cover big

Een elastische utopie

Lucas Hüsgen

Over Wieren van Miek Zwamborn

Van Oorschot, Amsterdam, 2018,
ISBN 9789028280274 / 176p.

(1) reactie(s) - geplaatst op 12-05-2018

Bookmark and Share

Persoonlijke documentaires, zo zou je het proza van Miek Zwamborn (1974) kunnen noemen. Al sinds haar debuut Oploper (2001) houdt zij zich nauwgezet en beeldend bezig met telkens nieuwe aspecten van de werkelijkheid, met speciale aandacht voor de wisselwerking tussen mens en natuur. Daaraan voegt ze nu Wieren toe. Zoals de titel al doet vermoeden, gaat dat boek over die taaie en sierlijke lagere planten die wij als wieren of algen kennen en die, zoals zij vertelt, al 1,7 miljard jaar op aarde zijn.

Ik herinner mij een gesprek waarin Zwamborn in het midden liet of haar debuut stoelde op eigen ervaring of een product van de verbeelding was. Dus ik houd een slag om de arm als ik zeg dat de ik-figuur in het nieuwe boek alleszins de indruk wekt Zwamborn zelf te zijn, maar het zou dus kunnen dat ze nooit een tijd op het Schotse eiland Mull heeft doorgebracht. Die ik-figuur kwam daar niet terecht vanwege de wieren, maar leerde ze er wel waarderen. Al snorkelend en strandjuttend verdiept ze zich steeds verder in hun bestaan. Zwamborn bericht daar zo plastisch en direct over dat je al vanaf de eerste pagina een grote nabijheid voelt. Als dit al fictie is, dan voelt ze toch als heel accurate non-fictie. Hier wordt scherp gekeken en warm meegeleefd, gecombineerd en geschakeld, en steeds duikt er wel een formulering op die de zaak nog eens extra puntig neerzet, zoals bij de vondst van een stukje riemwier, dat in prille staat blijkbaar aan een hoedje doet denken:

Door de vondst van dat hoedje verandert het strand in een uitgestrekte zandvlakte waarop een klein personage iets verloor. De schaal van het landschap ligt helemaal overhoop.

Datzelfde landschap heeft Zwamborn juist uitvoerig beschreven. Wat je net gelezen hebt, verandert zomaar opeens compleet – en komt daardoor al bijna dichterbij.

Liefdesbetuiging

Toch maken de onmiddellijke natuurervaringen niet het leeuwendeel van het boek uit: ze vormen eerder de aanleiding voor een caleidoscopisch lexicon van wetenswaardigheden. Zo beleef je hier een exploratie van wieren als natuurlijke wezens, maar ook als culturele fenomenen. Al gebeurt dat min of meer thematisch geordend, toch ontstaat eerder een archipel van essayistische eilanden waartussen zo nu en dan de eigen belevenissen mogen opduiken, alsof je als lezer door een kolonie wieren heen probeert te zwemmen. Daarnaast is het boek rijkelijk voorzien van illustraties, met als ritmisch verdeeld hoogtepunt de welhaast op het surrealisme (met name Yves Tanguy) vooruitlopende botanische tekeningen van William Henry Harvey uit 1849. De tederheid en ‘óngelooflijke elegantie’ waarmee deze wetenschapper zijn nauwe betrokkenheid toonde, noemt Zwamborn een ‘liefdesbetuiging’. Dat valt met evenveel recht van haar eigen boek te zeggen.

Die liefde van haar wordt mede bepaald door het met warmte besproken vrouwelijk-sensuele aspect van zeewier, met zijn vrijelijk uitwaaieren dat zelfs als inspiratiebron voor rokjes heeft gediend. ‘Zeewieren,’ zegt ze, ‘zijn verleiders ten top. Ze behoren tot de sensueelste familie in het plantenrijk.’ En niet alleen dat: er is ook nog de al duikend ontdekte rijkdom van levensvormen onder water, met zijn allen in beweging een model vormend voor menselijk leven:

In de onderlinge verbindingen zou je zo een voorbeeld kunnen zien waarin soorten verdraagzaam zijn, elkaar staande houden in de stroom om te overleven. Pure symbiose.

