
De patstelling voorbij
Frank Keizer
Over Menens van Marc Reugebrink
Meulenhoff / Manteau, Antwerpen / Amsterdam, 2010,
ISBN 9789085421948 / 264p.
(8) reactie(s) - geplaatst op 18-10-2010
Het verlangen om voorbij de postmoderne twijfel te komen is een constante in het werk van Marc Reugebrink. In zijn meest recente romans, Het grote uitstel (2007) en nu Menens, wordt dit tot het uiterste gevoerd. Bleef die zoektocht in Het grote uitstel onbeslist, in Menens staan de zaken er anders voor. Zijn we werkelijk gedoemd ‘halverwege niets en niets’, tussen vrijblijvende twijfel en absolute zekerheid, te blijven steken, zoals de eeuwige twijfelaar Daniel Winfried Rega uit Het grote uitstel keer op keer moest vaststellen? Wat ligt er voorbij het halfweg?
De ultieme daad
De titel Menens lijkt het begin van een antwoord. Voorbij het halfweg ligt de ultieme daad, ‘het handelen omwille van het handelen zelf’. ‘En daarom dus, dacht hij, juist daarom moet alles, alles in de wereld voortaan anders, radicaal anders.’ Aldus de hoofdpersoon Leon Hersig, een man met een overtuiging. Wat in zijn vorige leven – waarin hij met pseudorevolutionaire vrienden in Groningen posters plakte tegen de onderdrukking in Nicaragua – nog kinderspel was, wordt hem nu menens.
Dat deze roman Menens heet, betekent niet dat Reugebrinks eerdere werk alleen maar Spielerei zou zijn. Zo schrijft hij in De inwijkeling, zijn essaybundel uit 2002, onmisbaar voor wie de inzet van het werk van Reugebrink wil begrijpen: ‘Mijn zoektocht naar wat je “het einde van de relativering” zou kunnen noemen in een klimaat waar Lyotards “het einde van de meta-verhalen” mij de wet voorschrijft, is hardnekkig.’ Symbool voor Reugebrinks ambivalentie staat – naar het Vlaamse woord voor immigrant – de figuur van de inwijkeling, die zowel het wijken als het naderen, het ja en het nee, in zich verenigt. Reugebrinks onbehagen ten aanzien van deze postmoderne twijfel heeft alles te maken met het alomtegenwoordige relativisme waartoe de twijfel heeft geleid. In plaats van een kritisch wapen is het de handlanger geworden van een anything goes postmodernisme waarin niets er nog toe doet, het minst nog literatuur. Literatuur is dan een van de werkelijkheid afgescheiden domein waarin enkel nog plaats is voor fictie, voor ‘onleefbare waarheden’ (Arnold Heumakers) die geen consequenties mogen hebben voor de werkelijkheid.
Het is precies deze gedachte waar Reugebrink zich tegen verzet, en het is ook de reden dat hij in zijn zoektocht naar een positie die niet onmiddellijk als fictie ontmaskerd kan worden, uitkomt bij een ‘niet ongevaarlijk verlangen nu eindelijk eens thuis te komen in een onomstotelijke waarheid’, zoals hij het in De inwijkeling omschrijft.
Dit verlangen keert terug in Menens, dat in de jaren negentig van de vorige eeuw speelt. Eindigde Het grote uitstel nog met de val van de Berlijnse muur, dan betreden we met Menens definitief de posthistorie, waarin de droom van een andere, linksere wereld definitief achter de horizon verdwenen is. Dat is althans wat het neoliberalisme ons wil laten geloven. Menens staat in het teken van een denken dat zich juist wel een alternatief probeert voor te stellen – en dat blijkt inderdaad gevaarlijke kanten te hebben. De twijfel en het uitstel lijken eindelijk te moeten wijken voor de rücksichtslose daad: ‘Warm menselijke, vriendschappelijke gevoelens zijn een teken van zwakte; ze brengen je hoogstens halfweg, en halfweg werpen ze barricades op die het onmogelijk maken tot het uiterste te gaan. Elk verlangen is gedoemd onvervuld te blijven als het in verband gebracht wordt met het bestaan van anderen.’ Leon Hersig komt in opstand tegen de wereld van het misdadige kapitalisme, waarin hij zijn pasgeboren dochter niet wil laten opgroeien. De revolutie moet met geweld dichterbij gebracht worden – Leon Hersig wil geen halve maatregelen meer nemen en stelt een onvervalste terreurdaad.
