cover big

Een apologie van het ik

Laurent De Maertelaer

Over Ik bestaat uit twee letters van A.H.J. Dautzenberg

De Arbeiderspers, Amsterdam, 2018,
ISBN 9789029524117 / 720p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 02-06-2018

Bookmark and Share

Wie wordt er nu met plezier vijftig? A.H.J Dautzenberg (1967) alvast niet, hoewel de even bejubelde als verguisde auteur uit Tilburg naar eigen zeggen sowieso nooit zijn verjaardag viert: ‘Gefeliciteerd worden met iets waar ik niets voor heb moeten doen, dat beviel en bevalt me niet.’ Maar die halve eeuw is toch iets bijzonders en daarom houdt hij rigoureus een dagboek bij van zijn ‘jaar van Abraham’. Al was het maar om het illusieloos verzet tegen het ouder worden te onderhouden, het onafwendbare dan toch maar enigszins te bedwingen. Het resultaat is een onverbiddelijk, openhartig en veelzijdig egodocument dat een nietsontziend zelfonderzoek koppelt aan een diepgaande zoektocht naar loutering en een voor altijd verloren gewaande jeugd. Met de scherpzinnigheid, het engagement en de klare taal die zijn eerder proza kenmerken neemt Dautzenberg in Ik bestaat uit twee letters de maat van het dagboekgenre.

Dubbele expeditie

Antonius Hedwig Jozef Dautzenberg zag op 13 december 1967, drie minuten na zijn tweelingbroer Hub, het levenslicht in de Vroedvrouwenschool van Heerlen, een gerenommeerd instituut waar ook – pour la petite histoire – de Oostenrijker Thomas Bernhard werd geboren. Negenenveertig jaar later, precies op zijn verjaardag, start Dautzenberg, inmiddels een gevestigde waarde in de Nederlandse letteren, een dagboek. Het plan is om de aantekeningen voort te zetten tot hij precies vijftig wordt. Dautzenberg wordt vaak omschreven als ‘enfant terrible’ en ‘compromisloos relschopper’, maar niets is minder waar. Eigenlijk teert hij op structuur, zo blijkt uit een van de eerste ‘bekentenissen’ in zijn dagboek. Na zeventien jaar lang antidepressiva te hebben geslikt, besloot hij bijna drie jaar geleden medicijnen voorgoed vaarwel te zeggen:

Het medicijnkastje is nu gevuld met dvd’s en harde schijven – ik heb een enooooorme smart-tv aan het voeteneind van mijn bed staan. Bij opkomende somberte kies ik voor kleurrijke films, want die stimuleren de heropname van serotonine. Het lezen van de Donald Duck wil ook nog weleens helpen. Alcohol en drugs hebben op mij een averechts effect, dus daar blijf ik op die momenten liever van af. Masturberen helpt ook, het maakt dopamine vrij. Kortom, ik red me meestal wel.

Terwijl 2016 een jaar was waarin Dautzenberg gemiddeld twee films per dag bekeek (zie zijn filmboek, geschreven samen met Diederik Stapel, Van licht en donker), moet 2017 een leesjaar worden. Dat is althans het voornemen. Maar nog voor dat jaar wordt ingezet, werpt hij zich voor de tigste keer op De avonden (1947). Structuur is immers nodig en dat creëer je bijvoorbeeld met tradities: al bijna vijfentwintig jaar lang leest Dautzenberg vanaf 22 december – de datum waarop Gerard Reves debuut start – elke dag een hoofdstuk uit De avonden. Aangezien er tien hoofdstukken zijn, is het boek uit voor het einde van het jaar. Aan de hand van een foto illustreert Dautzenberg zijn aan Reve gewijde ‘glop’ (een steeg of straatje; zijn thuis noemt hij consequent het ‘gloppenhol’. De ‘Reve-glop’ is een soort schrijn, een uit de hand gelopen deel van zijn bibliotheek, geheel en al gewijd aan de grote schrijver. Het is dan ook niet verwonderlijk dat een van de drie motto’s die Dautzenbergs dagboek inleiden een citaat is uit Reves bekende debuut:

‘Over wie gaat het?’ vroeg Frits’ vader.
‘Over iemand anders,’ antwoordde Frits.