Ritscha

Diezelfde levendige verdraagzaamheid wordt gracieus weerspiegeld in Zwamborns symbiose van feiten en vertellingen. Ze onderhoudt je over de verschillende soorten wier die er blijken te bestaan – in de lopende tekst zelf en systematisch in de appendix waar de botanische informatie vergezeld gaat van tekeningen door Zwamborn, die ook beeldend kunstenaar is. Ze brengt verslag uit van haar wierenresearch in wetenschappelijke bibliotheken en het Rijksherbarium te Leiden. Ze weidt uit over de opmerkelijke namen die verschillende talen aan verschillende soorten zeewier hebben gegeven. We leren dat het met uitsterven bedreigde Reto-Romaans, gesproken in de Zwitserse Alpen, niet geheel onverwacht geen woord voor ‘zeewier’ kent, wat dan weer aanleiding vormt voor een verhandeling over het Reto-Romaanse woordenboek waaraan al sinds 1904 wordt gewerkt, en dat recent met zijn veertiende deel de letter M heeft bereikt. En dan mogen we weer begrijpen dat die taal wél een woord kent voor ‘haarlok’ waarmee tegelijkertijd een fabelwezen wordt aangeduid dat als oud wijf uit het water omhoogkomt en stoute kinderen de diepte in trekt. Dit woord ‘Ritscha’ zal, zo is Zwamborn bezworen, in 2039 opduiken in het lexicondeel, gewijd aan de letter R.

Eierwrak

Zonder Zwamborn hadden we dit nooit geweten. Het is een van die momenten in haar boek waarop ze de schoonheid van nutteloze kennis toont. Wieren hebben zelfs de geschiedenis van het copyright mede bepaald, zo leert het verhaal over de op wieren gebaseerde stofontwerpen van William Kilburn (1745-1818), die ter bescherming van zijn werk de basis legde voor het auteursrecht op textiel. Ook worden we getrakteerd op heel verschillende artistieke verwerkingen van wier: film, beeldende kunst, literatuur passeren de revue, met een sterke nadruk op Japans werk, wat niet verwonderlijk is, gezien de belangrijke rol die algen in de Japanse keuken spelen. Van daaruit komen we snel terecht bij hun medicinale en voedzame kwaliteiten, krijgen we uiteindelijk zelfs een reeks nauwkeurig beschreven recepten voorgeschoteld, zelf weer doorspekt met interessante vertellingen vol wetenswaardigheden en persoonlijke belevenissen.

Zo weet ik nu dat knotswier (waar ik ook nog nooit van gehoord had) op zijn Engels Knotted Wrack of Egg Wrack heet. Maar dat verknoopte wrak kan zelf weer worden verward met suikerwier, en dan heb je ook nog eens bruinwier dat ook wel knoop wordt genoemd. En dat levert weer gedachtegangen op over Zwamborns grootvader en knopen in het algemeen. Dit allemaal binnen grofweg één hele pagina. Het vertellen slingert zich als wier om zijn elementen. Vorm dekt inhoud, inhoud dekt vorm.

Eigen traditie

Nu zijn er ondanks alle scherpzinnige overgave bij dit weelderige boek toch een paar kanttekeningen te plaatsen. De minste daarvan is een gemiste wetenswaardigheid in het relaas over de Japanse houtsnijkunst die bekend staat als ukiyo-e. Het is zeker waar dat die van grote invloed was op Europese kunstenaars als Vincent van Gogh en Paul Gauguin, maar het is toch interessant om nog even aan te vullen, dat ukiyo-e in oorsprong het resultaat is van een ontmoeting met de westerse traditie. Die verliep eerst via lessen in westerse schilderkunst door Portugese jezuïeten, vervolgens de westerse houtsneden die via de Nederlandse handelspost Deshima in Japan binnendrongen. Je kunt het ook zien: in de ukiyo-e ontwikkelt zich een eerder westers lineair perspectief. Toen Van Gogh dacht nieuwe exotische inspiratie op te doen, verloor hij zich eigenlijk in de Japanse versie van zijn eigen traditie.

