cover big

Een mislukte Oedipus

Jeroen van Rooij

Over Caesarion van Tommy Wieringa

De Bezige Bij, Amsterdam, 2009,
ISBN 9789023429975 / 365p.

(5) reactie(s) - geplaatst op 18-10-2009

Bookmark and Share

Na het onverwachte succes van Joe Speedboot komt Tommy Wieringa met een roman die, anders dan zijn voorganger, niet direct de speelse verbeelding aanspreekt, maar de diepte ingaat. Caesarion snijdt niet alleen zware thema’s aan, de roman zoekt ook nadrukkelijk aansluiting bij de klassieke high culture met verwijzingen naar Sofokles, Homerus en Joseph Conrad. Of dat een verstandige keuze is, valt te bezien.

Ludwig Unger, de hoofdpersoon van Caesarion, is een Oedipus die een odyssee onderneemt – er zijn personages die minder cultureel gewicht hoeven te torsen. De lezer voelt aan zijn water dat Wieringa Iets Belangrijks aan de orde wil stellen.

Oedipus is, in ieder geval sinds Freud Sofokles’ tragedie Oedipus Rex gebruikte om de menselijke ontwikkeling te duiden, een van de belangrijkste personages uit de wereldliteratuur. Hij vertegenwoordigt sindsdien ieder van ons. Bij Freud is het Oedipuscomplex immers onderdeel van het psychische bouwplan van ieder mens. Wie een individu wil worden, moet eerst een Oedipus zijn. Uiteraard is Freuds opvatting over de ontwikkeling van de mens (of in dit geval: de man) niet noodzakelijk waar, en ze is zeker niet zo alomvattend als hij ons wil doen geloven. Maar de universele aanspraken van de freudiaanse theorie maken van Oedipus in de literatuur een (modernistische) Elckerlyc.

Door de manier waarop Oedipuscomplex zich bij Ludwig manifesteert – of liever:  hoe het bij hem ontspoort – wordt het duidelijk dat Wieringa iets groters wil aankaarten: de psychoanalyse van een generatie, van een tijd, van een maatschappij. In de figuur van Ludwig Unger moet de lezer iets van zichzelf zien.

Pedagogisch gezien is Caesarion opgebouwd als een worst case scenario. Ludwigs moeder, Marthe Unger, en vader, Bodo Schultz, zijn respectievelijk pornoster en kunstenaar als ze elkaar ontmoeten. Marthe stopt voor hem als pornoactrice, Bodo verlaat haar kort na Ludwigs geboorte. Vervolgens ontwikkelt zich een relatie tussen moeder en zoon die akelig intiem is, vooral in de scènes waarin Marthe Ludwig opmaakt.

Er is overigens niet altijd sprake van een innige relatie tussen moeder en zoon. Marthe laat haar zoon ook regelmatig maandenlang aan zijn lot over. Ludwig raakt behoorlijk messed up van deze vreemde verstandhouding. Hij ontwikkelt een intense seksuele belangstelling voor zijn moeder. Hij trekt zich ritueel af na hun gezamenlijke opmaaksessies. Ook later, wanneer Ludwig zijn moeder verlaten heeft, probeert hij haar terug te vinden in de oudere vrouwen naar wie zijn erotische interesse uitgaat.

Tot vervelens toe, zou ik daaraan willen toevoegen. Want het lijkt erop dat Wieringa voortdurend vreest dat zijn lezers iets over het hoofd zullen zien. Het volstond blijkbaar niet om de ultieme driehoek moeder-vader-zoon als dreigend motief in het boek te verweven. Wieringa blijft er steeds op een weinig subtiele manier naar wijzen. En dat terwijl hij niet veel heeft toe te voegen aan de overbekende thema’s als de (gesublimeerde) seks met de moeder en de symbolische vadermoord. In Caesarion zijn ze er, omdat het belangrijke literaire thema’s zijn.

Ook de relatie met Ludwigs ouders lijkt te evolueren omdat het freudiaanse schema het dicteert en niet omdat er een innerlijke noodzaak in schuilt, of omdat Wieringa er een maatschappelijk fenomeen mee blootlegt. Ludwig wordt strategisch heen en weer geslingerd tussen zijn dominante moeder en (zijn voorstelling van) zijn afwezige vader. Zij maakt van hem een vrouw, hij is de inspiratie voor Ludwigs zoektocht naar een mannelijke identiteit. En geen van beiden krijgen ze hun zin.

Alleen een buurman – een dappere surrogaatvader die niet is voorbestemd door psychoanalytische spelletjes en concreet iets probeert te veranderen in het leven van alledag – wijst even de goede weg, maar Ludwig is te ver heen om daar nog echt oog voor te hebben. Zijn wereld wordt gedomineerd door zijn absente vaderfiguur en de problematische moederbinding, totdat in een even apocalyptische als symboolzwangere scène zijn hele leven letterlijk in het schuim van de golven verdwijnt. Het huis waarin hij samen met zijn moeder woonde wordt weggeslagen door de zee, waarin we wellicht het eeuwig moederlijke zouden moeten lezen.