Het is een eerste indicatie dat dit geen autobiografisch geschrift als een ander zal worden, dat hier – zoals de titel reeds doet vermoeden – meerdere ikken aan bod zullen komen. Ik bestaat uit twee letters is dan ook opgedragen aan Hub.

In 2017 heeft Dautzenberg naast zijn vijftigste verjaardag heel wat te vieren: hij woont dan dertig jaar in Tilburg, is vijfentwintig jaar geleden afgestudeerd, leeft ruim twintig jaar in Tilburg-Noord, is tien jaar schrijver en vijf jaar getrouwd. Naast meer lezen en minder films kijken heeft Dautzenberg nog een belangrijk voornemen in 2017: hij wil de emotionele kloof met zijn broer proberen te dichten. Om dat voor elkaar te krijgen wil hij in april van dat jaar een maand lang bij hem gaan inwonen:

Hij heeft indertijd het ouderlijk huis gekocht en hij wil voor de gelegenheid de kamer waarin ik tot mijn negentiende sliep als logeerkamer inrichten. Hij reageerde meteen positief op mijn verzoek, ook hij wil blijkbaar dichterbij komen. ‘Je houdt het nog geen drie dagen uit,’ zei mijn moeder toen ik het haar vertelde. Ze zal versteld staan.

Dautzenberg heeft een problematische relatie met Hub (‘de enige echte spiegel’), een band die hij vergelijkt met die van Esau en Jakob uit het Bijbelverhaal. Behalve hun fysieke gelijkenis en het feit dat ze beiden aan het Peter Pan-syndroom lijden, zijn de broers volgens Dautzenberg vooral verschillend van elkaar:

Hij heeft een vriendin van 27, ik een vrouw van 42. Hij heeft twee kinderen, ik nul. Hij heeft een degelijke koopwoning, ik een groezelig huurflatje. Hij draagt hippe merkkleren, ik trek maar wat aan. Hij heeft een vaste baan, ik allang niet meer. Hij zet op zijn Facebookpagina: ‘quality time with the kids’, ik doe niet mee aan feestboek. Hij fotografeert, ik schrijf. Hij is twee keer gescheiden, ik ben één keer getrouwd.

Hub heeft twee zonen met wie hij niet kan communiceren. Emotioneel is hij totaal geblokkeerd, hij vlucht en wentelt zich in een slachtofferrol. In het gezin Dautzenberg was geen ruimte voor emoties, want die zorgden voor ongemak bij de vader en moesten koste wat het kost worden geëlimineerd:

Hub is bang voor intimiteit, net als ik, maar dan tot de macht drie. En net als mijn vader. Die laatste heeft de familiekwaal geëntameerd, maar daar kon hij niets aan doen, al denkt Hub daar anders over. Zijn vrienden kregen knuffels, zijn collega’s complimenten, de jongens van de voetbalelftallen die hij trainde aaien over de bol, maar ons, zijn zonen, kon hij nauwelijks aanraken. Dat probeerde hij wel, maar als kind voelde je dat het hem niet lukte: hij probeerde ons te strelen, maar de hand ging als een maaimachine over ons hoofd.

Toen Dautzenberg ging studeren kon hij het gedrag van zijn vader beter plaatsen, in tegenstelling tot zijn broer. Hij had de laatste tien jaar van zijn vaders leven zelfs een vriendschappelijke band met hem. Nu, aan de vooravond van zijn vijftigste verjaardag, wil hij op zoek gaan naar de wortels van die emotionele ‘misvorming’, die volgens hem liggen in het oorlogsverleden van zijn grootouders, de ouders van zijn vader, een gegeven dat hij eerder deels verwerkte in zijn roman Extra tijd (2012):

Mijn opa en oma waren lid van de NSB, dat is bekend. Mijn oma was Duitse, mijn opa groeide op in Duitsland, ze woonden in Kerkrade, een stad die letterlijk grenst aan Duitsland. Een context die grijstinten legitimeert. Na de oorlog werden mijn grootouders opgepakt en gevangengezet. Mijn opa kwam in een kamp in Eygelshoven terecht, mijn oma werd kaalgeschoren en tewerkgesteld in een hotel in Valkenburg.

