cover big

Een behulpzame zeeman in dienst van God

Geert Buelens

Over Zeitoun van Dave Eggers

Vertaald door Maaike Bijnsdorp en Lucie Schaap

Lebowski, Amsterdam, 2009,
ISBN 9789048803057 / p.

(4) reactie(s) - geplaatst op 11-01-2010

Bookmark and Share

Het lezen van Zeitoun is een niet-alledaagse ervaring. Ook wie in augustus 2005 en nadien de berichtgeving over de orkaan Katrina heeft gevolgd, ook wie de indrukwekkende, ontluisterende en aangrijpende documentaire When the Levees Broke van Spike Lee zag, ook wie dus denkt te weten waaraan zich te kunnen verwachten, is niet voorbereid op dit verhaal over hoe een modelinwoner van New Orleans niet zozeer door het water dan wel door een doorgedraaid overheidsapparaat wordt meegesleurd en, bijna, op de knieën gebracht.

Wanneer Katrina in aantocht is en de uit Syrië geïmmigreerde, voorbeeldig geïntegreerde en zonder meer maatschappelijk geslaagde aannemer Adulrahman Zeitoun besluit om in New Orleans achter te blijven om de bezittingen van zijn gezin te beschermen, vindt zijn vrouw Kathy dat niet zo’n best idee. Haar man mag dan al het met veel verhalen en ervaringen onderbouwde imago hebben van het type mens dat zich overal zonder kleerscheuren doorheen weet te sleuren, ook hij is natuurlijk niet onsterfelijk. Zij vertrekt alvast met de kinderen naar veiliger oorden.

In eerste instantie lijkt alles mee te vallen. Wanneer de dijken het begeven en de stad onder water loopt, begint zeemanszoon Zeitoun in zijn kano door de buurt te varen, op zoek naar mensen en dieren die hij kan helpen. De dankbaarheid van wie door hem wordt gevoed of anderszins bevoorraad is groot. In deze fase is Zeitoun tegelijk een subtiele subversie als een triomfantelijke bevestiging van de waarden die door the American dream worden uitgedragen. Ook een moslim kan het na 9/11 en alle racisme ten spijt door hard werken ver brengen in de Verenigde Staten. Meer nog: wanneer zich een ramp voltrekt, ontpopt juist hij zich tot een held die doet wat de ordediensten en hulpverleners nalaten. En hij acht zich daartoe, zoals het een Amerikaan betaamt, uitverkoren door God (ook al noemt hij die dan Allah). ‘Hij was ervan overtuigd dat het zijn roeping was om te blijven en dat God wist dat hij zijn nut zou bewijzen als hij bleef. Zijn keuze om in de stad te blijven was Gods wil geweest.’ Op die manier rechtvaardigt Zeitoun ook zijn eigen koppigheid, tegen het advies van zijn Amerikaanse vrouw en in Syrië en Spanje wonende familieleden in die, via die ene nog werkende telefoonlijn in een van Zeitouns huizen, erop blijven aandringen dat hij zou vertrekken. Wanneer hij tijdens zijn werkzaamheden wordt gefilmd en geïnterviewd door een verslaggever, ziet hij dat als een kans om zijn familie duidelijk te maken hoezeer hij excelleerde in wat hij aan het doen was. God stelde hem op de proef en hij zou daarbij niet falen. ‘Daarom hoopte hij, hoe kinderachtig dat misschien ook klonk, dat zijn broers en zussen hem zo op het water in de weer zagen, als behulpzame zeeman in dienst van God’.

