cover big

De Vesuvius blijft ver weg

Jeroen Dera

Over Te voet is het heelal drie dagen ver van K. Michel

Atlas Contact, Amsterdam, 2016,
ISBN 9789025447755 / 53p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 03-01-2017

Bookmark and Share

‘Vertel nu het gedicht in je eigen woorden na’, gebiedt het vijfde deel van K. Michels cyclus ‘Indringend lezen volgens dr. Drop’ uit zijn gelauwerde bundel Waterstudies (1999). De readymade, waarin Michel gretig uit het handboek Indringend lezen I (1970) van dr. W. Drop en drs. J.W. Steenbeek citeert, is bij uitstek een ironisering van de bekende premisse dat een gedicht een kern heeft die op de een of andere manier te vatten is. Poëzie valt niet in eigen woorden na te vertellen, meent Michel, en al helemaal niet als die poëzie voorbijgaat aan wat we grosso modo onder een ‘oorspronkelijk’ gedicht verstaan.

Ook in zijn nieuwe bundel Te voet is het heelal drie dagen ver gebruikt K. Michel (1958) de readymade als beproefd recept. Vrij exemplarisch is het gedicht ‘Zijn oude vriend Norman Malcolm kijkt terug’, waarin citaten staan uit Malcolms boek Wittgenstein. Een biografisch essay (1968). In de regel betreffen het triviale feitjes uit het leven van de grote filosoof. Zo lezen we:

Wittgenstein
was dol op de kermissen die
van tijd tot tijd naar Midsummer Common kwamen.
Hij genoot ervan om met stuivers naar een prijs te mikken.
Zijn ogen hield hij daarbij dicht.

Wie met Drop in de hand de strofe in eigen woorden wil navertellen, zal waarschijnlijk weinig anders doen dan nog eens herhalen wat Michel (en vóór hem Malcolm) al schreef. Om het zogenaamd correct ontcijferen van poëtische taal gaat het hier dan ook niet. Maar wat staat er dan wel op het spel? Wellicht zijn deze trivia bedoeld om het geijkte Wittgensteinbeeld – voor zover dat bestaat – onder druk te zetten, onder het mom: Ludwig Wittgenstein was niet alleen de man van het Sprachspiel, maar hield ook gewoon van kermissen. Tegelijkertijd wil Michel misschien laten zien dat de zeldzaamste filosofen aan de meest banale dingen een eigen draai geven. Wie mikt er nu per slot van rekening op een prijs zonder daarbij te kijken?

Michels Wittgensteingedicht bulkt van dit soort opmerkelijkheden. We lezen dat de filosoof bijzonder goed kon fluiten, dat hij een bloeiende potplant had, dat hij altijd wilde helpen met de afwas wanneer hij bij de Malcolms logeerde. Maar Michel tekent ook een opmerking uit een van Wittgensteins colleges op: dat ‘problemen worden opgelost, niet door nieuwe / informatie te geven, maar door wat wij al weten te ordenen’. Plots wordt het daar interessant, want de readymade krijgt nu iets zelfreflexiefs: is Michel – ordenend wat we al kunnen weten uit Malcolms biografische essay – hier niet precies aan het doen wat Wittgenstein predikte?

In ‘Zijn oude vriend Norman Malcolm kijkt terug’ gebeurt op microniveau wat Te voet is het heelal drie dagen ver als bundel kenmerkt, maar ook opbreekt: je moet je door een hoop trivialiteit heen ploegen om incidenteel bij interessante, prikkelende fragmenten uit te komen. Het openingsgedicht laat die problematiek onmiddellijk zien. Het gaat daarin om de spanning tussen ‘Signaal en ruis’ (ook de titel van het gedicht), waarmee Michel de voor hem typerende communicatiethematiek van meet af aan aansnijdt. De eerste twee strofen luiden als volgt:

Walvis landt op vissersboot.
Trainer vindt vliegtuigdeur op voetbalveld.
Student heeft seks met standbeeld.
Dronken man zit vast in brievenbus.
Indiër rijdt al elf jaar achteruit in auto.
Zwitser breekt record telefoonboekscheuren.

Paardbei. Menigte tilt dubbeldekker op
bevrijdt fietser. Strandbal van metaal blijkt
zeemijn. Dorp schenkt reuzentruffel
aan Obama. Rara, het is rood en het hinnikt.
Dichter vangt haas door achter boom
geluid van wortel na te bootsen.