Dautzenberg wil samen met zijn broer het Nationaal Archief in Den Haag bezoeken, waar van alle veroordeelde NSB’ers een dossier wordt bewaard. Daar kan hij de transcripties van de verhoren en de vonnissen betreffende zijn grootouders inzien. Het is, naast de logeerpartij bij zijn broer, meteen de tweede grote ‘expeditie’ die Dautzenberg in zijn dagboekjaar wil ondernemen.

Behalve Hub en zijn moeder is er nog een derde belangrijke speler in Dautzenbergs huidig universum: Maartje, zijn echtgenote. Dat ze getrouwd zijn, weet niemand (ten bewijze voegt Dautzenberg een foto van de huwelijksakte toe): de primeur staat in Ik bestaat uit twee letters, net als het verslag van de afstandelijke reacties van de familie wanneer die op de hoogte worden gebracht. Dautzenberg stelt Maartje in verschillende aantekeningen uitgebreid voor aan de lezers. Zij werkt in de jeugdzorg en begeleidt jongeren met een verstandelijke beperking. Het ‘literaire circus’ laat zij liever aan zich voorbijgaan. Dautzenberg woont niet samen met zijn echtgenote, ze zien elkaar gemiddeld twee keer per week. De lezer komt onderweg heel wat over haar te weten: Maartje heeft een ex-man, een kunstenaar; haar vader woont met zijn vrouw in de Provence; ze is enig kind; ze heeft een kwade dronk en scoort — net als Dautzenberg, zo zegt hijzelf — bovengemiddeld in het autistisch spectrum. Maartje bouwt muren om zich heen en houdt liever afstand, ook, tot zijn ergernis, ten opzichte van het werk van haar echtgenoot:

We hebben meermaals ruzie gehad omdat ze een boek van mij maanden nadat het klaar of al verschenen was nóg niet had gelezen. Volgens mijn redacteur Sander Blom is dit een bekend verschijnsel bij partners van schrijvers; wat gedeeld wordt met een publiek, is toch een beetje besmet.

De openhartigheid waarmee Dautzenberg zijn huwelijk en zijn echtgenote beschrijft is frappant, soms zelfs confronterend. Zo noemt hij haar liefde ergens ‘gecontroleerd’ en schrijft hij onverbloemd over seksuele tegenvallers of de onzekerheid die Maartje voelt over haar lichaam. Aan de andere kant wijdt hij minstens evenveel, zo niet meer, bijzonder tedere en liefdevolle aantekeningen aan zijn vrouw.

Niet zomaar een dagboek

De chroniqueur Dautzenberg grossiert in een veelheid aan vormen. Ik bestaat uit twee letters is meer dan alleen maar een dagboek: het is een bont amalgaam van verschillende genres en tekstsoorten, gegoten in de mal van een journaal. Naast dagelijkse, korte dagboeknotities (vaak opgedeeld in tijdsblokken als ‘Middag’, ‘Ochtend’ of ‘Nacht’) zijn zkv’s het best vertegenwoordigd in aantal, ‘zeer korte verhalen’ die nog maar eens bewijzen hoe sterk Dautzenberg op de korte baan is.

Brieven schrijven kan hij ook als de beste. De vele brieven aan schrijfbroeder Gerbrand Bakker bijvoorbeeld zijn spits, gedreven, grappig en drammerig. Andere, minder fortuinlijke correspondenten moeten het bekopen met Dautzenbergs toorn: een medewerkster van Abonnementenland (gewoon te knippen en plakken, mocht u ooit eens problemen hebben met een anonieme administratie), kunstbroeder Ted van Lieshout die zich misbegrepen voelt (met als geheide afsluiter de woorden ‘Immer overmoedig voorwaarts!’), een hardleerse fotograaf aan wie het begrip ‘auteursrechten’ in geuren en kleuren wordt geduid. Verder komen aan bod: een recept (‘Eilandsoep’), enkele paginagrote cartoons uit zijn favoriet magazine Donald Duck (door Dautzenberg samengesteld uit verschillende verhalen en van nieuwe teksten voorzien), enkele gedichten, een tiental foto’s, ontroerende telefoongesprekken met zijn overleden vader (zelfs een op een onbestaande dag, 29 februari 2017), enkele muziekpartituren (liederen), reisverslagen (reisje naar Rome, vakantie in Malta), een uitgebreid verslag van zijn vierdaags bezoek aan het metalfestival Roadburn, twee door Dautzenberg verzonnen en ‘vertaalde’ verhalen van de door hem bewonderde Daniil Charms en grafieken en schema’s ter duiding van een psychologische toestand.

