
De tragedie van de planetaire kleinburgerij
Gijsbert Pols
Over De naaimachine van Heleen van Royen
FMB Uitgevers, Amsterdam, 2010,
ISBN 9789049951511 / 288p.
(18) reactie(s) - geplaatst op 23-07-2010
Een recensie over Heleen van Royens De naaimachine is een heikele zaak, althans voor iemand die in literatuur zoekt naar reflectie, naar ideeën of naar esthetische ervaringen. In De naaimachine is daarvan namelijk geen spoor en dat maakt het verleidelijk om, na een paar knorrige opmerkingen over Van Royens stijl, te concluderen dat we hier met literatuur te maken hebben die alleen nog maar consumptiemateriaal is. Onterecht is die conclusie niet: deze bundeling van eerder gepubliceerde columns verscheen zo goed als gelijktijdig met de verfilming van Van Royens De gelukkige huisvrouw en is dus in de eerste plaats een poging om haar succes verder te verzilveren.
Maar behalve dat ze voorspelbaar is, gaat een dergelijke redenering voorbij aan het belang van De naaimachine. Het boek is namelijk niet alleen een product dat volgens de wetten van de markt op een zo effectief mogelijke manier een zo groot mogelijk afzetgebied dient te bereiken, het representeert die wetten ook. En wel omdat het boek zijn structuur vrijwel exclusief ontleent aan een bij uitstek kapitalistische vorm van communicatie, namelijk de reclamespot.
Het product Van Royen
Dat blijkt allereerst uit de vormgeving. Op zowel de rug van het boek als de titelpagina prijkt het logo van de schrijfster (haar naam boven een ganzenveertje), die op de achterflap nadrukkelijk suggestief poseert, geheel volgens de conventies van de modefotografie. De flaptekst presenteert Van Royen als ‘succesvol schrijfster’ én ‘moeder van twee’. Voorts wordt de lezer aangespoord mee te lezen ‘met zestien jaar chaos, regels en liefde in het gezin Van Royen’ en verleid met de mededeling dat ‘Heleen’ speciaal voor deze bundel enkele nieuwe verhalen over haar gezin schreef. Kortom, hier zijn alle principes van de reclame aan het werk: het product (Van Royen) wordt geïdealiseerd als aantrekkelijke, succesvolle alleskunner, waarmee het verlangen naar identificatie van de consument (de lezer) moet worden gewekt. Tegelijkertijd wordt diens voyeuristische verlangen gekieteld: de lezer wordt beloofd alles te mogen zien en dat – ‘speciaal voor deze bundel’ – nog exclusief ook.
Dezelfde principes beheersen de compositie van de bundel. Het boek bestaat uit korte stukjes, onderverdeeld in drie blokken van ongeveer gelijke lengte. De stukjes zijn, met uitzondering van de laatste teksten – waarvan men mag vermoeden dat het om de ‘nieuwe verhalen’ gaat – allemaal van dezelfde lengte: gemiddeld zal de leestijd rond de veertig seconden liggen. Natuurlijk gaat het om een verzameling columns, maar deze structuur doet erg denken aan de reclameblokken op de televisie. Dat elk afzonderlijk blok een motto uit ander werk van Van Royen heeft meegekregen, is eveneens een uit de reclame overgenomen structuurprincipe: zoals daar elk beeld, elk woord en elk kleurtje naar het product moet verwijzen, verwijst hier alles naar Van Royen.
Zoals gezegd staat die vormgeving niet alleen in dienst van de hoedanigheid van het boek als cash cow. Het correspondeert ook met de manier waarop Van Royen zichzelf in haar colums presenteert. Een goed voorbeeld is het stukje ‘Met de Franse slag’. Het begint met een vraag: ‘Ben ik een goede moeder?’ Wat volgt is een opsomming waaruit blijkt dat Van Royen niet voldoet – en nadrukkelijk ook niet wíl voldoen – aan het type van de zichzelf wegcijferende, toegewijde en zachtmoedige moeder des huizes. Ja, ze is ‘hartstikke blij’ met haar kinderen, maar ze geeft toe dat ze het ‘op gezette tijden’ ‘zalig’ vindt ‘om van de koters verlost te zijn’. Ze knutselt nauwelijks met ze, ze leest maar ‘mondjesmaat’ voor, de kinderen gaan niet elke dag in bad en krijgen, als de melk op is, ook wel eens een beker cola mee naar school. Maar: ‘Eerlijk gezegd, bevalt het prima. Ik sta elke dag versteld van het resultaat.’ De kids zitten ‘lekker in hun vel’, doen het op school prima, zijn sociaal en ‘hebben geen bijzondere problemen’.
