cover big

De waarheid van de poëzie

Piet Gerbrandy

Over Geen delicatessen. De waarheid van de poëzie van Erik Spinoy

Poëziecentrum, Gent, 2017,
ISBN 9789056552572 / 48p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 10-12-2017

Bookmark and Share

In 1995 droomde Johnny Cash (1932-2003) dat hij Buckingham Palace binnenliep en daar koningin Elisabeth II aantrof, die met een vriendin zat te breien. Toen zij hem zag staan, zei ze: ‘Johnny Cash! You’re like a thorn tree in a whirlwind.’ Bij het ontwaken realiseerde Cash zich dat de Queen het Bijbelboek Job had geciteerd. Deze ronduit mythische droom vormde de kiem van een koortsachtig creatief proces waarin hij een van zijn beste liedjes schreef. ‘The Man Comes Around’ werd uiteindelijk, als een zwanenzang, pas uitgebracht op American IV (augustus 2002).

Het is een huiveringwekkende song. De tekst is vrijwel geheel een montage van losse, hier en daar aangepaste Bijbelcitaten, in de meeste waarvan de Jongste Dag wordt opgeroepen. Het merendeel van de regels komt uit Openbaring van Johannes, maar ook het evangelie van Mattheüs en de Handelingen van de apostelen worden aangehaald, en natuurlijk Job. Het is duidelijk dat Cash aansluiting zoekt bij een eeuwenoud vertoog, dat hij de verschrikkingen van het Laatste Oordeel bezingt, maar als je regel voor regel gaat bekijken wat hij nu eigenlijk zegt, valt het verhaal in raadsels uiteen:

The hairs on your arm will stand up
At the terror in each sip and in each sup.
Will you partake of that last offered cup
Or disappear into the potter’s ground,
When the man comes around?

Het is alsof de dichter, ik aarzel niet hem zo te noemen, vast is komen te zitten in een dicht struweel van doornstruiken waaruit hij zich graag zou willen bevrijden, maar niet anders kan dan zich er steeds verder in te laten verstrikken. Wat het lied bijeenhoudt en tot een magistraal testament maakt, is echter niet zozeer de tekst als wel de onvaste maar indringende stem van Cash, spaarzaam begeleid, die tijdens de opnamen al wel vermoedde dat hij misschien met zijn laatste plaat bezig was. Het effect is overrompelend, ook voor wie de Bijbelse machinerie als achterhaalde onzin beschouwt. De waarheid van ‘The Man Comes Around’ schuilt in een authentieke angst.

In Geen delicatessen. De waarheid van de poëzie, een lezing die Erik Spinoy (1960) in november 2017 uitsprak in Gent en Amsterdam, wordt gezocht naar de eigenheid en de waarde van poëzie binnen een postmodern discours waarin iedereen die een beetje heeft opgelet zich realiseert dat hij het product is van grote, vaak foute verhalen en ideologieën.

Volgens Spinoy is er hoop:

De dichter haalt zijn teksten uit de discursieve stortbuien die onophoudelijk op hem neerregenen, maar niet alléén daaruit. Jazeker, hij echoot echo’s, maar hij doet dat met zijn eigen stem, die in het beste geval verlokkend is als die van de sirenen, de Loreley of Johnny Cash.

De Odyssee, Heinrich Heine, Paul van Ostaijen en Cash in één adem: Spinoy kent zijn klassieken.

De lezing is de tweede in een reeks die is opgezet als hommage aan Hans Groenewegen (1956-2013), die naam maakte als een grondig, zorgvuldig en maatschappelijk betrokken poëzielezer. Twee jaar geleden sprak Anneke Brassinga de eerste lezing uit. De reeks is een initiatief van Stichting Perdu (Amsterdam) en Poëziecentrum (Gent), met steun van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde.

De institutionele context impliceert een geloof in de mogelijkheid zinvol en intelligent over poëzie te spreken als over een verschijnsel waarvan niemand de waarde in twijfel trekt, want waar KANTL en KNAW de brede culturele traditie vertegenwoordigen, maken Poëziecentrum en Perdu zich sterk voor vernieuwing en experiment. Als gelauwerd dichter van een tiental hoogst intrigerende bundels en hoogleraar Nederlandse letterkunde en culturele theorie te Luik vertegenwoordigt Spinoy zowel de wetenschap als de praktijk.

Spinoy, die promoveerde op Van Ostaijen, opent zijn glasheldere betoog met een citaat van de oude meester:

Gedichten zijn slechts de uiterlike tekenen van de aanwezigheid des dichters, zoals b.v. de inkt in sommige gevallen de inktvis verraadt. De geschreven gedichten moet men lezen afhankelik van een gansheid, die nooit zichtbaar of op enig andere wijze toegankelik werd.