Zoals het wel vaker gaat met behulpzame dienaren van God is niet iedereen het eens over zijn goede intenties. Ook Zeitoun blijkt kwetsbaar te zijn wanneer hij, ongeveer een week na de doortocht van de orkaan, samen met een andere Syriër en de Amerikaanse huurder van het huis met de werkende telefoonlijn wordt opgepakt. Eerst denken ze nog dat het hun straf is omdat ze, tegen het verplichte evacuatiebevel in, de stad niet hebben verlaten. Wanneer ze bij het station in een geïmproviseerde en tegelijk akelig professioneel gerunde gevangenis worden gegooid, beseft Zeitoun dat er iets niet in de haak is. ‘Dit was puur een militaire operatie’. En zelfs dat blijkt nog voorzichtig uitgedrukt. Als een soldaat hun toeschreeuwt ‘Jullie zijn Al-Qaeda’ wordt duidelijk waarin ze terecht zijn gekomen: een contraterroristische actie.

Het volstrekt kafkaëske verhaal dat hierop volgt, laat van het All American(s)-gevoel niets meer heel. Abu Ghraib en Guantanamo Bay blijken zich ook gewoon in New Orleans te kunnen afspelen en de vertwijfeling die zich meester maakt van de gevangene en zijn familie die wekenlang geen idee heeft waar hij is, of hij nog in leven is of niet, drijft stilaan ook de lezer tot wanhoop. Dat het, net als bij Eggers debuut A Heartbreaking Work of Staggering Genius (2000) en zijn geroemde Soedanese vluchtelingenepos What Is the What (2006), om een waargebeurd verhaal gaat, vergroot dat effect nog. De auteur haalt uiteraard alle mogelijke literaire middelen uit de kast om dit verhaal te vertellen (vooral de briljant gedoseerde opbouw valt hierbij op, waarbij hij afwisselend via Adulrahman en diens vrouw Kathy focaliseert), maar dat het onvoorstelbare zich echt heeft afgespeeld kun je maar niet geloven.

De spanning literatuur-werkelijkheid scoort ook nog op ander niveaus. Literaire trucjes die bij ‘normale’ romans al snel irriteren (de manier waarop het water altijd al het leven van de Zeitouns heeft beheerst en andere al te keurig in elkaar passende motieven; Zeitouns bouwbedrijf dat in de openingspassages dapper strijdt tegen het verval van huizen die door Katrina meedogenloos op één dag verwoest zullen worden en andere dramatische voortekenen…) vergroten het gevoel van tragiek, precies omdat het zich allemaal zo heeft afgespeeld. Uiteraard is het de romancier Eggers die op uiterst efficiënte wijze de personages en motieven heeft geselecteerd en door elkaar heeft geweven, maar hij doet dat zo sober en onnadrukkelijk dat het effet de réel er alleen maar door wordt versterkt.

Begon Eggers’ debuut nog met vermoeiende postmoderne spelletjes waarin de onvermijdelijke fictionalisering van een waar gebeurd verhaal tientallen bladzijden lang werd gethematiseerd in voorwoorden en inleidingen, sindsdien is zijn werk steeds nadrukkelijker gepresenteerd als non-fictie. ‘We live in a time when even the most horrific events in this book could occur, and in most cases did occur,’ schreef de Soedanese vluchteling Valentino Achak Dengs in het voorwoord tot de als ‘roman’ betitelde ‘autobiografie’ die Eggers op basis van zijn verhalen schreef in What Is the What. Het verhaal dat wordt verteld in Zeitoun behoort tot diezelfde categorie van ‘horrific events’, maar deze keer zijn alle aanwijzingen in het boek erop gericht het werkelijkheidsgehalte van het verhaalde te benadrukken. Het korte voorwoord zet meteen de toon: ‘Dit is een non-fictieboek dat voor het merendeel gebaseerd is op de verhalen van Abdulrahman en Kathy Zeitoun. De data, tijdstippen, locaties en andere feiten zijn bevestigd door onafhankelijke mondelinge en schriftelijke bronnen. Gesprekken zijn weergegeven naar beste herinnering van de betrokkenen. Sommige namen zijn gewijzigd.’ Achterin volgt een lijst personen, publicaties, websites, instellingen en organisaties die Eggers hebben geholpen of die hij interviewde – een opsomming die een keer of vier langer is dan die in What Is the What. Over ‘fictie’ en ‘roman’ wordt nergens meer gesproken.

