cover big

Een goddelijke kakkerlak

Lodewijk Verduin

Over De passie volgens G.H. van Clarice Lispector (vert. Harrie Lemmens)

De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 2018,
ISBN 9789029514194 / 256p.

(3) reactie(s) - geplaatst op 27-08-2018

Bookmark and Share

Er hangt een zweem van ondoorgrondelijkheid rond het oeuvre van Clarice Lispector (1920-1977). Na uitstekend werk van haar Amerikaanse biograaf Benjamin Moser gold zij de afgelopen jaren in de Verenigde Staten en in Europa als een ware literaire ontdekking. Sterker nog, de schrijver, die in Brazilië nog altijd de status van een legende heeft, werd onthaald als een verloren gewaand kopstuk van de modernistische avant-garde: haar werk werd terugblikkend tussen dat van grootheden als Virginia Woolf en James Joyce gezet.

Haar schrijven is echter dermate singulier dat Lispector alleen met geweld in een historische stroming kan worden geplaatst. Weliswaar heeft ze enkele sterk experimentele boeken geschreven, die veel weg hebben van modernistische stream-of-consciousnessromans, maar andere werken zijn weer nadrukkelijk naturalistisch of doen denken aan naoorlogse filosofische of existentialistische romans, terwijl ze ook teksten schreef die in een eschatologische of mystieke traditie lijken te staan.

De kunstenaar Lispector is historisch dus lastig te plaatsen. Ook bij leven stond ze al te boek als een ‘moeilijke schrijver’. In haar dagbladkronieken, waarvan een selectie als De ontdekking van de wereld (2016) in de ‘Privé-domein’-reeks verscheen, lijkt zij hier in 1968 op te reageren: ‘Ik ben zo mysterieus dat ik mezelf niet begrijp.’ Het schrijven bevindt zich volgens Lispector dan ook niet in het domein van het begrijpelijke of volkomen rationele. Eerder is het een zoekende bezigheid die naar onontgonnen gebieden kan leiden, de lezer tot inzichten brengt die niet altijd van het brein van de auteur zelf afkomstig zijn. Lispector beschouwt de schrijver als relatief machteloos en dat schemert het sterkste door in haar indrukwekkende laatste roman, Het uur van de ster (1977). In dat boek, dat vorig jaar door De Arbeiderspers werd heruitgegeven, probeert een auteur tevergeefs de grenzen tussen literatuur en wereld te overschrijden, om te ontdekken dat het werkelijke leven zich niet in taal laat vatten.

Nu verschijnt voor het eerst een vertaling van de roman die volgens critici een keerpunt in het oeuvre van Lispector vormde: De passie volgens G.H., oorspronkelijk uitgegeven in 1964. Ook dit is een experimentele, mysterieuze roman, waarvan de op het eerste oog bizarre verhaallijn in vrijwel elke publicatie over Lispector wordt opgerakeld en geresumeerd: een vrouw vindt en doodt een kakkerlak in haar huis en denkt hier vervolgens ruim tweehonderd bladzijden over na. Dat klinkt ongetwijfeld wat absurd, maar het zou zonde zijn een uniek, filosofisch en grensverleggend boek als De passie volgens G.H. tot een dergelijke sketch te reduceren. De rijkdom van deze roman, die verhaaltechnisch misschien wat elementair en smal lijkt, komt namelijk pas in een diepere interpretatieve lezing aan het licht.

Het leven onder de deklaag

De hoofdpersoon van deze roman is G.H., een in Brazilië wonende gegoede dame, die met gunstige beleggingen een klein fortuin heeft vergaard. Zij bevindt zich aan het begin van het boek in haar penthouse. Haar dienstmeid, Janair, heeft ontslag genomen en G.H. is voornemens om het dienstvertrek schoon te maken, zodat vervangend personeel er spoedig in kan trekken. Over het verdere leven van G.H. verneem je niet veel, hoewel het verhaal vanuit de eerste persoon wordt verteld en er veel ruimte is ingelast voor haar gedachten en herinneringen. Biografische informatie lijkt zij zelf niet belangrijk te vinden: ‘Je hoeft maar naar de initialen G.H. op het leer van mijn koffers te kijken en je hebt mij. Ook van de anderen zou ik niet meer eisen dan de eerste deklaag van hun initialen.’