De openingsstrofe bestaat geheel uit zinnen die nog het meest aandoen als koppen van nieuwsitems in de categorie ‘opmerkelijk’ – en dat blijken ze bij nadere inspectie ook te zijn. Ruis overheerst in die eerste regels nog niet: in de doffe opsomming van eenvormige zinnetjes zegeviert het signaal. De tweede strofe brengt daar verandering in. De ‘Paardbei’ – het antwoord op het later geïntroduceerde raadsel – verstoort de orde van de opsomming, die opeens met enjambementen en een gebrekkige interpunctie (er mist een komma tussen ‘op’ en ‘bevrijdt’) te maken krijgt. Het is natuurlijk de dichter Michel, die zichzelf ook een opmerkelijke krantenkop toebedeelt, die deze ruis veroorzaakt en zo de triviale nieuwsfeiten aan diggelen slaat. Hij vindt daarbij een metgezel in ‘een maartse haas’, natuurlijk een verwijzing naar Alice in Wonderland (1865), die hem aan het slot van het gedicht een advies geeft:

klim nu hoog in de boom en fluister
terwijl je de bladeren doet ritselen
je hartenwens en laat daarna zaagsel
toverachtig sneeuwen door de takken
rondom je af te zagen ook die waarop je zit.

Esthetiek, verbeeld in het ‘toverachtig sneeuwen’, wordt blijkbaar bereikt door alle houvast los te laten. Paradoxaal genoeg zit juist het signaal Michel hier echter in de weg, want deze slotstrofe is zwanger van de tekens die hij eerder in het gedicht heeft opgeroepen. Het sneeuwende zaagsel staat immers direct in verband met de ruis uit de titel, en de combinatie tussen ‘sneeuwen’ en ‘ruis’ kan ook niet los worden gezien van de ‘multimedia’ (met mogelijk ruisende schermen) die hij in strofe vier introduceert. Al dan niet bedoeld lijkt de dichter het advies van de haas dus in de wind te slaan: hij zit weliswaar hoog in de boom, maar regisseert vanuit daar heel nauwgezet wat er in zijn gedichten gebeurt. Met gesloten ogen op de prijzen mikken, zoals Wittgenstein, doet Michel anders gezegd niet.

Het gevolg is dat weinig gedichten in Te voet is het heelal drie dagen ver meer zijn dan Michels particuliere ordening van wat hij in zijn zelfverklaarde ‘vlindernet’ heeft opgevangen. Het probleem van de meeste poëzie vind ik dat er nauwelijks aan de takken wordt gezaagd. Te vaak laat Michel zijn gedichten drijven op opsommingen, gebruikt hij ‘wat me doet denken aan’-constructies om duidelijk te maken hoe subjectief het associatieproces is, zijn gedichten niet meer dan opgehakt proza of zelfs een flauwe grap.

Neem het gedicht ‘Oude vijver’, waarin de dichter de maat neemt van de beroemde gelijknamige haiku van Bashō. Michels lyrisch ik spreekt van een ‘haiku van niks’, ‘te weinig om echt / kopje onder te gaan / en als watergong te zacht / om van op te schrikken’. Is dat op zichzelf al een holle kritiek, erger wordt het als Michel Bashōs naam leest als ware het een onomatopee: ‘Basho dat is niezen / O bá sho / O bá sho’. Een flauwiteit als deze snijdt elke serieuze poëticale kritiek op de Japanse dichter – die mij overigens veel dubbelzinniger lijkt dan Michel hem hier schetst – de pas af, maar is bovenal een diskwalificatie van Michels eigen ‘Oude vijver’. Uiteindelijk leent dat gedicht zich misschien nog het best voor een pastiche in de trant van Norman Malcolm:

Michel
vond weinig aan de klassieker
van een Japanse dichter, dichtte hij
in Te voet is het heelal drie dagen ver.
De naam Bashō kwam hem voor als een nies.

Net als in de meeste van Malcolms anekdotes over Wittgenstein is het trivialiteit troef. Uiteindelijk is het dan ook zoeken naar gedichten die wél prikkelen en het vermoeden ontkrachten dat de dichter van Waterstudies in zijn vijver verzopen is.