Daartoe ontvoert hij met het ‘Commando Auguste Blanqui’ van het ‘Rode Partizanen Leger’ Derk Siebolt Douwes, hoofdredacteur van De Ochtendbode, een regionale krant die over de drie noordelijke provincies van Nederland verspreid wordt. De naam van het Commando is veelzeggend. Auguste Blanqui was een socialistische denker die van mening was dat de revolutie door een kleine maar goed georganiseerde minderheid moest worden uitgevoerd. Het blanquisme zet een antikapitalistisch sentiment om in revolutionaire, gewelddadige actie, precies zoals in de roman gebeurt. Douwes moet dood omdat hij een invloedrijke mediatycoon is, een ‘poortwachter van de werkelijkheid’, de ‘verpersoonlijking van het systeem’, die met zijn krant bepaalt wat voor de realiteit mag doorgaan en wat niet.
Afstand
‘Het systeem’, ‘het kapitalisme’: van dergelijke oudlinkse, marxistische retoriek is het boek doorspekt, maar Reugebrink beseft dat Hersig en zijn commando een achterhoedegevecht voeren. De verteller stelt zich afstandelijk op ten opzichte van de retoriek van de personages. Net als in Het grote uitstel, waarin een mengsel van allerlei halfbegrepen marxistische theorieën ook doorlopend geïroniseerd wordt. De revolutionaire groep waarvan Hersig deel uitmaakt, is gemodelleerd naar de Rote Armee Fraktion en de Brigate Rosse, maar wat ze doen blijkt slechts na-aperij, een spel dat naadloos past binnen het systeem dat nu juist zo verfoeid wordt en dat eigenlijk op geen enkele manier nog subversief te noemen is. Een alternatief is het allang niet meer. De beschrijving van dit commando, die opzichtig clichématig is, herinnert dan ook aan de bekende uitspraak van Marx, dat de geschiedenis zich herhaalt en in tweede instantie als farce terugkeert.
Het is echter nog de vraag of we dit alles enkel ironisch moeten lezen. Reugebrink heeft zichzelf immers altijd consequent verzet tegen de gedachte dat er geen alternatieve werkelijkheid denkbaar zou zijn. Menens wil dan ook meer dan alleen een ironisch portret tekenen van links radicalisme. Reugebrink laat Hersig immers uit het systeem stappen, waarmee de suggestie wordt gewekt dat er alternatieven voorhanden zijn. De werdegang van Hersig is er een van twijfel – aanvankelijk is hij behept met dezelfde besluiteloosheid die ook de meeloper Rega gevangen houdt – tot hij beseft dat wie iets wil veranderen, elke nuance los moet laten, ‘de argumenten voorbij’ moet zijn. ‘De wereld werd onmiddellijk veelkantig en onbetreedbaar zodra er geschiedenis in het spel was, zodra de herinnering aan daden uit het verleden zich opdrong. Alleen zij die geschiedenis kunnen vergeten, zijn in staat haar te maken.’ De indirecte rede maakt deze zin dubbelzinnig: we zijn geneigd hem toe te schrijven aan Hersig en meer in het algemeen aan de marxist, maar er klinkt evengoed een neoliberale logica in door. In dat discours geldt die veelkantige geschiedenis immers evenzeer als ballast. Hersig stelt dat wie ‘buiten de allesbepalende definities van de samenleving wil staan, [zichzelf] moet definiëren’. Zodra Hersig echter een nieuwe identiteit aanneemt, blijft die verdacht leeg. Elk spoor dat naar zijn geschiedenis verwijst heeft hij uitgewist. Niet voor niets wil Hersig eigenlijk het liefst verdwijnen, vervluchtigen. Wordt het handelen omwille van het handelen, los van geschiedenis, zo geen verblijf in het ijle, schrikwekkende niets in plaats van de toegang tot het gedroomde buiten?