Veel van Dautzenbergs fictiewerk is autobiografisch, maar in Ik bestaat uit twee letters gaat hij nog een stap verder. Faits divers, bekentenissen (zoals zijn huwelijk), impulsieve notities of zelfanalyses geven een behoorlijk compleet beeld van de schrijver én de persoon Anton Dautzenberg, hoewel sommige weetjes duidelijk onder de categorie too much information vallen. Bijvoorbeeld dat hij (door zijn moeder, lang verhaal, u leest het wel) schrik heeft van borsten groter dan cupmaat C, desondanks geregeld naar porno kijkt en in warm water automatisch aan zijn geslachtsdeel begint te frunniken. Minder psychoanalytische wist-je-datjes zijn onder meer dat hij lijdt aan tinnitus (‘het gevolg van honderden (metal)concerten die ik bezocht’) of dat hij geregeld overweegt om te stoppen met schrijven (‘maar acteren, kan en wil ik niet’).

Op dat schrijverschap en het literaire bestaan dat daar onlosmakelijk bij hoort, gaat Dautzenberg ook uitvoerig in. Op de kerstborrel van zijn vaste uitgeverij Atlas Contact heeft hij het gevoel ‘minder warm’ te worden onthaald. Hij is ‘de nicheauteur, een tikkeltje cult’. Dautzenberg worstelt met zijn reputatie, de suggesties van opportunisme en provocatie. Zijn boeken worden volgens hem in eerste instantie beoordeeld op basis van wat hij ‘buitenliterair geneuzel’ noemt. Het gaat steeds over hetzelfde lijstje: doneren van een nier (waar of niet waar?), zijn lidmaatschap van de pedofielenvereniging Martijn, de Quiet 500 en zijn vriendschap met de ‘gevallen’ wetenschapper Diederik Stapel. Allemaal activiteiten die een storm van kritiek deden losbarsten en tot bedreigingen, verwensingen en ontslagen hebben geleid:

Ik ben (en blijf?) besmet omdat ik als schrijver ‘moeilijke thema’s’ verken en pleit voor nuance en verbinding. Dat mag niet, vooroordelen moeten worden bevestigd, het zijn dankbare richtingaanwijzers, van taboes blijf je af.

Maar Dautzenbergs lenige persoonlijkheid en zijn gevoel voor humor houden hem recht: in de hoek van zijn werkkamer staat een authentieke schandpaal, een oorspronkelijke uit 1725 die hij ooit op een veiling kocht. Desondanks klaagt hij in zijn dagboek over de vele lauwe recensies waarop zijn werk door de bank genomen wordt onthaald. Daar wil hij met een nieuwe roman (‘een Druckkammerspiel dat zich afspeelt in een trein. Een Zugkammerspiel, haha’), waar hij volop mee bezig is, verandering in brengen:

Mijn treinroman is deels ook een reactie op het teleurgesteld zijn in die buitenwereld, vermoed ik, op de agressie en de eendimensionale domheid waarmee vaak op mij en mijn werk wordt gereageerd.

Met gevoel voor dramatiek beweert hij dat deze roman ‘het slotakkoord’ van zijn schrijverschap vormt:

Ik denk niet dat ik alles heb gezegd wanneer het af is, maar het einde van mijn schrijverschap nadert. Als de roman is voltooid, werk ik vermoedelijk nog aan twee boeken en dan ben ik klaar.

Vanaf eind september 2017 zat Dautzenberg voor een maand in het Roland Holsthuis om aan zijn treinroman te werken. Het verslag van dit verblijf is zonder meer een van de hoogtepunten in Ik bestaat uit twee letters. Andere memorabele momenten zijn het bezoek aan Gent (waar hij zijn jeugdvriend en collega-schrijver René van Densen gaat opzoeken en een partijtje biljart speelt met Dimitri Verhulst) en zijn uitstapje naar Marcel Möring, die sinds kort in De Wijk woont, op het platteland van de provincie Drenthe, een plek waar Dautzenberg met zijn groeiende drang naar isolement ook wel zou gedijen.

