cover big

De passie van het ambacht

Erwin Jans

Over Berichten uit het sorteercentrum van Michel Bartosik

Essays over poëzie. Met een nawoord van Hans Vandevoorde

Poëziecentrum, Gent, 2018,
ISBN 9789056553678 / 128p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 04-01-2019

Bookmark and Share

Vijf jaar geleden, in 2013, verscheen Schroomruil, de verzamelde gedichten van Michel Bartosik (1948-2008). Nu, tien jaar na zijn vroegtijdige dood, is een aantal van zijn poëziecommentaren gebundeld. Onder de titel Berichten uit het sorteercentrum schreef Bartosik een rubriek over poëzie voor Poëziekrant. De berichten die hij de laatste vijf jaar van zijn leven schreef, zijn nu samengebracht onder diezelfde, op het eerste gezicht nuchtere en zakelijke titel, die echter wonderwel past bij Bartosiks kritische werk. Die klinkt bescheiden, haast anoniem, licht ironisch, maar roept onmiddellijk ook een houding van verantwoordelijkheid, degelijkheid en beroepsernst op. In het nawoord merkt Hans Vandevoorde terecht op dat Bartosik bij de keuze van de titel wellicht meer een ambachtelijk dan een geautomatiseerd sorteercentrum voor ogen stond. Wie de essays leest, ontdekt al snel een gepassioneerd engagement met de poëzie. Bartosik is een geduldig, intelligent en erudiet lezer die eigenzinnig en zelfs oneigentijds durft te zijn. Zijn belezenheid is genereus maar nooit pedant. In zijn analyses blijft hij dicht bij de gedichten en als hij een omweg maakt, is het om uiteindelijk toch opnieuw in de buurt van de woorden op papier terecht te komen. Hij laat zich daarbij leiden door de ‘toon’ van de poëzie die hij leest: zoekend bij Willem Jan Otten, spottend bij Wilfred Smit, beschouwend bij Jacques Hamelink,... Stilistisch zijn de opstellen van Bartosik een intrigerende mix van maniëristische zinnen die nuanceren en relativeren enerzijds en directe, rechttoe rechtaan formuleringen die expliciet de aandacht van de lezer vragen anderzijds. In deze Berichten uit het sorteercentrum hoor je als het ware tegelijk de dichter én de docent literatuur die Bartosik was aan de Vrije Universiteit Brussel en de Université Libre de Bruxelles.

Bartosik doctoreerde op de poëzie van Hamelink en bleef zijn collega-dichter ook nadien op de voet volgen. Het hoeft dus niet te verwonderen dat hij in het essay over Hamelink iets cruciaals zegt, niet alleen over Hamelink, maar ook over wat poëzie voor hem, Michel Bartosik, betekent. Hij leest Hamelinks gedicht ‘The cloud of unknowing’, dat een ochtend vol sneeuw en lectuur beschrijft. De titel ervan verwijst naar een anoniem gebleven mystiek traktaat van omstreeks 1370, waaruit Bartosik zeer uitvoerig citeert. Wat hem fascineert, is dat deze tekst de lezer niet uitnodigt om hem te lezen. Integendeel, het traktaat waarschuwt de potentiële lezer om twee keer na te denken voordat hij aan de lectuur begint: ‘Deze tekst is er een die met passie laat weten liever ongelezen te blijven dan misbegrepen te worden. Wie zich onterecht uitgenodigd waant, kan niet vroeg genoeg van het erf gejaagd worden.’ Waarom besteedt Bartosik zoveel aandacht aan dit obscure mystieke traktaat dat niet gelezen wil worden? Is dit een nauwelijks verholen pleidooi voor de poëzie als een elitaire kunst, een kunst voor een kleine groep ingewijden? Ik meen van niet. Het is veeleer een poging om, tegen de tijdgeest in, voor de poëzie een plek op te eisen ver van ‘de boekfabrieken die onze hedendaagse uitgeverijen zijn, met hun smakeloze reclamecampagnes, hun verplichte signeersessies, hun publieke schijngesprekken en wat dies meer zij’. In die zin is het lezen van poëzie in onze tijd van mediatieke polarisering, verbale agressie en oppervlakkig spektakel inderdaad een act in mystieke afzondering. Toch weigert Bartosik ieder romantisch gedweep met de poëzie als een mogelijke toegang tot een transcendente ervaring, en evenzeer verwerpt hij de pretenties van het moderne literaire experiment – Bartosik vermeldt ‘de dood van de roman’, ‘het andere proza’ en zijn neologisme ‘agalez’ (een knipoog naar ‘agalev’ – anders gaan leven – de voormalige naam van de partij Groen - ej). Naar aanleiding van Hamelinks gedicht schrijft hij met een nuchterheid die iedere romantiek of overtrokken ambitie onmiddellijk relativeert: ‘Morgen is een andere dag en is de sneeuw misschien vermodderd en de wonderlijke wolk alweer voorbijgetrokken en gewoon opgelost’.