Deze visie, waarin de dichter weliswaar uit zijn gedicht is verdwenen, maar toch als drijvende kracht, als magische oorsprong voelbaar blijft, lijkt in de loop van de twintigste eeuw in diskrediet te zijn geraakt. Eerst verklaarden de modernisten de poëzie tot iets autonooms dat geheel los zou staan van de maker. Vervolgens lieten de postmodernisten, Spinoy noemt vooral Jacques Derrida en Jacques Lacan, zien dat we gevangen zitten in ingewikkelde en gezaghebbende maar helaas vaak onderling tegenstrijdige vertogen, zodat we gedwongen zijn slechts na te praten wat ons – onbewust – is ingeprent.

Daarbij blijkt betekenis fundamenteel instabiel: elk woord, elke zin, elk verhaal kan steeds opnieuw worden geïnterpreteerd zonder dat ooit duidelijk wordt wat er ‘echt’ staat. Als dat waar is, moeten we vaststellen dat authenticiteit een fictie is, dat het onmogelijk is iets te beweren dat blijvend hout snijdt en, nog erger, dat het bijna ondenkbaar is een bres te slaan in perverse politieke opvattingen.

Maar Spinoy ziet, gelukkig, een uitweg. Natuurlijk, een tekst is altijd de ‘klakkeloze reproductie van discoursen en/of een duizelingwekkend vuurwerk van betekenissen’, maar hij is ook nog iets anders, en dat geldt vooral voor wat gewoonlijk lyriek wordt genoemd. De afwezige ‘aanwezigheid des dichters’, zoals Van Ostaijen het uitdrukt, trekt volgens Spinoy:

een breed spectrum aan sporen in de tekst: ze vertoont zich in insisterende voorkeuren voor ritmes, klankencombinaties, connotaties en associatief gelegde betekenisverbanden, in een lexicon, in een onverwisselbare manier om zich de dingen te denken, in obsederende en libidineus bezette beelden, in een afwijkend perspectief op de waargenomen en voorgestelde werkelijkheid, en natuurlijk ook in veelzeggende verzwijgingen, omissies en taboes. Wie op dit alles gespitst is, hoort de stem van de tekst.

Nota bene: de stem van de tekst, niet die van de dichter. Maar Spinoy ontkent niet dat het de dichter is, de o zo contingente en individuele vrouw of man, die deze stem heeft geconstrueerd. Johnny Cash bijvoorbeeld.

Hoe werkt dat dan? Spinoy gaat op zoek naar dichters die zich terdege realiseren dat ze bestaande vertogen reproduceren, maar tegelijkertijd de open plekken, het verzwegene, de contradicties erin proberen bloot te leggen. Dat zijn per definitie dichters die, zoals Van Ostaijen het formuleert, moeilijk spreken. Spinoy noemt bijvoorbeeld Jos de Haes, Hugo Claus en Michel Bartosik, maar ook Emily Dickinson, Hans Faverey en Ingeborg Bachmann.

Kenmerkend voor dit soort dichters is dat ze het gevaar lopen stil te vallen, omdat ze reiken naar wat niet kan worden bereikt en dus steeds opnieuw een route moeten zien te vinden naar een onontkoombare mislukking: zij maken van ‘beter falen’, zoals Samuel Beckett het uitdrukt, hun ambacht, en dat is geen comfortabele positie.

Kan er dan helemaal geen mooie, prettige poëzie bestaan, die de lezer terugvoert naar een vertrouwde, maar vergeten oorsprong van heelheid? Jazeker, die poëzie is er ook, en ze is vaak zo onweerstaanbaar omdat alles klopt, omdat de breuken vakkundig zijn weggeplamuurd. Guido Gezelle is met zijn soms bedwelmende taalmuziek een goed voorbeeld van een dichter die zich melodieus en wellevend conformeerde aan de ideologie die hij als priester belichaamde.

We kunnen in dit kader denken aan dichters als J.C. Bloem, Miriam Van hee, Willem Jan Otten, Charles Ducal, Hester Knibbe en zelfs Jules Deelder, stuk voor stuk kundige dichters die op geen enkele manier de behoefte vertonen los te breken uit de veilige bedding waarin ze zichzelf ooit hebben aangetroffen. Het is dit soort poëzie waarop Lucebert reageert in zijn befaamde ‘school der poëzie’ (1952):

lyriek is de moeder der politiek,
ik ben niets dan omroeper van oproer
en mijn mystiek is het bedorven voer
van leugen waarmee de deugd zich uitziekt.

ik bericht, dat de dichters van fluweel
schuw en humanisties dood gaan.
voortaan zal de hete ijzeren keel
der ontroerde beulen muzikaal opengaan.

Voorwaar een krachtig en welsprekend geformuleerd manifest, maar Lucebert heeft geen gelijk gekregen, want de meeste dichters bleken toch ook de afgelopen zeventig jaar van fluweel te zijn, en dat is precies waar een aanzienlijk deel van het publiek hen om waardeert. Spinoy moet daar niets van hebben, maar wat is er eigenlijk op tegen?

Zelfs als je meegaat met zijn pleidooi voor een poëzie die de geijkte vertogen van binnenuit wil openbreken, iets wat ik persoonlijk graag zou onderschrijven, kun je niet ontkennen dat de oorsprong van poëzie vermoedelijk ergens anders ligt en dat zij in de loop van haar geschiedenis slechts zelden op de barricaden heeft gestaan.

