cover big

De zwarte spiegel

Gwennie Debergh

Over De mensengenezer van Koen Peeters

De Bezige Bij, Amsterdam, 2017,
ISBN 9789023452362 / 319p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 26-08-2017

Bookmark and Share

De mensengenezer bouwt voort op Koen Peeters’ (1959) eerdere werk. Uit Mijnheer Sjamaan (2004) bleek al zijn belangstelling voor het bovennatuurlijke. De encyclopedische verzameldrift zat al in De postbode (1993), Acacialaan (2001) en Grote Europese roman (2007). In De bloemen (2009) ondernam hij een eerste genealogische zoektocht naar een verdwenen bestaan in landelijk Vlaanderen, en Afrika vormde al het decor voor Duizend heuvels (2012).

Toch zit er een evolutie in Peeters’ proza. In vergelijking met zijn eerdere romans is dit nieuwe boek wat minder ironisch. De kurkdroge humor met zijn kenmerkende tongue-in-cheekstijl blijft grotendeels achterwege, maar de research is grondig als vanouds, en ook de onderlinge samenhang tussen de hoofdstukken en verhaallijnen verraadt de choreografische hand van Peeters.

De mensengenezer vertelt het verhaal van Remi, die net na de Tweede Wereldoorlog opgroeit in de Westhoek en daar vooral wordt geconfronteerd met de herinneringen aan die Andere Oorlog. Als boerenzoon weet hij dat de obussen nog dagelijks uit de bodem worden geploegd, maar het is zijn oom Marcel die hem leert luisteren naar de geest die samen met al dat koper opstijgt uit de velden: ‘De geest is onzichtbaar, maar hij is samengesteld uit de overblijfselen van lichamen.’

Zijn oom heeft als kind de Groote Oorlog meegemaakt en herinnert zich vooral de Congolese soldaat Pius, van wie hij de mysterieuze formule ‘Carabouya’ leerde: ‘Schrijf dat geheime woord nooit op. Het speelt zijn kracht kwijt als je het opschrijft.’ Op zoek naar een spoor van de verdwenen Pius schuimen Marcel en Remi het ene na het andere soldatenkerkhof af, maar nergens vinden ze een graf met zijn naam. Wel staan de rijenlange zerken vol heroïsche inscripties die net als ‘Carabouya’ de dood proberen te bezweren, of op zijn minst een zinvolle betekenis te geven: ‘Soldier and a man, he died honoured by all his country’s pride.’

De raadselachtige verhalen van Marcel over Pius en de oorlog blijven echoën in het hoofd van Remi. De jongen begint stemmen te horen die hem steeds nadrukkelijker aanmanen een mensengenezer te worden, maar ze blijven vaag over de manier waarop hij dat moet doen:

De stem stelde me deze vragen: ‘Hoe de mensen genezen? Hoe de verwonde mensen genezen? Hoe de neergeschoten, weggeslingerde, doodgeschoten mensen genezen?’

Remi besluit om weg te gaan uit zijn geboortestreek om de wereld van het ongrijpbare en het onderbewuste te onderzoeken. Tegen de zin van zijn ouders, en zonder dat er echt sprake is van een goddelijke roeping, trekt hij naar de abdij van Drongen om jezuïet te worden. ‘Ik voelde dat mijn persoonlijkheid herschreven werd. Als op een wit blad papier.’ De mysterieuze frasen van Pius en oom Marcel worden vervangen door Latijnse formules, maar de interesse voor de geest blijft toenemen. Naast theologische traktaten verdiept de novice zich in filosofie, klassieke talen, welsprekendheid en literatuur. Hij vervolmaakt zijn opleiding in het klooster van Heverlee en ontmoet daar enkele oude jezuïeten die jarenlang in Congo hebben gewerkt. Op zijn eenentwintigste volgt hij hun voorbeeld en belandt uiteindelijk bij de Yaka in Kwango, van wie wordt gezegd dat ze ‘de beste genezers en waarzeggers hebben’. Hij komt terecht in een wereld van heksen, fetisjen en kwade krachten. Anders dan zijn collega-missionarissen, voor wie de zendelingsdrang primeert, gedraagt Remi zich veel meer als een antropoloog die waarneemt, deelneemt en de functie van de aanvankelijk onbegrijpelijke rituelen probeert te duiden.