Het is dus de deklaag van G.H. waar je het in deze roman aanvankelijk mee moet doen. Lispector houdt de verhaalwereld uitermate kaal; de beschrijvingen van het appartement, dat het enige decor vormt, zijn spaarzaam en weinig gedetailleerd, personages als Janair worden alleen zijdelings beschreven. Hierdoor lijkt het alsof de onderdelen van het verhaal zo anoniem, en daardoor zo open mogelijk worden gehouden: G.H. zou vrijwel iedere mogelijke gegoede vrouw kunnen zijn, haar penthouse zou overal ter wereld kunnen staan. Deze kaalheid geeft de vertelling iets kernachtigs; het is een basale manier van vertellen die doet denken aan mythes, sagen en Bijbelvertellingen, waar de tekst alleen het meest noodzakelijke biedt en de lezer de rest zelf mag invullen.

Dit buitenwerk heeft ook niet al te veel aandacht nodig, omdat Lispector je vanaf de eerste pagina onder de oppervlakte trekt. Door het afgesloten vertelperspectief krijgt de tekst de vorm van een lange monoloog, waarvan niet altijd duidelijk is of die inwendig is of niet: G.H. spreekt af en toe ook een gefingeerde lezer aan, en zegt dat ze hem iets moet vertellen. Het lijkt dus alsof G.H. een brief schrijft, of een soort van dagboek. Toch is wat er wordt verteld veel te introspectief en te eclectisch om een communicatieve tekst te zijn. G.H. registreert alle gedachten, ervaringen en sensaties die zijn voortgebracht door een bepaalde gebeurtenis, die aanvankelijk niet nader wordt beschreven. Die belevingswereld wordt met veel aandacht voor zintuigelijke ervaringen vastgelegd, in een tastende stijl vol gedachtekronkels en filosofische uiteenzettingen. De stijl van dit intense, onderzoekende schrijven doet denken aan negentiende-eeuwse filosofische romans als Aantekeningen uit het ondergrondse (1864) van Fjodor Dostojevski en Honger (1890) van Knut Hamsun – ook hier wordt de tekst gedreven door een koortsig verlangen om de eigen gedachtes en denkpatronen te verbeelden, onderzoeken en verklaren.

Maar wat is het dan dat moet worden verklaard? G.H. zegt het als volgt:

[I]k zoek. Probeer te begrijpen. Aan iemand over te dragen wat ik beleefd heb, en ik weet niet aan wie, maar ik wil wat ik beleefd heb niet voor mezelf houden. Ik weet niet wat ik aan moet met wat ik beleefd heb, ik ben bang voor die diepe ontregeling.

Deze openingszinnen, die een aardige impressie geven van de teneur van de rest van het boek, refereren aan een zekere gebeurtenis, en de ontregeling die daarop volgt. Wat de bron hiervoor precies is, wordt pas na zo’n zestig pagina’s duidelijker.

Het breekpunt vormt de eerdergenoemde confrontatie met de kakkerlak. Bij het openen van de kledingkast in de verder al volledig gestripte kamer, staat G.H. opeens oog in oog met dit grote insect. Haar eerste reactie is walging. Dit lijkt volkomen instinctief, maar in haar reflecties probeert G.H. te achterhalen waarom het beest haar zo afschrikt. Al snel is zij de gemeenplaats dat insecten simpelweg vies of unheimisch zouden zijn voorbij: wanneer zij het complexe voorkomen van de kakkerlak bestudeert, moet ze tot de conclusie komen dat ook dit een welgevormd, in principe vredig organisme is. Nee, de schok wordt door iets diepers voortgebracht. G.H. ziet de kakkerlak als een symbool voor het gehele niet-menselijke leven op aarde. Dat komt niet alleen door de vermeende nietigheid van de kakkerlak, maar vooral door de ouderdom en alomtegenwoordigheid van zijn soort:

Wat me altijd heeft afgestoten aan kakkerlakken is dat ze verouderd en toch hedendaags zijn. De wetenschap dat ze al exact hetzelfde als nu bestonden toen de eerste dinosaurussen nog niet waren verschenen, de wetenschap dat de eerste opgedoken mens ze al in grote aantallen had zien rondkruipen […].

