cover big

De roman als tuinsproeier

Frank Albers

Over De verrader van Paul Beatty (vert. Gerda Baardman & Bart Gravendaal)

Prometheus, Amsterdam, 2017,
ISBN 9789044633085 / 320p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 16-06-2017

Bookmark and Share

Het heeft niet veel gescheeld of The Sellout, de vierde roman van de Afrikaans-Amerikaanse auteur Paul Beatty (1962), was in Groot-Brittannië nooit verschenen. Het boek was al door achttien uitgeverijen afgewezen toen OneWorld, een kleine onafhankelijke uitgeverij, het toch aandurfde om deze woeste satire over racisme in de Verenigde Staten uit te brengen. En kijk: Beatty won prompt de Man Booker Prize 2016 – amper twee jaar nadat de organisatoren van Engelands meest prestigieuze literaire bekroning de prijs toegankelijk hadden gemaakt voor alle Engelstalige schrijvers, tot groot ongenoegen van, bijvoorbeeld, Julian Barnes, die vond dat Amerikanen maar hun eigen prijzen moeten winnen.

De recensies die ik her en der in de pers heb gelezen waren overwegend lovend. ‘Een van de belangrijkste en moeilijkste Amerikaanse romans van de 21ste eeuw,’ vond de Los Angeles Times. ‘Swiftiaanse satire van het hoogste niveau,’ oordeelde de Wall Street Journal. De San Francisco Chronicle noemde Beatty een hedendaagse Mark Twain. En de meestal nogal bezadigde National Public Radio had het over ‘de eerste grote satirische roman van de eeuw’ en ‘een komisch meesterwerk’. Ook The Guardian vond het boek ‘meesterlijk’ en promoveerde Beatty tot ‘Amerika’s grappigste schrijver.’ Alleen in de Britse krant The Telegraph las ik enig voorbehoud en ook de ‘Standaard der Letteren’, het boekenkatern van De Standaard, was niet onder de indruk. De stijl van Beattys boek werd er omschreven als ‘waanzinnig rusteloos’. Dat kun je wel zeggen.

Het uitgangspunt van De verrader is veelbelovend. In het Hooggerechtshof in Washington D.C. zit een zwarte man, ‘stoned van herinneringen en marihuana’, te wachten tot zijn zaak wordt behandeld. De aantijgingen zijn niet gering. Me, zo heet de man, heeft de Amerikaanse grondwet tweemaal overtreden. Hij bezit namelijk een slaaf – wat het Dertiende Amendement verbiedt – én hij wil de rassensegregatie opnieuw invoeren – wat indruist tegen het Veertiende Amendement. Roept de zwarte raadsheer tegen de zwarte verdachte: ‘Nigger, ben je gek geworden?’ Maar Me denkt: ‘Sinds wanneer heeft een beetje slavernij en segregatie iemand kwaad gedaan, en zo ja, de ballen.’

Aan het eind van deze veelbelovende ouverture krijgt de lezer het verdict van het Hof niet te lezen. Ah! dacht ik, een raamvertelling, een vorm die hoge verwachtingen schept en, als het vakkundig is gedaan, de lezer doet doorlezen. Jammer genoeg lost De verrader die verwachting niet in. Driehonderd pagina’s later, aan het slot, weet je nog steeds niet wat het Hof nu heeft beslist. Wat weten we dan wel?

Me, de ik-verteller, woont op een boerderij in Dickens, een getto aan de zuidkant van Los Angeles. Hij is enig kind en heeft een enorm vadercomplex. Zijn moeder is in geen velden of wegen te bekennen. Alles draait om pa, een gerespecteerd psycholoog die wetenschappelijke experimenten uitprobeert op zijn zoontje en in het dorp bekendstaat als de Niggerfluisteraar:

Als ergens een nigger ‘helemaal de weg kwijt was’ en uit een boom of van een hoog viaduct moest worden gepraat, dan werd hij er altijd bij geroepen. [...] De stem van mijn vader kon razernij omzetten in ontspanning en mensen in staat stellen hun angsten onbevangen onder ogen te zien.

De vader van Me is ook voorzitter van ‘de Intellectuelen van de Dum Dum Donut, de plaatselijke denktank’ – de naam is meteen een goed voorbeeld van de manier waarop Beatty’s tekst vaak komisch wil zijn, namelijk door zogenaamd ‘hoge’ culturele begrippen of referenties (denktank, intellectuelen) te vermengen met zogenaamd ‘lage’ elementen uit de populaire cultuur (Donut).