Kortom, met de stap uit de normale orde en de keuze voor de weg van het geweld is de figuur van de inwijkeling niet verdwenen. Integendeel, hij blijft spoken, als ideaal én negatief, net als het buiten, dat zowel fictie als werkelijkheid blijkt. Natuurlijk in de persoon van Hersig, die strijdbaar klinkt maar het nooit werkelijk is, maar ook in de gedaante van de partizaan, waardoor de hoofdpersoon gefascineerd is. In de scriptie die hij als academicus schreef – Hersig is opgeleid als jurist – analyseert hij de partizaan als de ware revolutionair, die vanuit de marge opereert en door zijn ongrijpbaarheid (‘irregulariteit’, ‘mobiliteit’ heet het in de roman) aan de greep van het centrum weet te ontsnappen. Het is een adequate omschrijving van het soort schrijverschap dat Reugebrink zelf ambieert, maar waarvan het de vraag is, welke kritische waarde het nog vertegenwoordigt.
Zeker, Reugebrinks houding tegenover het onvermogen van de postmoderne mens om het buiten te denken – het onvermogen dat door de arrogante Douwes wordt gesymboliseerd– is er nog altijd één van niet aflatende kritiek. Tegen alle cynisme in wil Reugebrink de pure mogelijkheid van het buiten steeds openhouden, ook in Menens. Vehikel voor dit buiten is ook de stijl, die met zijn vele terzijdes, herhalingen en gestamel een en al interruptie is van een als onvermijdelijk voorgestelde werkelijkheid. Anders dan Het grote uitstel is in Menens echter ook een sombere onontkoombaarheid geslopen. Het buiten wordt steeds meer als onbereikbaar voorgesteld. De ‘grijpbare verte’ waarin Rega nog een kort moment van verlossing (of ‘inlossing’ zoals het de roman heet) beleeft, is in Menens verder weg dan ooit. En zo blijkt dit boek, ondanks de strijdbare titel, een even ambivalente roman als Het grote uitstel, in een nog wanhopiger uitvoering. In zijn tot mislukken gedoemde radicalisme is Hersig de exponent van een verloren generatie die zo ver heen is dat ze, hoe graag ze ook zou willen, niets meer kan doen.
Het probleem waarmee Reugebrink al sinds zijn debuut worstelt – hoe raak ik voorbij de relativering – verschijnt hier opnieuw, in volle scherpte en onoplosbaarheid. Menens is daarmee ‘opener dan de wond,’ zoals hij zelf eens, onder verwijzing naar een woord van Hans Tentije, de taak van de literatuur zo fraai omschreven heeft. Toch vraag ik me af of Reugebrink, ondanks de dwarsheid waarvan zijn werk getuigt en ondanks zijn weigering zich neer te leggen bij het adagium dat de huidige tijd postideologisch is, met zo’n aan defaitisme grenzend wereldbeeld niet ongewild bevestigt wat hij te vuur en te zwaard bestrijdt: dat de literatuur geen praktische consequenties mag of kan hebben voor de werkelijkheid. Is Reugebrink daarmee niet zelf het politieke voorbij? De postpolitiek is met Menens in elk geval nog nooit zo dichtbij geweest, omdat Reugebrink niet buiten de patstelling die hij wil doorbreken zelf denkt. Het buiten verschijnt in Menens nu eens als dichtbij, dan weer als veraf, maar altijd als onderdeel van het postpolitieke spectrum. Misschien is de uitweg uit de impasse er uiteindelijk één die aan de patstelling zelf voorbij gaat.
8 reacties
Aanmelden
Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?


18-10-2010, om 2:00:06