Waarom? Dat wordt nooit echt duidelijk. De symboliek doet vooral erg gewild aan. Naar een diepere betekenis, naar uitspraken die enig belang hebben buiten de romanwereld van Caesarion, blijft het tevergeefs zoeken.

Nadat zijn huis in de golven is verdwenen, raakt Ludwig op drift. Helaas geldt dat ook steeds meer voor de roman. Voortbordurend op de thema’s die in het eerste deel van de roman aan bod komen, worstelt Caesarion zich naar het einde. In het resterende deel krijgt de lezer nauwelijks nog iets interessants voorgeschoteld. Natuurlijk, er zijn verwikkelingen. Het spel van aantrekken en afstoten, van walging en verlangen tussen moeder en zoon herhaalt zich. Op verschillende plaatsen, in verschillende gradaties, dat wel, maar het blijft hetzelfde. Zijn moeder blijft het object van zijn lusten en zijn vader blijft de grote afwezige, tot de ontknoping.

Ondertussen stapelen de ergernissen zich bij de lezer op. Neem bijvoorbeeld Wieringa’s stijl. Die is op zijn zachtst gezegd onevenwichtig. De metaforen zijn zelden raak, zinnen komen gewrongen over en de toon is inconsequent. Ludwig als verteller schiet regelmatig door naar registers die meer van een reisbrochure of een zelfhulpboek weg hebben dan van een jongeman. Soms gebruikt Wieringa weinig inventieve plotelementen als de toevallig passerende toeristengids en het reisboekje om zulke passages te rechtvaardigen, op andere momenten pruttelt Ludwig richtingloos een heel ander vocabulaire binnen.

Als Ludwig verliefd is, worden de zinnen bijvoorbeeld ineens veel langer. Tenminste, dat lijkt zo. Waarschijnlijk om Ludwigs woorden het aura van opgewonden verliefdheid mee te geven, vervangt Wieringa namelijk ineens met grote regelmaat zijn punten door komma’s. Dat levert zinnen op als: ‘Met een eenvoudig gebaar opende ze een perspectief voorbij vandaag, over een paar weken zouden we nog eens samen zijn, of nog steeds, het luchtte me op dat er dingen gebeurden die niet met mijn moeder te maken hadden.’ De liefde. Dat magische gevoel wanneer punten in komma’s veranderen.

Regelmatig is de vertelstem van Ludwig ronduit oubollig. In zekere zin past dit bij deze vroegoude jongeman – je verwacht niet van een moederskindje uit een Engels dorp dat hij zich de taal van de straat uitdrukt. Toch is ook dat een ongelukkige keuze. Ludwig is al bijna volledig initiatiefloos en door zijn knullige manier van formuleren, wordt zijn gevoelsleven ook nog eens behoorlijk vlak weergegeven. Het is vooral aan Ludwigs moeder, een veel kleurrijker en interessanter personage, te danken dat de roman niet voortijdig vastloopt in Ludwigs stroperigheid.

Dat brengt me bij het voornaamste bezwaar dat ik tegen Caesarion heb. Hoewel de roman, en ook de manier waarop Wieringa zich erover uitlaat, telkens suggereert dat hij iets te zeggen heeft, draait de totale sufheid van Ludwig uiteindelijk die ambitie genadeloos de nek om. ‘Dit is het vaderloze tijdperk,’ tekende Arjan Peters voor De Volkskrant uit Wieringa’s mond op. Ludwig vertegenwoordigt dat tijdperk – hij is onze mislukte Oedipus. Maar is die Ludwig wel een kind van zijn tijd? Je bent geneigd om die vraag bevestigend te beantwoorden. Als kind van een megalomane kunstenaar en een pornoactrice is hij de vertegenwoordiger par excellence van het laatkapitalistische spektakel dat ons omgeeft, waarin alles tot beeldcultuur geworden is en zelfs het intiemste gebaar een performance is. Maar waarom gaapt er dan toch zo’n enorm gat tussen Ludwig en zijn tijd? Waarom lijkt ieder personage, inclusief zijn moeder, toch zo veel jonger, vitaler en levenslustiger dan Ludwig?

Labbekakkerig sjokt Ludwig door het leven. Her en der is hij barpianist. Dan speelt hij een deuntje uit een Hollywoodfilm, een nummer van Simon and Garfunkel of iets van Elton John: neutrale achtergrondmuziek waarin nooit een sprankje leven heeft gezeten. Talent lijkt hij niet te bezitten, passie al helemaal niet. En hij heeft ook geen Joe Speedboot om hem met een stevige kickstart op weg te helpen.