Maar goed, Zwamborn levert al zo’n stortvloed aan informatie die op zichzelf uitermate lezenswaardig is – ik noem nog maar eens de toenemende groene algensoep als gevolg van al te voedselrijk water. Tegelijkertijd blijft de ik-figuur daardoor te zeer op de achtergrond, waardoor de tekst bij alle liefde voor het onderwerp weleens in het neutraal encyclopedische dreigt te verzanden. Echt jammer vind ik hoe de steeds zo nauwgezet overkomende research niet consequent is doorgezet, en dan met name in de laatste twee pagina’s. Die nemen de trekken aan van een messianistische apotheose, alsof het boek daartoe eigenlijk geschreven is.

EROEI

Het behoort zeker tot de goede literaire zeden om in een recensie de afloop van een boek niet te verklappen, en daar had ik me graag aan gehouden, ware het niet dat Zwamborn niet zomaar wat informatie mist, waardoor het op zichzelf mooie boekje in een eco-technologische wensdroom belandt met te weinig oog voor reële problemen. Dat slotakkoord werft voor het gebruik van zeewier als een van de oplossingen voor onze energiebehoeften, omdat fossiele brandstoffen op termijn uitgeput zouden raken.

Dat laatste klopt op zichzelf al niet. Het probleem is niet het uitgeput raken, maar de mogelijkheid van een zogeheten EROEI voor olie van 1 of minder dan 1. Die afkorting staat voor Energy Returned On Energy Invested, oftewel de netto energie-efficiëntie: hoeveel eenheden energie win je vanuit één eenheid energie die de energiebron gebruiksklaar moet maken.

De EROEI van steenkool ligt (door nog altijd grote reserves en relatief makkelijke winning) ergens rond de 20, een van de hoogste van alle energiebronnen. De EROEI van olie lag aan het begin van de twintigste eeuw rond de 100. Inmiddels is die gekelderd tot ongeveer 10, door enorm verbruik en doordat het steeds moeilijker werd olie te winnen. De EROEI van wieren is omstreden. De gunstigste berekeningen komen uit op 3,33, en dat is heel behoorlijk, de pessimistische daarentegen op 0,13, dus grofweg zeven keer meer energie erin dan eruit, een enorme verspilling, vergelijkbaar met het ergste olie-scenario. Oftewel: het is een beetje een gok.

Zo zijn er nog tal van niet te onderschatten problemen die het onwaarschijnlijk maken dat we binnen afzienbare tijd wieren als wijdverbreide energiebron kunnen inzetten, zoals alleen al de enorme hoeveelheden water die je voor een klein beetje productie nodig hebt. De situatie lijkt dus minder rooskleurig dan Zwamborn in haar liefde doet voorkomen. Een iets neutralere research was hier minstens op zijn plaats geweest, en meer onafhankelijkheid tegenover het door de ik-figuur bezochte symposium te Scheveningen waar de zeewierindustrie bijeenkwam. De nadrukkelijke plaatsing als apotheose op het einde van boek verleent het geheel een betekenis die het alleen al stilistisch zo mooie werk eigenlijk niet nodig heeft. Ik bedoel: is niet het vermogen van zeewier tot een esthetisch verlokkelijke, sensuele symbiose van ongelijksoortigheden al energieke maatschappelijke utopie genoeg?

Toch weet ik nu wel hoe je zeemeerminconfetti maken moet; met zeesla, ongezouten boter, witte basterdsuiker, witte bloem en eigeel. Zou weleens net zo goed kunnen smaken als het merendeel van de pagina’s van Zwamborns jongste boek. Tijd voor een boodschappenlijstje dus.

1 reacties

Wat een gedreven en geïnspireerde recensie! Wat de kwestie fictie of non-fictie betreft, deze link:
http://knockvologan-studies.eu/.

  • Door Erik de Smedt
  • gepost op
    12-05-2018, om 1:08:52

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?