Bartosiks omgang met poëzie getuigt van oog voor (vormelijke) details, meerzinnigheid, ironie, contradicties, relativering en complexiteit. In zijn commentaar bij een gedicht van Wilfred Smit gaat Bartosik in discussie met Herman de Coninck, ‘onze zelden betrouwbare poëziegendarm van het laatste kwart van de vorige eeuw’. Het is geen toeval dat Bartosik zo scherp naar De Coninck uithaalt. Bartosik maakte in de jaren zeventig als dichter deel uit van de Impuls-groep die zich programmatisch afzette tegen de nieuw-realisten, onder wie De Coninck, en tegen hun pleidooi voor een toegankelijke poëzie en een herwaardering van de anekdote en het alledaagse. De Impuls-groep daarentegen beriep zich expliciet op de experimenteel-modernistische en hermetisch-maniëristische traditie. Bartosiks eigen poëzie evolueerde nadien uit het maniërisme weg naar een gebaldere, verstilde en transparantere. zegging. In zijn nawoord bij Schroomruil beschrijft Erik Spinoy de latere poëzie van Bartosik als ‘tegelijk liefdevol met de dichterlijke traditie omgaande en licht ironiserende, met moderniteit en spreektalige clichés besmette en daardoor juist des te effectievere lyriek’.

De Conincks en Bartosiks lezingen van het werk van Smit verschillen grondig van elkaar. De Conincks analyse van Smits poëzie vertrekt vanuit diens vermeende pedofilie. We zijn begin jaren tachtig en schrijven dat pedofilie minder van doen heeft met seks dan met ‘een vorm van heimwee’ en ‘(v)an nostalgie naar heel jonge tederheid’ kon nog zonder problemen. De Coninck stelt dat Smit de wereld niet bekijkt vanaf de ooghoogte van een volwassene: ‘Smits psychische ooghoogte moet op en rond de meter gelegen hebben, hij kijkt op in plaats van neer [...]’. De Coninck gebruikt het woord ‘miniaturiseren’ om Smits poëtica te omschrijven: ‘(Smit) verkleint [...] emoties, misschien om ze op die manier in zijn greep te krijgen, maar ook bijna altijd met het surplus van een schattigheids-effect erbij.’ Bartosik daarentegen heeft het over wantrouwen, verdenking en argwaan in Smits poëzie en wijst op diens interesse voor het Russisch formalisme en de linguïstiek van de Praagse school, waarin de nadruk ligt op de formele structuren van taal en literatuur. Bartosik noemt Smit een ‘gemillimeterd doordacht dichter’. Dat staat mijlenver van De Conincks lectuur van Smit als ‘klein maar fijn’. Het is een mooi voorbeeld van hoe Bartosik de gedichten in de eerste plaats als taalconstructies leest. Een geslaagde formulering als ‘geen heerlijker afgrond voor de dichter dan het enjambement’ wijst daar ook op.

Spinoys omschrijving van Bartosiks latere poëzie gaat ook op voor deze berichten. Ze bewegen zich met veel kennis, gemak en liefde door de Vlaamse en internationale poëzietradities. In de poëzie van Joannes Six van Chandelier en Constantijn Huygens, twee dichters uit de Gouden Eeuw, leest Bartosik een verrassend moderne metapoëzie. Intrigerend zijn opstellen die rond een bepaald thema zijn gegroepeerd: oorlogspoëzie, drinkgedichten, het fragment,... In ‘Een paar manieren om in de kerk te staan’ vergelijkt hij Guido Gezelles gedicht ‘Goevrijdag’ met ‘Church going’ van Philip Larkin, twee gedichten over een religieuze ervaring, van een traditionele katholiek en een notoire atheïst. In dit geval lijkt het dat Larkin met zijn besef van de onttovering van geloof en wereld een sterker gedicht geschreven heeft dan de zelfzekere katholiek Gezelle. Toch neemt Bartosik Gezelle in bescherming tegen aanvallen van onder anderen Benno Barnard, Karl van den Broeck en Dirk van Bastelaere, die geen enkele diepgang, vervreemding en ‘problematisering van het Zijn’ vinden in de poëzie van de priester-dichter: De priester zou de dichter hebben geblokkeerd. Niet dat Bartosik zich geen vragen stelt bij Gezelles politieke en religieuze rechtlijnigheid, maar ‘ik kom, mijn verzamelde bezwaren ten spijt, armen tekort om mijn oogst aan poëzie van het zuiverste water te torsen’. Bartosik geeft dan een aantal voorbeelden van Gezelles afgrondelijke ervaring van het bestaan, momenten van authentieke twijfel, waarop de dichter aan de haal gaat met de priester en de hybris (en dus de val) van de moderne poëzie op zich neemt. Het hoeft niet te verbazen dat Bartosik die twijfel detecteert in syntactische en retorische keuzes: enjambementen, rijmwoorden, leestekens, etc. Het is die combinatie waar het Bartosik uiteindelijk in de poëzie om gaat: het verwoorden en vormgeven van een humanisme dat zich over zijn eindigheid en zijn beperktheid geen enkele illusie maakt, maar precies in die zelfreflectie momenten van extase kan bereiken.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?