger, politiek-religie, politiek-ras, en politiek-economie. Telkens komt hij op de proppen met een verrassend en genuanceerd antwoord.

In het eerste deel weerlegt Schama de wijdverbreide stelling als zouden de Verenigde Staten een bij uitstek militaire cultuur hebben. Hij vestigt er integendeel de aandacht op dat de Verenigde Staten in het begin van hun geschiedenis niet over een professioneel leger beschikten en dat vele presidenten beducht waren voor een militaire aristocratie en doordrongen van de plicht om het leger ondergeschikt te maken aan de republikeinse principes.

Om zijn stelling toe te lichten vertelt Schama een anekdote uit het leven van Thomas Jefferson en Alexander Hamilton. De vraag wie de grootste mannen zijn die de wereld ooit heeft voortgebracht, beantwoordde Jefferson met een verwijzing naar de Verlichting: hij noemde de namen ‘Bacon, Newton en Locke’. Hamilton daarentegen hield het bij één naam; er kon voor hem geen twijfel bestaan over wie de grootste was van allen: Julius Caesar.

Precies omdat hij de macht van het militaire apparaat wilde inperken, pleitte Jefferson voor de oprichting van een nationale militaire academie in West Point. Hij concipieerde deze academie als een soort miniuniversiteit, waar de cadetten niet alleen geïnstrueerd werden in gevechtstechnieken en oorlogsstrategie, maar ook les kregen in wiskunde, scheikunde, geologie, architectuur en Frans. De officieren moesten in eerste instantie mannen van de wetenschap worden en uitgroeien tot ingenieurs van de democratie. Jefferson was volkomen gekant tegen een oorlogszuchtig beleid, waarbij een land op militair avontuur gaat en bij de belastingbetaler aanklopt om het zogenaamde patriottisme te financieren.

Schama, die helemaal de kaart van Jefferson trekt, weet dat de traditie van Hamilton het vaak gehaald heeft: de Verenigde Staten zijn verworden tot het repressieve regime dat ze in hun onafhankelijkheidsoorlog zelf bevochten hebben. Hij weet bovendien dat Jeffersons droom om militairen op te leiden tot ingenieurs van de democratie in Irak volledig uiteengespat is. Maar Schama herinnert ons aan de geschiedenis van West Point en aan generaals die voor zowel oorlog als vrede een strategie hadden en niet terugschrokken voor bestuurstaken. De beroemdste is allicht Dwight Eisenhower, die achtereenvolgens bevelhebber van de Europese bevrijdingsmacht en rector van Columbia University was voordat hij president werd. Eisenhower waarschuwde zijn land dat het militair-industriële complex een bedreiging vormde voor de vrijheden die in de grondwet verankerd waren.

In het tweede deel onderzoekt Schama de merkwaardige combinatie van geloof, vrijheid, overtuiging en tolerantie die de Amerikaanse politiek kenmerkt. Weinige dingen wekken meer verbazing in Europa dan de dwangmatige herhaling van drie woorden op het einde van een toespraak: ‘God bless America’. En toch weigert Schama te erkennen dat de Amerikaanse religiositeit hysterische en ontspoorde trekjes vertoont. Hij draait de vraag om: we dienen ons niet alleen af te vragen waarom de Amerikanen zo aan het geloof gehecht blijven, maar ook waarom de Europeanen het geloof overboord gezet hebben en gelovigen afdoen als halvegaren.

Opnieuw komt Schama bij Jefferson uit: die stipuleert in de grondwet een onbeperkte ruimte voor de religie, maar zo dat die nooit de overhand krijgt. Hij gaat daarmee lijnrecht in tegen John Adams, de tweede president, die op het christendom stoelende morele regels als onmisbaar voor de maatschappelijke orde beschouwde. Volgens Adams moest men voor een overheidsbetrekking een eed afleggen en zweren dat men protestants was (en niet katholiek!).

Voor Jefferson gold dat overheden alleen zeggenschap kunnen hebben over hoedanigheden die hen zijn toebedeeld: gewetenskwesties hebben daar nooit toebehoord. Hij beschouwde tolerantie en religieus pluralisme als twee cruciale zegeningen van de Verenigde Staten: uit die vrijheid vloeit een menigte van sekten voort die, bij ontstentenis van overheidsbemoeienis, kan gedijen. Die verscheidenheid waarborgt dat niet één sekte een meerderheidspositie inneemt en de overige vervolgt of onderdrukt.