Toekijken, vol overgave luisteren, trachten te begrijpen hoe vanuit de lokale overtuigingen een eigen ontologie, een zijnsleer wordt vertaald.

Remi vertaalt vele honderden verhalen, spreekwoorden en orakels uit het Kiyaka, maar tegelijk beseft hij dat hij niet louter via de taal tot hun leefwereld kan doordringen. Minstens even belangrijk is de manier waarop woorden en beelden worden opgeslagen in de lichamen van de Yaka, letterlijk geïncorporeerd in de vorm van gebaren of rituelen.

Aan het eind van zijn verblijf spiegelt het verhaal van Remi – de enige blanke tussen de Yaka – met dat van Pius, de solitaire Congolees in de loopgraven van de Westhoek. De priester-genezer van de Yakagemeenschap vertrouwt hem toe dat er ooit een zwarte jongen is vertrokken om ‘het geheim van de blanken’ te zoeken, maar dat hij nooit is teruggekeerd. Hij beweert dat het niet om Pius zou gaan, maar schrikt wel wanneer Remi een van diens bezweringsformules in het Kiyaka prevelt.

De genezer Kha Nkoongu strooide witte as op zijn hoofd als teken van rouw, omdat ik vertrok. Hij sprak: ‘Je hebt ons de woorden van de zwarte soldaat teruggebracht. Jij bent blank hier gekomen en zwart zul je vertrekken. Jij bent van ons, geef maar toe dat je van ons bent.’

Van een wrevelige bisschop krijgt Remi de waarschuwing dat hij zich niet moet laten ‘vernégeren’. Bij zijn vertrek uit Congo ziet hij vlak voor zijn afreis naar de luchthaven hoe een achttienjarige zwarte jongen intreedt als novice, terwijl hijzelf in België de jezuïetenorde verlaat en professor antropologie wordt aan de universiteit van Leuven.

Daimon

De hoofdstukken over het leven van Remi zijn opgetekend door een ik-verteller die de gepensioneerde hoogleraar vier decennia later thuis opzoekt. De verteller wil zijn nooit voltooide studie antropologie alsnog afronden met een scriptie.

Er waren vragen die nog openstonden. Er waren antwoorden, vermoedde ik, die ik nog niet ontdekt had in mijn persoonlijk leven.

Net als Remi probeert de verteller de vragen over zichzelf te beantwoorden via de omweg van de ander. Die ander is in de eerste plaats Remi zelf. De wekelijkse gesprekken in de Leuvense flat van de professor gaan al gauw niet meer uitsluitend over vakliteratuur en onderzoeksvragen, maar waaieren uit naar het verleden van Remi. ‘Ik begon […] zijn fascinaties te delen. Dit werd mijn onderzoek naar Remi’s zelfonderzoek.’

Wat Marcel was voor Remi, wordt Remi op zijn beurt voor de verteller: een daimon, in de betekenis die het woord krijgt in Plato’s Symposium – niet te verwarren met een demon, een kwade genius. Een daimon is iemand die het leven van een ander mens een beslissende richting geeft, vaak zonder dat zelf te beseffen.

Daimonen bestaan en ze roepen rusteloosheid op, die leidt tot ontdekkingen, een noodzakelijke verwijdering van de oorspronkelijke bron.

Aanvankelijk is die afstand nog beperkt. In het spoor van zijn leermeester trekt de student naar de soldatenkerkhoven aan de IJzer. ‘Ik zat er op een bankje, zoals Remi daar ooit zat met zijn oom.’ Maar het ligt voor de hand dat ook de verteller uiteindelijk zal afreizen naar Congo, in de hoop daar meer materiaal te vinden voor zijn scriptie. Daarin wil hij analyseren hoe verhalen over roofzuchtige krokodillen een angstpsychose veroorzaken bij de Yaka, die geloven dat het zou gaan om behekste, als reptielen vermomde mensen. Aanvankelijk is dat onderwerp niet veel meer dan een excuus.