De oeroude kakkerlak ging vooraf aan de mens, en leefde, ‘bestond’ al op een vergelijkbare manier voordat de mens überhaupt kon nadenken over het ‘zijn’. Dit besef doet G.H. wankelen: ‘[I]k had vol schrik en walging het gevoel dat “ik zijn” afkomstig was uit een veel oudere bron dan de menselijke, en, o afgrijzen, veel groter dan de menselijke.’ En deze ontmoeting met het ‘zijn’ leidt G.H. tot enkele religieuze of zelfs mystieke overwegingen, die de kern van dit boek vormen.

Eenheid en fragmentatie

De implicaties die dit besef voor haar wereldbeeld heeft, verwoordt G.H. zo:

De wereld had zijn eigen werkelijkheid teruggevorderd, en zoals na een natuurramp was het afgelopen met mijn beschaving: ik was nog slechts een historisch feit. Alles in mij was teruggevorderd door het begin der tijden en door mijn eigen begin. Ik was overgegaan naar een eerste primair niveau, ik stond in de stilte van de wind en in het tijdperk van koper en tin - in het eerste tijdperk van het leven.
Luister, de ergste ontdekking daar tegenover die kakkerlak was dat de wereld niet menselijk is en dat wij niet menselijk zijn.

Deze denkende zinnen zijn qua stijl exemplarisch voor Lispector, die, aldus Moser, de neiging heeft om aforistisch en associatief te schrijven, waardoor stormachtige opstapelingen van gedachtes en sensaties ontstaan. G.H. ziet tot haar schrik in dat er een vorm van bestaan is die voorafgaat aan het menselijke, in dit geval het dierlijke insectenleven, dat vele eeuwen ouder is dan de mens. Vanuit een hedendaags perspectief kan deze realisatie ongetwijfeld worden begrepen als de uitputting van een antropocentrisch wereldbeeld. G.H. ontdekt dat de menselijke bestaansvorm niet verheven is boven het bestaan van andere organismen, beseft zelfs nederig dat het menselijk ‘zijn’ vele malen jonger is dan andere vormen, en dat de homo sapiens zich daarom respectvol zou moeten opstellen ten opzichte van zijn voorgangers. Maar hoewel dat hedendaagse begrip in de praktijk vaak lijkt samen te vallen met een volstrekt materialistisch of darwinistisch perspectief op niet-menselijk leven, is het wereldbeeld van Lispector en haar G.H. anders: het ‘zijn’ is in dit boek geen natuurfenomeen, maar een verheven, goddelijke staat.

De God die in deze tekst enkele malen voorbijkomt is niet een strikt antropomorfe God. Hij is geen al dan niet onafhankelijke schepper van de wereld, maar hij is ook de schepping die van hem doordrongen is. Zodra G.H. zich dit door de aanblik van de kakkerlak realiseert, of herinnert, zorgt dit mystieke eenheidsconcept voor een crisis: al wat is, wordt door het goddelijke verbonden, maar G.H. voelt zich buitengesloten van deze totaliteit. Haar isolatie van het ‘zijn’, en de daaruit volgende eenzaamheid, wordt veroorzaakt door het ‘menselijke’, rationele zelfbewustzijn, dat zich boven andere manieren van ‘zijn’ heeft verheven. De tweede helft van deze roman staat in het teken van de opheffing van dit onderscheid. G.H. probeert zich los te koppelen van de menselijke verhevenheid en zoekt naar manieren om zich opnieuw te verenigen met het grotere, goddelijke zijn: ‘Want wat ik ineens wist was dat het moment was aangebroken om niet alleen te hebben begrepen dat ik niet meer moest transcenderen, maar om ook werkelijk niet meer te transcenderen.’

Het verlangen om het onderscheid tussen zelf en ander, individu en wereld op te heffen is weliswaar een klassiek mystiek thema, maar het is Lispectors eigenzinnige invulling hiervan die van dit boek een uitgesproken religieus project maakt. Zo keren eenheid en eenwording op verschillende symbolische wijzen in de roman terug. In de eerste plaats op een formele wijze: elk hoofdstuk begint met de laatste zin van het vorige. De delen staan dus niet op zichzelf, maar dragen elkaars begin in zich, waardoor ze een keten vormen. Deze verbondenheid wordt totaal doordat de eerste en laatste zin onvolledig zijn en deels uit afbreektekens bestaan, waardoor ze met elkaar te verbinden zijn. Net als Finnegans Wake (1939) kan de roman daardoor technisch gezien circulair worden gelezen. De tekst vormt zo zelf een eenheid; een totaal waarvan alle delen samenhangen.