Maar hoe hoog de scheidingsmuur tussen religie en politiek ook opgetrokken wordt, niets kan de hartstochtelijkheid van de evangelische abolitionisten afremmen. Schama moet toegeven dat de slavernij in de Verenigde Staten bijna uitsluitend met aan de Bijbel ontleende argumenten bestreden is. Slavenhouders werden te schande gemaakt door bijbels geïnspireerde activisten. De op de rede gestoelde ethiek die slavernij verafschuwde omdat die de mens tot een object degradeert, volstond niet. De Verlichting verspreidde opvattingen waarin de soevereiniteit van de mens over zichzelf centraal stond, maar deze ethische beginselen brachten de rijke zuiderlingen er niet toe hun slaven vrij te laten.

Hetzelfde geldt voor de burgerrechtenstrijd uit de jaren zestig van de twintigste eeuw: ook daarin is de rol van religieuze leiders, zoals dominee Martin Luther King, nauwelijks te overschatten. Schama trekt er een opmerkelijke conclusie uit: in de wereld van de zwarten heeft de Kerk de nadruk gelegd op onderwijs, economische emancipatie en zelfbeschikking, in de wereld van de blanken heeft de Kerk al te vaak een achterhoedegevecht geleverd tegen wat de moderniteit genoemd wordt en al te vaak steun verleend aan perverse bewegingen zoals de Ku Klux Klan, die zijn volgelingen opriep om het christendom te beschermen tegen de bestialiteit van minderwaardige rassen, zwarten zowel als joden.

Het derde deel gaat dieper op de rassenproblematiek in. Het behandelt de tegenstrijdigheden die het Amerikaanse immigratiebeleid door de jaren heen heeft gekenmerkt: hoe een politiek van gastvrijheid voor alle verworpenen der aarde afgewisseld werd met heftige verzetsbewegingen tegen iedere nieuwe immigratiegolf. Grote hilariteit wekt daarbij de vaststelling dat nagenoeg elke minderheid ooit het mikpunt van racisme en segregatie is geweest: niet alleen de zwarten, niet alleen de Chinezen, die massaal te werk gesteld werden bij de aanleg van de transcontinentale spoorlijn, maar ook de Zuid-Europeanen, die gemakzucht verweten wordt en hedonisme, en de Ieren, die ervan beschuldigd worden overmatig te drinken en te snel op de vuist te gaan, of de Duitsers, die te hard werken, te succesvol zijn, en te goed georganiseerd.

Voor velen waren de Verenigde Staten voorbehouden, niet zozeer voor de blanken, als wel voor de Angel-Saksers. Altijd opnieuw vond de angst weerklank dat Amerika raciaal zelfmoord pleegde door de biologisch gedegenereerden werk te geven; en die biologisch gedegenereerden waren afwisselend Slavische volkeren, Armeniërs of ‘Hebreeërs’. Vaak ook kon de idee postvatten als zou de kapitalistische wereld samenzweren om Amerika te overspoelen met het uitschot van de aarde en het aldus in de opgang der volkeren te stuiten. Volgens Schama behoort Samuel Huntington met zijn boek The Clash of Civilizations, dat de eenentwintigste eeuw ziet afstevenen op een oorlog tussen de beschavingen van het christelijk-democratische Westen enerzijds en het islamitisch-theocratische Oosten anderzijds, tot de geestelijke nazaten van die bedenkelijke traditie.

In het vierde deel van zijn boek ten slotte beschrijft Schama de typisch Amerikaanse gewoonte om de wereld als onuitputtelijk te zien, om geen grenzen aan de groei te kunnen aanvaarden. Schama brengt deze onhebbelijkheid in verband met de uitgestrektheid van het Amerikaanse continent en met de rusteloosheid die de doorsnee Amerikaan blijft ervaren na het verdwijnen van de ‘Western frontier’. De enige president die zich aan dit obligate optimisme van grenzeloze groei onttrokken heeft, is Jimmy Carter geweest, en het heeft hem in de verkiezingsstrijd met de onverwoestbaar montere Ronald Reagan zuur opgebroken. De andere keer dat een kandidaat zo dapper en dwaas was om te suggereren dat de Amerikaanse overvloed misschien wel eens op zou kunnen raken, moest hij het eveneens ontgelden: Gore mocht inpakken, de rode loper werd uitgerold voor het duo Bush-Cheney.

En toch, hoe dubbelzinnig Schama’s relaas van de Amerikaanse geschiedenis ook is, hij gelooft in de toekomst van de Verenigde Staten. Het land als een doodlopende weg afschrijven, zou een misvatting inhouden, aldus Schama’s onverholen overtuiging in de laatste bladzijden. Hij lijkt daarmee het adagium van Locke te onderschrijven: ‘In the beginning all the world was America.’ De mogelijkheid om te beginnen en te herbeginnen – dat is de hoop die de Verenigde Staten aan de wereld schenken. Het is niet de minste verdienste van Schama dat hij die hoop voor de lezer aannemelijk maakt.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?