We behoeven maar naar Sappho en Pindaros te kijken, naar Occitaanse troubadours en West-Afrikaanse griotten, om te constateren dat poëzie vanouds een muzikale aangelegenheid is die de emoties en bekommernissen van een collectief verwoordt. Het sluit vanzelfsprekend niet uit dat een dichter in een traditionele omgeving de gelegenheid kan krijgen, of creëren, om zijn publiek stevig aan te pakken, maar zijn bestaansrecht blijft gebaseerd op de aanname dat hij de waarden van de gemeenschap deelt.

Daar komt bij dat het gebruik van aloude middelen als ritme, klankherhaling, felle beeldspraak en prikkelende raadsels appelleert aan lagen in onze ziel waar we gewoonlijk niet bij kunnen, maar die daar zijn neergelegd toen we nog in vruchtwater ronddobberden of als kleuters aan de rokken van onze moeders hingen. Het is verleidelijk toe te geven aan het verlangen weer één te zijn met de kosmos, zeker nu het dagelijks leven elke connectie met de natuur lijkt te hebben verloren.

Is dat verlangen schadelijk? Wie vandaag een poëziefestival bezoekt ziet vooral beschaafde mensen om zich heen die niets liever willen dan wegdromen op het betoverend timbre van hippe meisjes of dwaze grijsaards. Niemand gaat naar de Nacht van de Poëzie om geschokt te worden. Zo verwonderlijk is dat niet, ik begrijp best waarom iemand liever naar Wolfgang Amadeus Mozart en Dolly Parton luistert dan naar Yannis Xenakis en Peter Brötzmann. Troostende armen zijn nu eenmaal plezieriger dan beukende vuisten, er is al genoeg narigheid in de wereld. Kortom, de ambitie van Spinoy is eerbiedwaardig en integer, maar dat betekent niet dat poëzie niet ook andere functies kan hebben dan hij respectabel acht.

Een tweede bezwaar zou kunnen zijn dat Spinoy zijn – zorgvuldig gedocumenteerde – ideologie, want dat is het, als bril gebruikt om de literatuurgeschiedenis mee waar te nemen. Ongetwijfeld was Gezelle politiek en theologisch gezien reactionair, maar moeten we een negentiende-eeuwer niet beoordelen op criteria die hijzelf begrepen zou hebben?

Verder haalt Spinoy, om te illustreren dat moeizaam spreken tot sublieme poëzie leidt, een gedicht aan van Michel Bartosik (1948-2008), waarin de dichter over de problematische communicatie met zijn vader schrijft:

Je leek met ieder
adem halen de gehele kamer
op te willen snuiven.

Nog moesten de ramen open
voor de onmogelijk kille
dolzinnig houwende juliwind.

Die koude – ik krijg haar
nooit meer uit mijn rug.

Ik wil helemaal niet beweren dat dit een slecht gedicht is, maar zie niet in waarom je het niet gewoon op ‘romantische’ wijze kunt lezen als individuele expressie van een individuele emotie. De tekst probeert, zegt, Spinoy, rekenschap af te leggen van het ongrijpbare in het mensenbestaan: ‘de ervaring van het concrete, het schone, het kwetsbare, het traumatische, het verdrongene’. Ongetwijfeld, maar daar heb ik geen postmoderne omweg voor nodig.

Mijn derde bedenking betreft de politieke dimensie van Spinoy’s poëzieopvatting. Met hem zou ik dolgraag aannemen dat gedichten het vermogen hebben de onhoudbaarheid van gangbare vertogen aan de kaak te stellen, dat lyriek laat zien hoe gevaarlijk het is gedachteloos na te praten wat men aangepraat krijgt.

Dichters zijn doorgaans povere politici, maar hun praktijk vindt juist daarin zijn paradoxale ‘politieke’ nut. Met vele andere al dan niet tijdelijk ‘gehysteriseerde subjecten’ herinneren ze eraan dat altijd, overal ‘iets’ ongezegd en principieel onzegbaar blijft.

De vraag die Spinoy niet direct stelt en zeker niet beantwoordt, is die naar het bereik van poëzie. Leest de aanhang van Geert Wilders, Bart De Wever en Thierry Baudet graag Faverey en Spinoy? Verwijzen Amerikaanse senatoren geregeld naar Emily Dickinson of Ben Lerner? Zullen we ooit een Paul Celan op een lijst van bestsellers aantreffen? Een ontkennend antwoord op deze vragen doet niets af aan het terecht gekoesterde ideaal van de essayist, maar wie op het onmogelijke hoopt raakt licht gefrustreerd en verbitterd.

Poëzie moge het ultieme voertuig van het onbereikbare zijn, misschien staan dichters tijdens het schrijven buiten de economische en politieke realiteit, maar in een wereld waarin je aan het begin van de maand je huur moet betalen en waarin je nu eenmaal moet samenleven met gekken, stommelingen en klootzakken, is enige nuchterheid geboden.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?