Het meest gedenkwaardig zijn wat mij betreft de magnifieke passages over Theo Sontrop, de befaamde gentleman-uitgever en volgens sommigen de échte kracht achter de reeks Privé-domein. Dautzenberg bezoekt Sontrop, die hij altijd al als een soort vaderfiguur zag, op Vlieland waar hij zich tussen de boeken van zijn befaamde bibliotheek heeft teruggetrokken. Sontrop heeft het onder andere over ‘de onuitputtelijke domheid van Martin Ros’ en wil zijn mening over een bepaalde schrijver die in Genua resideert bevestigd zien: ‘die Pfeijffer wordt overschat, vind je ook niet?’. Samen speculeren ze over een mogelijke titel voor Dautzenbergs dagboek. Uiteindelijk wordt de titel ontleend aan een zelfgecomponeerde Donald Duck-cartoon, waarin de bekende eend met zekerheid stelt: ‘Ik bestaat uit twee letters’.

Een myriade dagboeken

Ik bestaat uit twee letters wemelt van de dagboeken, brieven en memoires. In die zin kon het niet anders dan gepubliceerd worden in de reeks Privé-domein, ‘het pantheon van de bekentenisliteratuur’. Dautzenbergs lectuur lijkt zich toe te spitsen op egodocumenten. Zo komen twee van de drie motto’s uit dagboeken: Het verkoolde alfabet van Paul de Wispelaere (eveneens een Privé-domein) en Vlucht uit de tijd van Hugo Ball. Voor de resem zkv’s waarin Dautzenberg zijn jeugd probeert te reconstrueren, vindt hij inspiratie bij het werk van Michail Zosjtsjenko. In twee autobiografische boeken (Voor zonsopgang en Sleutels tot het geluk, geschreven in de jaren veertig en beide vertaald in de reeks Russische Miniaturen) beschrijft Zosjtsjenko zijn jeugd- en tienerjaren in korte vignettes (zkv’s, zeg maar), waarna hij die uitvoerig analyseert om de oorzaak van zijn aanhoudende zwaarmoedigheid te achterhalen:

In Voor zonsopgang kwam ik deze zin tegen: ‘Ik zegt iets over mijn hart.’ Uit de context maak ik op dat het een tikfout is, het moet zijn: ‘Ik zeg iets over mijn hart.’ Zosjtsjenko heeft het over een fysieke kwaal, niet over zijn ziel. Maar ‘ik zegt iets over mijn hart’ bevalt me beter. Een apologie van het ik.

Een tweede ‘voedingsbron’ om tot zijn jeugdjaren door te dringen, vindt Dautzenberg bij de schrijfster, filosofe en psychoanalytica Lou Andreas-Salomé. Vooral haar denkbeelden over de relatie tussen melancholie en kindertijd weten hem te boeien.

Op het moment dat Dautzenberg overweegt zijn jeugdherinneringen volgens ‘de methode Zosjtsjenko’ op te schrijven, beseft hij dat afstand houden noodzakelijk zal zijn. Die nood aan objectivering doet hem dan weer denken aan de roman De horizontale stand van Dmitri Danilov, een dagboek dat hij recent las en waarin het leven van de hedendaagse ‘Russische mens’ in een kurkdroge en lijdende stijl wordt beschreven. De dagboeknotities van Dautzenbergs vakantie op Malta (vijfendertig pagina’s lang) zijn geheel in de stijl van Danilovs ‘roman’ geschreven. Tijdens die vakantie op Malta leest Dautzenberg bovendien For two thousand years van Mihail Sebastian, een roman in de vorm van niet-gedateerde dagboeknotities. Van Viktor Sjklovski leest hij er zijn experimentele brievenroman Zoo of brieven niet over liefde en de memoires Sentimentele reis.

Bij het lezen van een fragment uit Torgny Lindgrens memoires Herinneringen (‘Het ik is poreus, het is een nevel, een fluïdum, een onbekend gas, een flakkerende kaarsvlam in een beangstigende duisternis.’) bedenkt Dautzenberg: ‘Dat kan kernachtiger: ik bestaat uit twee letters’, maar tegelijk kan hij niet anders dan het efemere van het geheugen onderkennen. Dautzenberg twijfelt meer dan eens aan de juistheid van zijn herinneringen, net als Lindgren, die zijn memoires net daarom het label ‘roman’ meegaf. Veel zou wel eens verzonnen, fictie kunnen zijn:

Was mijn vroege jeugd wel zo gelukkig als ik me herinner, als ik me wíl herinneren? Ik ben bang van niet. Die immer stralende zon zegt genoeg. De herinneringen tonen mijn verlangen. Het verleden is maakbaar, manipuleerbaar.