Meer nog was dit mijn zoektocht naar de zoektocht van Remi. Hoe die wilde leren mensen te genezen, en daarmee zichzelf genas, of was het omgekeerd. Of ook hoe verhalen mensen drijven en begeesteren, en zelfs resoluut hun leven kunnen sturen.

Maar uiteindelijk zal blijken dat de verhalen van de Yaka de verteller meer in hun greep hebben gekregen dan die aanvankelijk had gedacht.

Documentair

Ondanks alle aandacht voor en research naar het samenleven van de Yaka is De mensengenezer in de eerste plaats een roman die handelt over de westerse verhouding met geloof, bijgeloof en spiritualiteit. De Afrikaanse fetisjen en rituelen fungeren als een zwarte spiegel waarin de Europeaan gedwongen wordt naar zichzelf te kijken.

Het is niet voor niets dat de verteller aan het eind niet durft te gaan zwemmen in de Kwangorivier, de locus delicti van de door hem verzamelde krokodillenverhalen. Tijdens zijn verblijf in Congo heeft hij niet één levende krokodil gezien, maar de geest van angst die uit zijn collectie studiemateriaal oprijst kan hij niet langer wegwuiven als het primitieve bijgeloof van de ander. De angst zit net zo goed diep in hemzelf.

In het laatste hoofdstuk, dat fungeert als verantwoording, dankwoord en verklaring, geeft Peeters, die hier uit de schaduw van de ik-verteller treedt, daarom nog eens duidelijk aan dat hij geen tweede ‘hart van de duisternis’ wilde schrijven over het ‘primitieve’ in ‘hen’, ‘veeleer wil ik het scherp aanwijzen in “ons”’.

Hoezeer ‘wij’ en ‘zij’ in elkaar echoën, blijkt vooral uit de vele details die Peeters gebruikt om de Westhoek en Afrika met elkaar te verbinden. Twee voorbeelden: op het erf van Remi’s ouderlijke huis zijn de varkens de enige dieren ‘die niet reageerden op mensen’. Ze lijken geen oog te hebben voor de wereld buiten de hunne. Wanneer Remi afscheid neemt van de Yaka krijgt hij van de priester-genezer het verwijt misschien gewoon iets te zijn ‘wat langskomt en nieuwsgierig aan ons komt snuffelen. Slechts dat,’ zonder echt tot hun leefwereld door te dringen. En meteen na die woorden ‘liep [een varken] achter ons langs’.

Een tweede voorbeeld zit in de taal, wanneer Remi de plaatsen uit zijn jeugd opsomt: ‘de Geldzak, de Haai-Baai, de Clachoire, de Bonte Hond, de Molenwijk en Den Abeele, waar onze boerderij zich bevond’. De namen worden herhaald door een Congolees meisje alsof het zou gaan om een ‘geheimzinnige formule: “Gaaibaaide klokaare, bouya tenonte molewie ndebele”’, zodat Europa en Afrika opnieuw over elkaar schuiven.

De feitenkennis die nodig is om zo’n netwerk van verwijzingen te kunnen creëren staat af en toe wat in de weg van het verhaal. Het documentaire karakter van de roman wordt dan overheersend:

‘In Kwango wonen de Yaka,’ vulde ik spontaan aan. ‘Jazeker, en ook de Suku, de Pelende, de Lunda en de Holo. De Yaka zelf zijn tenger en pezig, terwijl de Lunda breder en rijziger zijn. De Yaka-man is niet zo groot, maar hij is onvermoeibaar. Zijn naaktheid is uiterst gecontroleerd.’

Zulke conversaties tonen voortdurend hoeveel notitieschriftjes Peeters moet hebben volgeschreven ter voorbereiding van dit boek – hij is er naar eigen zeggen aan begonnen in de zomer van 2012 – maar tegelijk maken ze het verhaal af en toe wat stroperig. Het is duidelijk dat deze roman voor Peeters vanuit een noodzaak is geschreven, maar zelfs voor wie die drang niet kan navoelen blijft De mensengenezer een echte Koen Peeters. Ik zou het ‘vintage’ kunnen noemen, ware het niet dat hij in de roman terecht de spot drijft met die term. Zei ik dat er minder droge humor zit in dit boek? Af en toe kan hij het toch niet laten.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?