Ze zijn er gelukkig wel: het sterke ‘Een uur speling’, bijvoorbeeld, over de dood van Rutger Kopland, slaagt er daadwerkelijk in de takken onder de voeten van het lyrisch ik weg te zagen. Het gedicht verhaalt hoe de ik-figuur door zijn buurman Henk naar het vliegveld wordt gereden, want: ‘Ik moest naar Sardinië’. Het lijkt geen zakelijke afspraak, maar bittere noodzaak, alsof Michel het kille noorden niet meer kan velen na de dag met ‘[w]eer een stem die niet meer boven water komt’. Op verschillende momenten heeft de situatie iets ongemakkelijks, bijvoorbeeld als de ik-figuur aan Henk vertelt over een houten luik met een metalen ring in de vloer van de pas gerestaureerde Martinikerk, het toneel van Koplands uitvaart: ‘Wat deed dat luik daar en hoezo / hier viel toch niet af te dalen?’ Michels luchtige reflectie op dat soort luttele details contrasteert met zijn sterke drang naar het zuiden te reizen (waar de zomer is, in plaats van de dood), wat een boeiende en invoelbare spanning oplevert. Interessant is ook dat Michel aan het slot van uitgerekend dit gedicht opzichtig metaforisch wordt, door de rode verkeerslichten als ‘kersen’ aan te duiden. Juist in ‘Een uur speling’, waarin hij zijn eigen voortleven confronteert met de dood van een collega-dichter, heeft die vitaliserende beeldspraak een fascinerende functie.

Niet onaardig is ook het gedicht ‘De vind variaties’, dat grotendeels uit zinnen bestaat met een vorm van ‘vinden’ als persoonsvorm, steeds voorzien van een ander onderwerp. Daardoor ontstaat een kakofonie van meningen en visies die slechts het ‘vinden’ als gemene deler heeft:

Zij vindt hem een – met alle respect –
popcornpan zonder deksel
Hij vindt zich een zondebok
Zij vindt dat hij aanzet tot haat
Hij vindt dat hij mag vinden wat hij vindt

Koen vindt voetbal stom
De kok vindt de hond in de pot
De oproep vindt geen gehoor
De bliksem vindt de klokkentoren
De wetgever vindt eenieder gelijk

Omdat Michel ook de verschillende betekenissen van het werkwoord ‘vinden’ een plaats geeft, wordt het een sterke aanklacht tegen de holheid van de loutere opinie en het daarmee corresponderende gebrek aan reflectie (waarbij het al te verleidelijk is in de slotregels van de bovenste strofe een verwijzing naar Geert Wilders te lezen). Hoewel dat conceptueel interessant is, blijft Michel wel erg binnen de lijntjes kleuren: hij treedt nooit buiten de semantische of grammaticale grenzen van het woord ‘vinden’, terwijl dat de kakofonie had kunnen doen ontsporen en het gedicht (dus) had kunnen verrijken.

Op dat laatste punt is het zinvol nog eens terug te komen op het collegedictaat van Wittgenstein: ‘problemen worden opgelost, niet door nieuwe / informatie te geven, maar door wat wij al weten te ordenen’. Misschien probeert Michel in ‘De vind variaties’ de waanzin van de verregaande heterogeniteit aan meningen te bezweren door die simpelweg te ordenen, zodat er een collage ontstaat die zo belachelijk is dat de ogen (verder) worden geopend voor het probleem dat de dichter aankaart.

Misschien is het ook daarom dat Plinius in Te voet is het heelal drie dagen ver een prominente rol krijgt toebedeeld: evenals de Romeinse letterkundige tekent Michel scherp de signalen op die hem bereiken en houdt hij de ruis voor zijn doen redelijk beperkt. In het gedicht ‘Pliniaans’ merkt het lyrisch ik op dat het tijd wordt ‘om samen naar Napels te reizen / een snelle boot te huren twee parasols / een kussen stevig vast te binden op het hoofd / en naar de Vesuvius te gaan kijken’. Als ik de maartse haas uit Alice in Wonderland zou zijn, zou ik de dichter echter adviseren om op de rand van die vulkaan te gaan staan en een uitbarsting te arrangeren. Nu voel ik me als lezer van deze poëzie toch overwegend zoals Wittgenstein in Malcolms herinneringen: ‘Hij stond geruime tijd stil, de handen in de zij.’

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?