Van Royens moederschap wordt door een wasmiddelentest gehaald en ziedaar: moederen ‘met de Franse slag’ komt als beste uit de test. ‘Ik sta elke dag versteld van het resultaat’ – je ziet het haar zo in de camera zeggen. Het inferieure merk X, het object van vergelijking, is het soort moeder dat alleen maar moeder is. Een provocatie van dit type had in een andere vorm een kritische betekenis kunnen hebben – ook al ligt de actualiteit ervan in de jaren vijftig – maar door de hier gehanteerde format van de wasmiddelentest blijft de betekenis beperkt tot product placement. En omdat alles naar het product moet verwijzen, vinden we dezelfde boodschap nog eens verbeeld in de foto die op de voorkant van het boek prijkt: de setting (naaimachine, parelketting, kapsel, schoenen, bh, jarretels) is jaren vijftig, maar sexy – Heleen doet het anders, Heleen doet het beter.
Geen buiten
Als ik hier spreek over ‘Heleen van Royen’, bedoel ik niet de persoon die onder die burgerlijke naam leeft en publiceert, maar het subject ‘Heleen van Royen’ zoals dat vorm krijgt in De naaimachine. Dit niet uit consideratie: de inwisselbaarheid van het subject ‘Van Royen’ is te overweldigend om het boek autobiografisch relevant te maken. Juist dat inwisselbare maakt dat dit subject op te vatten is als een manifestatie van wat de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben als ‘de planetaire kleinburger’ heeft beschreven*. Deze kleinburger is geen subject van een maatschappelijke of sociale klasse meer, maar een toestand waarin de mens is geraakt nadat hij zich van elke vorm van religieuze, culturele, sociale of nationale traditie heeft losgemaakt. Het enige waaraan de kleinburger een identiteit kan ontlenen, is aan zijn marktwaarde. Planetair is hij daarom, omdat hij zijn levenshouding, of beter gezegd zijn levensvorm als de enige mogelijke voor het menselijk leven op aarde ervaart – geheel in lijn met de logica van het hedendaagse globale kapitalisme, dat elk alternatief het bestaansrecht ontzegt.
Dit laatste impliceert dat voor de planetaire kleinburger andere levensvormen niet of hooguit als sjabloon bestaan. In De naaimachine wordt dit akelig duidelijk. Homoseksualiteit bijvoorbeeld speelt alleen een rol in de scheldwoorden waarmee haar kinderen elkaar te lijf gaan. Dat Van Royen hierop met stilzwijgen reageert is veelzeggend: ze heeft geen moraal tot haar beschikking op basis waarvan ze dit gedrag zou kunnen veroordelen. Een ander voorbeeld: de ‘buitenlanden’ die in dit boek beschreven worden, Ghana en Portugal, zijn oneigenlijk. Niet in staat deze landen daadwerkelijk als andere landen te ervaren, blijven alleen de schraalste karikaturen over: in het geval van Ghana lezen we dus alleen over corruptie en toeristisch ongemak, in Portugal over bureaucratie, belabberde gezondheidszorg en – we zijn tenslotte in het zuiden – opnieuw corruptie.
Ronduit grimmig wordt het in de column ‘Statistieken’. Hier bekritiseert Van Royen de beslissing van de regering van november 2003 om zwangere vrouwen van onder de 36 geen recht te geven op prenataal onderzoek. Overigens ging het daarbij veelzeggend genoeg niet om een principieel recht, maar om het recht op vergoeding van een dergelijk onderzoek (zie deze uitgave van het Staatsblad, onder paragraaf 1.3). Van Royen probeert haar punt te maken aan de hand van het voorbeeld van haar schoonmoeder, die op haar vierendertigste een kind met het syndroom van Down baarde. Op haar tweeënveertigste kreeg ze een zoon, ‘eentje die al zijn chromosomen goed op een rijtje heeft’. Van Royen somt de ongemakken van een geestelijk gehandicapt kind op: zorgen, onzekerheid, onvervulde hoop en dure injecties. Ze besluit: ook jonge vrouwen zouden ‘de kans moeten krijgen dit lot te ontlopen’. Dat een kind met een handicap meer kan betekenen dan alleen maar ongemak laat Van Royen ongenoemd.
Geen binnen
Is het als geruststelling afdoende dat Van Royen haar gehandicapte schoonzus een paar columns verder ‘een schat’ noemt? Ze noemt haar zo, omdat ze haar in een discussie met haar schoonmoeder te hulp schiet door over iets anders te gaan praten. De manier waarop Van Royen blijk geeft van liefde voor haar kinderen volgt een vergelijkbaar patroon: ze houdt vooral van haar kinderen als ze doen wat haar uitkomt. En als ze slapen. En als ze er niet zijn. Liefde ervaart Van Royen zoals een consument liefde voor een product ervaart dat in een reclamespot totale vervulling belooft, maar dat in de realiteit die belofte nooit helemaal waarmaakt – nooit helemaal mag waarmaken, omdat de consument moet blijven consumeren om zo de groei te garanderen die het economische systeem in stand houdt.