Twee rampen treffen Me: zijn vader wordt door de politie doodgeschoten en vijf jaar later houdt Dickens, het dorp in de stad waar hij is opgegroeid, op te bestaan. Dat is heel erg, ook voor die andere inwoner van Dickens, Hominy Jenkins, een knettergekke en stokoude acteur die in lang vervlogen tijden bijrolletjes speelde in The Little Rascals (De Boefjes), een reeks komische korte films die in de jaren twintig van de vorige eeuw erg populair was in Amerika. (Terzijde: in de gelijknamige, op deze filmpjes gebaseerde langspeelfilm uit 1994 speelt Donald Trump een bijrol.). Zolang Dickens nog bestond, kwamen fans van The Little Rascals de oude acteur Jenkins er weleens opzoeken. Maar toen ‘Dickens verdween, verdween ik mee. Ik krijg geen fanmail meer. Ik heb al tien jaar geen bezoek meer gehad, want niemand weet me nog te vinden.’

Het is deze gekke oud-acteur die Me vraagt om hem in dienst te nemen als slaaf. ‘Soms moet je gewoon accepteren wie je bent en je daarnaar gedragen. Ik ben een slaaf. Dat ben ik nu eenmaal. Voor die rol ben ik geboren.’ Node neemt Me Hominy in dienst: ‘Mijn gezag over deze klinisch gedeprimeerde lijfeigene is me opgedrongen.’

Me en Hominy vatten het plan op om Dickens weer op de kaart te zetten. Dat doen ze vrij letterlijk. Ze schilderen witte strepen op de grond die de contouren van hun opgeheven stadje weer zichtbaar maken en bij de afslag op de snelweg plaatsen ze het bord terug: VOLGENDE AFSLAG – DICKENS.

Problematischer is het besluit van Me om scholen en openbare voorzieningen van Dickens opnieuw te segregeren. ‘Apartheid heeft Zuid-Afrika verenigd, dus waarom zou het in Dickens niet werken?’ luidt Me’s ietwat bizarre argument.

Het zijn deze twee misdaden – de herinvoering van slavernij en van segregatie – die de hoofdpersoon tot een ‘sellout’, een verrader maken en hem uiteindelijk voor het Hooggerechtshof brengen.

Zoals ik het hier samenvat, lijkt De verrader een tamelijk eenvoudig, rechttoe rechtaan verhaal, maar dat is allerminst het geval. Na de sterke proloog begint de roman alle kanten uit te waaieren. De lezer krijgt een hoop verhalen, herinneringen, flashbacks voorgeschoteld die allemaal direct of indirect wel iets te maken hebben met het wedervaren van ik-verteller en hoofdpersonage Me, maar het lijkt allemaal zo richtingloos, zo kabbelend en keuvelend, dat je je afvraagt: waarom dit en niet iets anders? Waar gaat dit heen? U hoort mij niet pleiten voor een eenstemmige verteltrant of zogenaamd psychologisch realistische personages, integendeel, maar dit boek is wel erg flodderig geweven, veel te weinig doorgecomponeerd om althans mijn aandacht gaande te houden. De verrader verzandt in uitweidingen en associaties die soms wel virtuoos zijn opgeschreven, maar die me allengs steeds minder konden boeien.

Ook de stijl én de humor, uitgerekend de meest geroemde eigenschappen van dit boek, kwamen na een tijdje zo geforceerd over dat ik er alleen nog moe van werd. De verbale krachtpatserij, de boutadezucht, het o zo graag o zo grappig willen zijn – het is allemaal o zo nadrukkelijk, zo gekunsteld, en soms gewoon onbegrijpelijk: ‘Hij was zo donker als een onbetaalde elektriciteitsrekening.’ Huh?

