cover big

De tranen van een patriot

Frans Denissen

Over Laatste brieven van Jacopo Ortis van Ugo Foscolo (vert. Jan van Geldrop)

Flanor, Nijmegen, 2018,
ISBN 9789492432025 / 172p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 22-11-2018

Bookmark and Share

Wie de literatuur van de Italiaanse negentiende eeuw – van preromantiek tot verisme en symbolisme – via Nederlandse vertalingen wil leren kennen, komt de laatste jaren redelijk aan zijn trekken. Je kunt zelfs zeggen dat, op weinige uitzonderingen na, de echte mijlpalen ervan sinds 2000 voor het eerst of in nieuwe, meestal uitstekende versies voor de Nederlandse lezer bereikbaar zijn geworden.

De negentiende eeuw is in de Italiaanse geschiedenis de eeuw van het Risorgimento, de strijd voor de eenmaking en de bevrijding van het schiereiland na eeuwen van versnippering en buitenlandse overheersing. Die beweging heeft, minstens tot in 1870, toen de natie grotendeels gevormd was, zijn stempel gedrukt op het hele Italiaanse culturele leven, ook op de literatuur. Pas in het laatste kwart van de eeuw verwerven de letteren weer een zekere autonomie ten opzichte van de politieke actualiteit. Want ook al is de bekendste klassieker uit de Italiaanse romantiek, De verloofden van Alessandro Manzoni (1785-1873), op het eerste gezicht een historische roman die zich afspeelt in de zeventiende eeuw, in feite was het de bedoeling van de schrijver om via het beeld van de toenmalige Spaanse tirannie in Lombardije de vinger te leggen op de buitenlandse heerschappij waaronder zijn land nog steeds zuchtte. Ook twee andere klassiekers uit dezelfde periode zijn rechtstreeks verbonden met het Risorgimento: Mijn gevangenissen van de patriot Silvio Pellico (1789-1854), waarin hij zijn tienjarige gevangenschap onder de Oostenrijkers beschrijft, en Belijdenissen van een Italiaan van Ippolito Nievo (1831-1861), die deelnam aan Giuseppe Garibaldi’s fameuze ‘Expeditie van de Duizend’ (1860) waarmee het proces van de eenmaking definitief op gang kwam, maar kort daarna in een schipbreuk omkwam.

In dat lijstje ontbrak tot voor kort nog de roman Laatste brieven van Jacopo Ortis (1816) van Ugo Foscolo (1778-1827), die voor het eerst en het laatst vertaald was in 1832. Het boek wordt door literatuurhistorici omschreven als de eerste Italiaanse briefroman en als de vroegste uiting van de overgang van neoclassicisme naar preromantiek.

Ugo Foscolo werd op het Griekse eiland Zakynthos geboren uit een Venetiaanse vader en een Griekse moeder. Deze dubbele achtergrond – Grieks en Italiaans – zal een blijvende stempel drukken op zijn werk. In 1789, na de dood van zijn vader, verhuist hij naar Venetië, waar hij zich zoals veel van zijn generatiegenoten enthousiast bij de ideeën van de Franse Revolutie aansluit en de inval van het Napoleontische leger in mei 1797 toejuicht: hij debuteert in de letteren met een ode Aan Napoleon de bevrijder. De ontgoocheling zal groot zijn: een paar maanden later, in oktober 1797, staat Napoleon met het Verdrag van Campoformio het grootste deel van het Venetiaanse grondgebied af aan Oostenrijk in ruil voor onder meer de Oostenrijkse Nederlanden, het huidige België en Luxemburg (‘De Franse Republiek zal deze gebieden voor eeuwig bezitten, in volledige soevereiniteit en eigendom, met alle territoriale voordelen die daaruit voortvloeien’). Foscolo trekt zich gedegouteerd terug in de schaars bewoonde Eugeneïsche heuvels ten zuiden van Padua.

De eerste brief van Foscolo’s alter ego Jacopo Ortis vanuit die retirade, gedateerd 11 oktober 1797, aan zijn vriend Lorenzo Alderani, die als klankbord optreedt, luidt dan ook: ‘Het is gebeurd: ons vaderland is opgeofferd. Alles is verloren en, ook al zal het leven ons gegund worden, het zal nergens anders toe dienen dan om onze rampspoed en schande te bewenen.’ En twee dagen later: ‘Maar waar zal ik asiel zoeken? In Italië? Land van schande, eeuwige buit van de overwinning. Zal ik de aanblik kunnen verdragen van degenen die ons geplunderd, bespot en verkocht hebben, zonder te huilen van woede?’