Op thematisch gebied is Lispectors gebruik van christelijke, meer bepaald katholieke symboliek van groot belang. De crux hiervan zit in de titel vervat: onder ‘de passie’ wordt over het algemeen het verhaal van het leven en lijden van Jezus Christus verstaan. Verwant hieraan zijn de evangeliën uit het Nieuwe Testament, de vier verslagen van het leven van Christus, steeds ‘volgens’ een andere discipel. De titel van Lispector is afgeleid van een combinatie van deze twee types vertellingen: De passie volgens G.H. lijkt te verwijzen naar een evangelie of passie, het lijdensverhaal van Jezus, maar dan niet verteld door een apostel, maar door deze G.H. Een zeer letterlijke lezing van die titel levert hier weinig op – in de roman komt Christus noch kruisiging voor – maar een theologisch georiënteerde interpretatie des te meer. In het katholicisme wordt de komst van Jezus namelijk als een belangrijk proces van eenwording gezien. Met Christus zendt de oudtestamentische God, die slechts vanuit de hemelen toezag op de mens, zijn zoon. Deze zoon wordt binnen sommige tradities op een mystieke wijze gelijkgesteld met God. De komst van Jezus symboliseert dus ook de komst van God op aarde, waardoor het goddelijke en het menselijke verenigd zijn. Na de dood van Christus en zijn terugkeer naar God werd binnen het katholicisme gezocht naar manieren om eenheid te herstellen en de verhouding tussen mens en God te bestendigen. Van deze gebruiken is het toedienen van de hostie tijdens de Heilige Mis het belangrijkste ritueel. Door het consumeren van het lichaam van Christus vindt de consecratie plaats: God wordt in stoffelijke vorm opgenomen in het lichaam van de mens en is zodoende weer aanwezig op aarde, en deel van de mens, waardoor opnieuw een vorm van eenheid ontstaat.

Geheel in overeenstemming met de titel is de belangrijkste scène van De passie volgens G.H. dan ook een moment van vergelijkbare eenwording. Wanneer G.H. zich over haar initiële walging heen zet en bereid is om het ‘zijn’ dat buiten haar ligt te omarmen, resulteert dit in een even spectaculaire als subtiele verzoening tussen mens en dier, individu en totaliteit. Het onalledaagse ritueel dat G.H. hierna verricht is de absolute maar vluchtige climax van deze roman. Deze consecratie ontketent een bijna explosieve religieuze ommekeer in G.H., belichaamd door Lispectors overweldigende, extatische zinnen, die door het uitmuntende vertaalwerk van Harrie Lemmens ook in het Nederlands hun buitenissigheid hebben behouden:

O, ik ben mijn schroom kwijt: God is al. We zijn al aangekondigd, en mijn verkeerde leven heeft me de weg gewezen naar het juiste. Zaligheid is het onafgebroken genot van het ding, de voortgang van het ding bestaat uit genot en contact met datgene wat jou gradueel harder nodig heeft. Heel mijn frauduleuze strijd kwam van het feit dat ik mezelf geen belofte wilde doen die ik moest inlossen: ik wilde de werkelijkheid niet.
Werkelijk zijn is immers jezelf iets dwingends beloven: je eigen onschuld en weer de smaak oppakken waarvan je je nooit bewust bent geweest: de smaak van het levende.

Geloof in het leven

Net zoals haar grootse slotwerk Het uur van de ster, eindigt De passie volgens G.H. dus op een vitalistische noot. De mystiek, het proces van eenwording en het openstaan voor het ‘zijn’ worden in dit boek niet in de eerste plaats opgevoerd om een theologisch punt te maken of om een modernistische weerslag van de menselijke geest te kunnen bieden; uiteindelijk gaat het Clarice Lispector om hoe de mens zou moeten leven.

Wat G.H. zich door de kakkerlak lijkt te realiseren, is dat haar eenzaamheid een product van de zelfbewuste, menselijke conditie is: redelijk, antropocentrisch denken heeft haar vervreemd van het grotere, wereldse bestaan en van het goddelijke ‘zijn’. Die fragmentatie wordt op majestueuze wijze opgeheven; de mystiek openbaart zich zodoende als een pad naar een vollediger bestaan, een manier om de wereld tegemoet te treden.