Dat elk feit in dit boek door onafhankelijke bronnen is bevestigd maakt van Zeitoun in wezen een journalistiek product – nooit kwam het in Tolstoj, Flaubert of Proust op om hun door minutieuze research gestutte verhalen door externe bronnen te laten confirmeren. Al vanaf zijn debuut heeft Eggers aangegeven dat hij niet in eerste instantie is geïnteresseerd in de waarheid die door fictie gereveleerd zou kunnen worden. Hem gaat het om de waarheid van het werkelijke leven. Waar hij eerst nog aanhalingstekens rond dat ‘werkelijke’ of ‘echte’ plaatste, zette hij dat postmoderne overbewustzijn per boek meer van zich af.

In 2004 doceerde Eggers een semester aan de Graduate School of Journalism in Berkeley. Zowel What Is the What als Zeitoun zijn producten van de Voice of Witness-boekenreeks die als gevolg van die cursus werd opgezet. Het verhaal van Abdulrahman en Kathy Zeitoun maakte deel uit van de bundel Voices from the Storm die in 2005 onder redactie van Chris Ying en Lola Vollen bij McSweeney’s verscheen. Toen Eggers de Zeitouns ontmoette, zag hij al snel in dat zich hier een verhaal aandiende dat nog groter en verstrekkender was dan wat al was opgetekend. Het journalistieke verslag leidde tot een boek dat niet langer gepresenteerd wordt als een ‘roman’, maar – in de grootse traditie van John Hersey’s net weer in het Nederlands gepubliceerde Hiroshima (1946, Meulenhoff, 2009) – onder meer door het gebruik van alle mogelijke literaire technieken tot de verbeelding spreekt van iedereen die het leest.

Zowel de Voices of Witness-reeks, What Is the What als Zeitoun getuigen van een onwrikbaar geloof in het maatschappelijke, journalistieke, literaire en, jawel, humanistische belang van orale geschiedschrijving. Aan het einde van What is the What kondigt de verteller aan dat hij de in het boek verzamelde verhalen zal blijven vertellen: ‘I will tell these stories to people who will listen and to people who don’t want to listen, to people who seek me out and to those who run. All the while I will know that you are there. How can I pretend that you do not exist? It would be almost as impossible as you pretending that I do not exist.’ Het slot confronteert de lezer met zijn neiging weg te willen lopen van zoveel vrijwel onoplosbaar leed, maar is tegelijk en misschien nog wel veel meer een uiting van de onlosmakelijke verbondenheid van mensen. Sinds mensenheugenis drukken we die verbondenheid uit door elkaar verhalen te vertellen. Meer nog dan geopolitieke analyses en bestuurlijke rapporten slagen die verhalen erin mensen duidelijk te maken wat er zich op de wereld afspeelt.

Verantwoording

Een uitvoerigere versie van dit stuk verschijnt in het volgende nummer van nY.

4 reacties

Geert Buelens schreef een mooi en nieuwsgierig makend stuk over Zeitoun, maar in deze passage raak ik wel wat in de war:

“Literaire trucjes die bij ‘normale’ romans al snel irriteren (…) vergroten het gevoel van tragiek, precies omdat het zich allemaal zo heeft afgespeeld. Uiteraard is het de romancier Eggers die op uiterst efficiënte wijze de personages en motieven heeft geselecteerd en door elkaar heeft geweven, maar hij doet dat zo sober en onnadrukkelijk dat het effet du réel er alleen maar door wordt versterkt.”

Want zijn die truuks nou onnadrukkelijk of irritant? Is het nou tragisch omdat het echt gebeurd is, of lijkt het echt gebeurd omdat het allemaal zo knap is geschreven? Of is het een slang die in zijn staart bijt, ofwel: het is knap geschreven, dus lijkt het echt gebeurd, dus komt Eggers met zijn kunstigheid weg? Of eventueel: het is echt gebeurd, dus dat legitimeert Eggers truuks, want die laten het echter gebeurd overkomen?