Dautzenbergs dagboek is een Privé-domein ‘op bestelling’, een geënsceneerde reconstructie van een jaar waarin hij ‘het vergrootglas voortdurend op zichzelf richt.’ Tijdens het schrijfproces voelen alle mensen om hem heen aan als motieven, ‘alsof ze functioneel aanwezig zijn’. Hij verzucht: ‘Eigenlijk probeer ik continu míjn werkelijkheid te deconstrueren, maar dat streven biedt vrij weinig houvast.’ De ‘dagboekblik’ boezemt hem meer dan eens angst in, zo erg zelfs dat hij zich al zorgen begint te maken over de publicatie van Ik bestaat uit twee letters:

Het bijhouden van een dagboek accelereert de onrust, het kwadrateert het bewustzijn, het doet zelfs pijn. De vergankelijkheid van het leven gaat een verbinding aan met het ego en dat is behoorlijk confronterend. Wie was ik, wie ben ik en wie zal ik zijn? Ik ben bang dat ik daar nooit achter zal komen – te veel blinde vlekken en overlevingsmechanismen.

Er zijn inderdaad blinde vlekken, want ergens op het einde van het dagboek vertelt Dautzenberg over een wandeling die hij maakt met een vriend. De auteur heeft net slecht nieuws gekregen over iets, maar hij is categoriek: ‘Er zijn gebeurtenissen waar ik niet over kan schrijven.’ Er is wel degelijk een deel van Dautzenberg dat onzichtbaar wil blijven.

Zoals gezegd, komt een van de motto’s uit De avonden. Wat Dautzenberg gemeen heeft met Frits van Egters is zijn obsessie met de dood. Bij het fictief personage gaat het vooral over verval, bij de schrijver over zelfdoding. In Ik bestaat uit twee letters vertelt hij ronduit over een jeugdige zelfmoordpoging en over een steeds weerkerende zelfmoordfantasie, die bestaat uit het springen van de beruchte klif in Beachy Head:

In mijn dromen is het nacht, pikkedonker. Ik neem een aanloop en duik de diepte in, het zwart. Ultieme rust, vrede, een zalig gevoel golft door mijn lijf…

Die ‘Sprong In De Leegte’-fantasie met een hoog Yves Klein-gehalte (‘armen gespreid, borst vooruit, kin omhoog, tenen gestrekt’) is maar een van de vele allusies op zelfmoord. Dautzenberg heeft het bijvoorbeeld over de zelfgekozen dood van Chris Cornell, hij bezoekt het graf van Joost Zwagerman en hij citeert Jan Arends (‘Je / laat jezelf / los / in de lucht’). Meer dan eens komt De laatste deur van Jeroen Brouwers ter sprake. Begin december, daags voor zijn vijftigste verjaardag, trekt Dautzenberg zich vier dagen lang terug in de Abdij Koningshoeven in Berkel-Enschot. Daar leest hij (eindelijk) De laatste deur. Wanneer hij terug thuis is, vraagt hij zich af hoe je best ‘de dag voordat Abraham verschijnt’ doorbrengt: Donald Duck brengt soelaas. De laatste dagboeknotitie is de gedetoureerde foto van een in de leegte springende Yves Klein, gelukzalig zwevend in de lucht.

‘Privé-domein’ nummer 298 is op veel vlakken een buitenbeentje in een vrij traditionele reeks egodocumenten. Het opzet blijft klassiek, maar dankzij een dynamische uitwerking slaagt Dautzenberg er moeiteloos in een uitgesleten genre volledig naar zijn hand te zetten. Ik bestaat uit twee letters is een intense literaire constructie, die op het einde van de rit loutering, schoonheid en troost oplevert. Het is een spitant journaal geworden, royaal en vurig, verrassend en weerbarstig, net als zijn auteur. Om te eindigen, een geruststellend citaat dat Dautzenberg zelf als mogelijk motto voor zijn dagboek voorstelt: ‘De eerste vijftig jaar zijn het moeilijkst’. Met andere woorden: immer overmoedig voorwaarts.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?