Deze verbijsterende roman neemt alle ruimte en tijd om de lezer mee te slepen door alle fases en sensaties die G.H. doormaakt. Lispector dompelt je onder in dit warrige netwerk van gedachteprocessen en weet daar tegen het einde een adembenemende mystieke ontwikkeling uit te laten opstijgen. Tot op de laatste uitzinnige regels, waarin taal en begrijpelijkheid worden losgelaten om het ‘zijn’ volledig te kunnen ondergaan, blijft De passie volgens G.H. een fascinerende en vernietigend emotionele roman. Het is dan ook alleen maar gepast om dit pure, religieuze boek te onthalen als wat het is: een absoluut meesterwerk.

3 reacties

Mooie, goed onderbouwde bespreking van een prachtig boek! Dank! Dankzij deze recensie is ook de religieuze lading van dit boek mij nog weer wat helderder geworden. Ook maakt deze recensie mooi duidelijk dat deze roman draait om een totale breuk in het antropocentrische denken, en dat die breuk - die tegelijk een vernietiging inhoudt van elk rationeel en emotioneel houvast- nieuwe mystieke paden opent, nieuwe horizonten, nieuwe manieren om de wereld tegemoet te treden.


En toch vraag ik mij af of die religieuze lading niet nog wat paradoxaler, spannender en vreemder is dan uit deze recensie naar voren komt. Neem alleen al het feit dat G.H. tot haar extase komt door de verwarrende en m.i. volkomen groteske horror-aanblik van een creperende kakkerlak, en het besef dat die kakkerlak - net als wij-  uit oeroude materie bestaat die aan elke betekenis en rationele vorm vooraf gaat. Het ontwrichtende besef dat wij ook uit dergelijke materie bestaan, en dus niet wezenlijk anders of hoger zijn dan een creperende kakkerlak, is uiterst ontwrichtend; juist die ontwrichting is totale blikseminslag die G.H. voor de ruïnes van haar wereldbeeld doen staan en DAT leidt in mijn beleving tot een extase, een onthechting aan het eerdere antropocentrische wereldbeeld. Een dergelijke extase is m.i. moeilijk te vergelijken met een rationeel geloof in een Hoger Licht en een rustgevende hogere waarheid. Voorts wordt die extase met allerlei paradoxen beschreven: het Goddelijke vermengt zich met het Duivelse, liefde voor het Goddelijke vermengt zich met existentiële angst en walging, de scenes waarin de extase hun vorm krijgen hebben veel weg van totale horror, en vaak wordt het Goddelijke ook met negaties aangeduid die mij sterk doen denken aan de negatieve theologie.

Wat ik mij kortom afvraag is dit: is het Goddelijke, zoals dat in “De passie volgens G.H.” wordt beschreven, niet het Totaal Andere (vgl. Heinrich Otto)? De gangbare Christelijke God vertegenwoordigd meestal een hogere waarheid die aan het aardse ontstegen is, een antwoord op alle aardse vragen. Maar is het Goddelijke bij Lispector niet eerder een geïntensiveerd culminatiepunt van alle vragen, twijfels en angsten? Is het mystieke pad dat zij opent, net als overigens het pad dat diverse mystici hoopten te openen, niet doordesemd van twijfels, aporieën, onzekerheden, duisterheid en angst? En voert dit pad niet, juist doordat het perspectieven opent voorbij onze al te beperkte antropocentrische horizon, ook naar vertwijfeling en horror? Gaat dus het “pad naar een vollediger bestaan”, waar Verduin terecht van spreekt,  bij Lispector niet per definitie ook samen met een duisterheid en een existentieel risico waar de meesten van ons helemaal van terugschrikken? Kan je, gezien al deze duisterheden en dubbelzinnigheden, zelfs wel spreken van “een pad”?

Aldus mijn vragende aanvullingen op deze mooie recensie. Ik zou wel benieuwd zijn naar reacties van Lodewijk Verduin en anderen daarop!

  • Door nico van der sijde
  • gepost op
    29-08-2018, om 11:48:04

Tjonge, en ik maar denken dat interactie de bedoeling was……..

  • Door nico van der sijde
  • gepost op
    15-10-2018, om 7:08:13

Maar goed, inmiddels is mij duidelijk geworden dat Lodewijk Verduin wel degelijk reageerde op mijn reactie, en dat alleen een technisch probleem(pje?) de interactie in de weg staat! Dus mijn brommerige opmerking hierboven trek ik weer in!

  • Door nico van der sijde
  • gepost op
    19-10-2018, om 1:14:17

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?