Maar wat maakt nou uiteindelijk dat we in dat spel meegaan? De truuks, de werkelijkheid, wat wij denken dat de werkelijkheid is, of pure gretigheid - naar verhalen, of naar hoop, of naar de zekerheid dat wíj althans geen ongevoelige cynische smeerlappen zijn geworden? Met andere woorden, tegen welke prijs is het precies dat Eggers dat postmoderne overbewustzijn van zich af heeft mogen zetten?

  • Door Samuel Vriezen
  • gepost op
    13-01-2010, om 4:52:46

Uit betrouwbare bron heb ik vernomen dat dit nu juist de kwesties zijn waar Buelens’ uitvoerigere versie in nY op in zal gaan. Geduld is een schone zaak.

  • Door Jeroen van Rooij
  • gepost op
    15-01-2010, om 2:15:26

Misschien is het een beetje verwarrend dat de recensent hier bepaalde ‘literaire trucjes die bij “normale” romans al snel irriteren’ in verband brengt met een ‘werkelijkheidseffect’ – een term die werd gemunt door de Franse criticus Roland Barthes. ‘Werkelijkheidseffecten’ ontstaan volgens Barthes door de aanwezigheid van allerlei ‘nutteloze details’ en ‘onbetekenende vermeldingen’ in romans. [Zie Roland Barthes, *Het werkelijkheidseffect*, Historische Uitgeverij, 2004, vert. Rokus Hofstede.] Zulke details hebben op het eerste gezicht niet de minste structurele betekenis voor het fictieve verhaal, en daarom verhogen ze de realistische illusie ervan. De elementen uit *Zeitoun* die Geert Buelens hier vermeldt, zijn echter op het eerste gezicht ‘al te keurig in elkaar passende motieven’: zaken die dus juist té betekenisvol lijken. Geen details. Het ligt er te dik op. Het lijkt verzonnen, maar toch heeft het zich - tragisch genoeg - wel degelijk zo afgespeeld. Incroyable mais vrai. De recensent prijst de auteur omdat hij erin geslaagd is om al dat werkelijk-betekenisvolle ‘zo sober en onnadrukkelijk’ door elkaar te weven dat het alsnog realistisch overkomt: even werkelijk als het was…

  • Door Piet Joostens
  • gepost op
    18-01-2010, om 11:30:25

Interessante recensie, met interessante reacties, waarin boeiende spanningsvelden tussen feit en fictie aan de orde komen. Zelf zag ik nog enige spanning bij het volgende. Aan de ene kant wordt dit boek een ‘journalistiek product’ genoemd, en wordt vermeld dat Eggers in de waarheid van het werkelijke leven geinteresseerd is en niet in de waarheid die fictie zou reveleren. Maar aan de andere kant wordt de geslaagheid van dit ‘journalistieke product’ niet alleen maar toegeschreven aan de werkelijkheidsgraad ervan, maar juist ook aan de literaire technieken, de vormgeving, de dosering, het perspectiefgebruik. Het journalistieke gehalte zou dan toenemen door het literaire gehalte; alles draait wel om ‘waarheid’, maar kennelijk zijn toch literaire technieken nodig om daarin een diepere kern bloot te leggen? Of is die diepere kern fictief, omdat die afhangt van Eggers persoonlijke literaire talent en zijn eigen wijze van vormgeven? Wordt Eggers boek nu meer en op een diepere manier ‘waarheid’ door zijn literair vernuft? Of wordt door zijn gebruik van literaire stijlmiddelen (en de’voelbaarheid van de spanning tussen literatuur en werkelijkheid) die waarheid juits met fictie vermengd?

U merkt het allemaal al: ik kom er niet uit. Wie wel?

  • Door nico van der sijde
  • gepost op
    20-01-2010, om 8:40:16

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?