In het als reclamespot geconstrueerde leven van deze planetaire kleinburger loopt liefde dus telkens op een zichzelf in stand houdende desillusie uit. En dat is niet het enige: steeds weer blijkt dat Van Royen in niets geluk, voldoening of zelfs maar tevredenheid kan ervaren. Niet in haar lichaam: dat wordt of beschreven als wapen in de erotische concurrentiestrijd of als bron van angst voor fysiek verval. Niet in haar succes als auteur: dat wordt alleen onder bewijs gesteld door steeds weer interviews, fotoshoots en volle agenda’s te vermelden en bij voortduring haar materiële welvaart te etaleren. Niet in het ‘droomhuis’ in Portugal: de weg naar het huis is niet van asfalt, maar van zand en in die hele Algarve valt niets te beleven. Gevangen in een vicieuze cirkel van zelfmarketing en consumentisme zijn de enige affecties die Van Royen nog kent verveling, comfort, bevestiging en af en toe een ongereflecteerd gevoel van schaamte: Van Royen krijgt haar kinderen maar niet uitgelegd waarom een zwembad in de tuin niet normaal is.
Agamben wijst erop dat naarmate de kleinburgerlijke levensvorm planetair dominanter wordt, ook de taal oneigenlijk wordt. In de instrumentele en uniforme norm die de kleinburger aan alles, en dus ook aan de taal oplegt, is geen plaats meer voor differentie, voor ambiguïteit en uiteindelijk ook niet voor betekenis: reclametaal is overal, altijd hetzelfde en daarmee even inwisselbaar. Iedere keer dat Van Royen haar liefde voor haar kinderen aan de man brengt, klinkt het willekeuriger. Iedere keer dat Van Royen haar uniciteit adverteert, raakt ze verder van zichzelf vandaan. Het hoogtepunt is bereikt in de zin: ‘Altijd nuttig om iets van je eigen schoonheid vast te leggen zolang deze nog toonbaar is.’
Het einde
Voor Agamben is de planetaire kleinburger een ambivalente figuur. Er is volgens hem reden genoeg om te veronderstellen dat de mensheid in deze vorm haar ondergang tegemoet gaat – in die zin correspondeert de planetaire kleinburger met Nietzsches laatste mens. Maar omdat de planetaire kleinburger steeds tevergeefs zijn eigen wezen probeert vast te leggen, ziet Agamben hem ook als een mogelijkheid te ontsnappen aan de sinds de Verlichting vigerende voorstelling dat individualiteit iets is dat in de vorm van een identiteit bezeten kan worden. Dankzij deze ontsnapping zou de mensheid op weg kunnen zijn naar een gemeenschap van singulariteiten, waarin de mens zich niet permanent hoeft te verzekeren van het bezit van wat hij is, maar steeds aan het worden is wat hij nog niet is geweest.
De lezer van De naaimachine zal moeite hebben om die laatste mogelijkheid te onderkennen. De verklaring daarvoor is waarschijnlijk dat Van Royen zich nergens bewust lijkt van de hopeloze toestand waarin ze zich bevindt. Dat maakt het boek wel tot een tragedie. En zoals het een tragedie betaamt, vindt die haar hoogtepunt in een catharsis. In de laatste column beschrijft Van Royen hoe ze afscheid neemt van haar overleden schoonmoeder. Volgens Agamben is het enige moment waarop de planetaire kleinburger zich aan zijn permanente desillusie kan ontrekken het moment waarop zijn eigen willekeurigheid geconfronteerd wordt met de willekeur van de dood. Door de kleinburger definitief te beroven van het leven dat hij maar steeds niet heeft kunnen bezitten, doorbreekt de dood de vicieuze cirkel van idealisering en ontluistering. Dat Van Royen een rozenkrans om de pols van haar schoonmoeder drapeert, is het zoveelste betekenisloze symbool. Maar dat ze het lijk van haar schoonmoeder opmaakt, make-up boven haar ogen, op haar wangen en op haar lippen smeert, dat is het moment waarop Van Royen zich niet meer verveelt, geen comfort opeist, niet naar erkenning hunkert en zich niet meer schaamt. Hier wordt de leegte volledig – en betekenisvol.
* Agambens essay over de planetaire kleinburger is te vinden in La comunità che viene (1990). In Duitsland, waar het begrip regelmatig in het publieke debat opduikt, verscheen bij Merve Verlag een vertaling van dit werk onder de titel Die kommende Gemeinschaft (2003). Michael Hardt publiceerde in 1993 een Engelse vertaling onder de titel The coming community bij de University of Minnesota Press.
18 reacties
Aanmelden
Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?


28-07-2010, om 4:25:16