De Nederlandse vertalers Gerda Baardman en Bart Gravendaal hebben ongetwijfeld hun stinkende best gedaan om dit Californische hyperproza recht te doen, maar dit Nederlands danst niet, brandt niet, bijt niet. Het blijft heel dicht bij de brontaal, die dan weer heel dicht bij een heel specifieke, idiomatische spreektaal aanleunt – en dat is voor een vertaler altijd hachelijk. Zegt slaaf Hominy: ‘Well, you musta stuck yo’ hand up Godzilla’s asshole, cuz you gotta green thumb like a motherfucker.’ Vertaling: ‘Uw hand moet in Godzilla’s reet hebben gezeten, want u hebt motherfucking groene vingers.’ Keurig vertaald, maar wie zegt zoiets? Vertalen is hier vaak slechts damage control: ‘Get some pussy’ (‘zoek wat te neuken’), ‘a shitload of white spray paint’ (‘een lading witte spuitverf’), ‘the breaks were dominated by straight-edge Jesus freaks’ (‘de branding werd gedomineerd door straight-edge-jezusfreaks’), ‘a fucking race pervert’ (‘een fucking rasgeilneef’?), en soms zitten de vertalers er gewoon naast: ‘class oppression garbage’ is natuurlijk nooit ‘klassenonderdrukkingsgeluk’, wat sowieso al een onwoord is.

Laat ik, om te verduidelijken waarom deze roman misschien wel onvertaalbaar is, een alinea uit het origineel vergelijken met de vertaling ervan. Dit komt uit een dialoog tussen Me en ene King Cuz, tijdens een bijeenkomst van de leden van de Intellectuelen van de Dum Dum Donut, lang na de dood van Me’s vader:

All right, Cuz. Why do you go to these meetings? Shouldn’t you be out slanging and banging?
(Oké, Cuz. Waarom kom je naar die bijeenkomsten? Moet je niet achter de handel en de wijven aan?)It used to be I’d go to listen to your father. Rest in peace, that nigger ran deep, for real.
(Vroeger kwam ik altijd naar je vader luisteren. Hij ruste in vrede, die nigger ging echt serieus diep.)But now I just go in case these Dum Dum niggers get the notion to actually set foot in the hood, blowing the spot up and all. That way I can at least give the homies some Paul Revere-like advance notice. One if by Land Cruiser. Two if by C-class Mercedes. The bougies are coming! The bougies are coming!
(Maar nu ga ik alleen nog voor het geval dat die Dum Dum-niggers gaan denken dat ze hier voet aan de grond kunnen krijgen, hun bek niet kunnen houden en zo. Op die manier kan ik de homies op zijn minst van tevoren op de hoogte stellen, zoals Paul Revere in de Amerikaanse Revolutie. Eén als ze per Land Cruiser komen, twee als ze per Mercedes C-klasse komen. De burgermannetjes komen! De burgermannetjes komen!)

Alles wringt en kraakt hier. ‘Slanging and banging’ is muziek, ‘achter de handel en de wijven aan’ is niets. ‘That nigger ran deep’ is idiomatisch, ‘die nigger ging echt serieus diep’ klinkt zo fout als wat. (Waarom trouwens ‘nigger’ niet vertalen door ‘neger’?) ‘Blowing the spot up and all’ heeft niets te maken met ‘hun bek niet kunnen houden’ maar betekent waarschijnlijk gewoon de plek opblazen. En de culturele verwijzing naar de Midnight Ride van Paul Revere gaat, vrees ik, helemaal verloren, ondanks de toevoeging van de vertalers ‘in de Amerikaanse revolutie’.

Paul Revere (1735-1818) was een zilversmid uit Boston die de burgermilitie in Lexington zou waarschuwen zodra de in Boston gelegerde Britse troepen in beweging kwamen. Revere zou de rebellen aan de overkant van de rivier laten weten welke route de Britten namen door in een kerktorentje in Boston één dan wel twee lantaarns te ontsteken: ‘One if by land, and two if by sea.’ In Beatty’s parodie: ‘One if by Land Cruiser. Two if by C-class Mercedes.’ In de nacht van 18 april 1775 was het zover, en galoppeerde Revere naar Lexington waar hij de zogeheten Minute Men waarschuwde: ‘The British are coming!’ In Beatty’s parodie: ‘The bougies are coming!’

En zo zit de roman vol min of meer geslaagde grapjes, knipoogjes en parodietjes die ook in de beste vertaling niet zouden overleven omdat ze te cultuurspecifiek, te contextafhankelijk zijn.

Beatty heeft een ambitieuze roman willen schrijven over racisme in de Verenigde Staten vroeger en nu. Maar het boek heeft geen sterke structuur en drijft te veel op verbaal geschmier en flauwe humor. De verrader roept de vraag op of je dit soort boeken wel moet, wel kunt vertalen. Misschien is het raadzamer een roman als The Sellout radicaal te laten herschrijven door een echte auteur, iemand die de geest en wellicht ook de anekdotiek van de roman respecteert, maar het boek stilistisch heruitvindt.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?