Het stramien van Laatste brieven is tamelijk eenvoudig. Tijdens zijn vrijwillige ballingschap stort Jacopo Ortis, universiteitsstudent in Padua, regelmatig zijn hart uit in brieven aan zijn vriend Lorenzo Alderani, die ze na de dood van zijn correspondent van commentaren voorziet en er aldus een boek van maakt. Voor zijn eenzaamheid zoekt Jacopo troost in de natuur en in zijn lectuur van de klassieken. Hij sluit vriendschap met ene heer T***, die zich eveneens op het platteland heeft teruggetrokken, en wordt smoorverliefd op diens dochter Teresa, ‘het goddelijke meisje’. Die blijkt echter door haar vader al beloofd te zijn aan de wat saaie, nuchtere, maar vooral welgestelde Odoardo. Tijdens een wandeling bekent zij hem dat ze niet van Odoardo houdt, maar zich niet tegen het besluit van haar vader wil verzetten. Moedeloos keert Jacopo naar Padua terug, doch het beeld van zijn geliefde laat hem niet los en hij gaat opnieuw naar haar op zoek. En opeens is het zover:

14 mei ’s avonds. Ja, ik heb Teresa gekust; de bloemen en de planten wasemden op dat moment een zoete geur uit; de lucht was een en al harmonie; de beekjes ruisten in de verte; en alles werd mooier bij het schijnsel van de maan, die helemaal vervuld was van het oneindige goddelijke licht. De elementen en de wezens jubelden in de vreugde van twee liefdesdronken harten – ik heb die hand gekust en nogmaals gekust – en Teresa omhelsde me, helemaal bevend, en goot haar zuchten over in mijn mond en haar hart klopte aan deze borst: ze keek me aan met haar grote smachtende ogen, kuste me en haar halfgesloten, vochtige lippen fluisterden op de mijne – ach!

Helaas, vlak daarna zegt zij geschrokken: ‘Ik kan nooit de uwe zijn!’ en wenst hem vaarwel. Jacopo wordt ziek van wanhoop en besluit op reis te gaan om zich op het graf van de groten uit de Italiaanse geschiedenis – Galileo, Machiavelli, Michelangelo, Dante, Petrarca – te herbronnen. Deze pelgrimage weerspiegelt vrij nauwkeurig de wederwaardigheden van Foscolo zelf, die na veel omzwervingen door de verschillende Italiaanse staten, Zwitserland en Frankrijk uiteindelijk in armen doen in Londen zal overlijden. Aan zijn personage Ortis biedt de zwerftocht de gelegenheid om uitgebreid te mediteren over de vroegere glorie en het huidige verval van zijn vaderland. Naar Rome kan hij niet eens gaan omdat hem een paspoort wordt geweigerd: ‘Zo zijn wij, Italianen, allemaal ballingen en vreemdelingen in Italië.’ Onderweg hoort hij dat Teresa getrouwd is en neemt het besluit uit het leven te stappen. De laatste twintig bladzijden van de roman beschrijven zijn lange aanloop naar de zelfgekozen dood. Hij keert nog een laatste maal naar de Euganeïsche heuvels terug en loopt daar zijn aanbedene tegen het lijf, die echter geen woord tegen hem zegt. Hij trekt zich op zijn kamer terug, schrijft een paar afscheidsbrieven en stoot een dolk in zijn borst. Vader T*** snelt nog toe, maar komt te laat.

Wie Het lijden van de jonge Werther (1774) van Goethe – reeds in 1782 in het Italiaans vertaald – heeft gelezen, zal in Foscolo’s roman tal van overeenkomsten herkennen. Jacopo, Teresa en Odoardo lijken zelfs verdacht veel op het trio Werther, Lotte en Albert. In dat opzicht zou Laatste brieven van Jacopo Ortis niet veel méér zijn dan een van de talrijke imitaties die in de decennia na Goethes bestseller in zowat alle Europese cultuurtalen verschenen. Wat Foscolo’s boek daarvan onderscheidt, is de politiek-historische dimensie. Eerder dan een sentimenteel verhaal is het een hartstochtelijk pamflet dat de aspiraties en de ontgoochelingen van de jonge Italiaanse intellectuelen aan het begin van de negentiende eeuw verwoordt: niet alleen vrijheid en onafhankelijkheid, maar ook sociale rechtvaardigheid in een samenleving die tot op dat ogenblik nog grotendeels feodaal is gebleven. Dat verklaart wellicht ook waarom het boek in Italië zo lang populair is gebleven.

Het moet niet eenvoudig zijn geweest om Foscolo’s Sturm-und-Drang-achtige stijl, met een overvloed van uitroepen en retorische vragen, in het Nederlands om te zetten. Vertaler Jan van Geldrop heeft er, mijns inziens terecht, voor gekozen die stijl zo getrouw mogelijk te weer te geven, ook al levert dat een enigszins archaïsch aandoend resultaat op. Minder gelukkig ben ik met zijn keuze om als inleiding bij het boek een ‘sterk ingekorte versie’ te brengen van het vrij academische voorwoord dat Giuliana Nuvoli bij de door hem gebruikte Italiaanse editie schreef. Die richt zich duidelijk tot een lezer die al enigszins vertrouwd is met de figuur en het werk van Foscolo en met de historische context ervan, wat – zo valt te vrezen – voor slechts weinige Nederlandstalige lezers het geval zal zijn.

Tot slot: het is jammer dat geen enkele reguliere uitgever deze toch boeiende vertaling heeft willen uitbrengen. Zonder te willen afdingen op de verdienste van de kleine, zo te zien ambachtelijke uitgeverij Flanor kan ik er niet omheen dat de bladspiegel en het lettertype eerder onaantrekkelijk zijn en dat een professionele eindredactie wat storende foutjes (bijvoorbeeld in de woordafbrekingen) had kunnen voorkomen. Wordt dat de toekomst voor een aantal minder bekende namen onder de vertaalde klassiekers?

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?