Caesarion lijkt zich, net als zijn hoofdpersoon, in een soort tijdsvacuüm te bevinden. De porno van Ludwigs moeder is ouderwets, evenals de kunstopvattingen van zijn vader (die wel heel opzichtig naar Nietzsche verwijzen). Kort heeft Ludwig een vriendinnetje, Sarah, dat betrokken is bij antiglobalistisch aandoende protesten. Ludwig zelf blijft daarbij, vanzelfsprekend, slechts een toeschouwer, terwijl dat antiglobalisme op zich ook al redelijk achterhaald is. Schuilt er immers wel hoop in het linkse idealisme uit de tijd van voor 11 september 2001? Toen internet klaarblijkelijk web 1.0 was, maar bijna niemand dat doorhad, omdat versie 2.0 nog in de ontwerpfase zat? Kunnen we nu nog ons voordeel doen met de verworvenheden van de tijd toen Sadam Hoessein nog leefde, en de Taliban nog regeerden in Afghanistan?

Caesarion als geheel gaat gebukt onder die sensatie: het boek leest als een eigenaardig, maar achterhaald artefact, als een cadeau uit de vorige eeuw dat je nu pas uitgepakt hebt. Alle verwijzingen, of het nu gaat om de evergreens die Ludwig speelt of de klassieken uit de wereldliteratuur waarnaar de roman verwijst, weigeren actueel te worden. Deels omdat ze al behoorlijk uitgekauwd en platgeslagen waren voor Wieringa aan zijn boek begon, maar vooral omdat ze niet tot leven gewekt worden.

Als je het cynischer bekijkt, probeert Wieringa in Caesarion alle ingrediënten van een belangwekkende roman te stoppen. Hij verwijst overduidelijk naar de buitenliteraire werkelijkheid (met name naar de relatie tussen kunstenaar Jeff Koons en pornoster Cicciolina en het kind dat daaruit voortkwam) en poogt daar met behulp van een paar big guns uit de canon grip op te krijgen, er een analyse van te geven. Die analyse zou dan eigenlijk Iets Belangrijks over onze cultuur, onze leefwijze moeten zeggen.

Die strategie faalt op twee fronten. Om te beginnen missen Wieringa’s referenties aan de laatpostmoderne Westerse cultuur ieder venijn, omdat ze achterhaald zijn. Ludwig is ongeveer dertig jaar oud als de roman eindigt, zo rond het jaar 2007 of 2008. Maar de wereld van de achttienjarige Ludwig is precies dezelfde als die van tien jaar later.

Ten tweede ent Wieringa zijn roman zoveel mogelijk op klassieke bronteksten, zonder dat duidelijk wordt waarom hij dat doet of zelfs maar wat de reden is om nu juist voor deze teksten te kiezen. Neem bijvoorbeeld de manier waarop Caesarion de structuur van de Odyssee overneemt. Net als Odysseus komt Ludwig bij aanvang van de roman op een eiland aan. Beiden ontmoeten ze een vrouw, waarna ze vertellen over hun vele omzwervingen tot het moment waarop ze op het eiland arriveerden. Bij Homerus rechtvaardigt dit element de structuur van zijn hele epos. Odysseus doet zijn verhaal op dezelfde manier als de Oudgriekse eposzanger zijn optreden: ’s avonds bij het vuur, voor een etend en drinkend gezelschap. Maar bij Wieringa heeft de raamvertelling geen andere betekenis dan de obligate verwijzing naar Homerus. Bovendien is die vertelling in de Odyssee slechts een opmaat naar de grande finale, terwijl in Caesarion aan het eind slechts op ongeïnspireerde wijze de eindjes aan elkaar worden geknoopt.

Wieringa’s vorige boek Joe Speedboot, was een roman die de verbeelding voorop stelde. De onvoorwaardelijke lust for life van de titelheld dreef de plot voort als een soepel draaiend motortje. Joe Speedboot ontsteeg de middelmaat door zijn lichtheid – een beetje als Joe zelf, met zijn eigenhandig gebouwde vliegtuigje. Met Caesarion wil Tommy Wieringa, zoals gezegd, de diepte in, maar blijft hij steken in de modder.

5 reacties

Achterop een boek van Coetzee las ik ooit de blurb: ‘Quietly stylish’. Een mooie omschrijving van Caesarion zou zijn: ‘Loudly stylish’. Mij was het allemaal veel te bombastisch. Daarnaast zijn de dialogen kwetsend ongeloofwaardig…

  • Door Captain Ahab
  • gepost op
    20-10-2009, om 3:23:42

‘Ludwig Unger, de hoofdpersoon van Caesarion, is een Oedipus die een odyssee onderneemt – er zijn personages die minder cultureel gewicht hoeven te torsen. De lezer voelt aan zijn water dat Wieringa Iets Belangrijks aan de orde wil stellen.’

Heel scherp gezien. Slim idee ook, dat Caesarion een boek uit de vorige eeuw is.
Zelf vond ik de eerste helft van Caesarion knap, gecontroleerd geschreven - daarna slaat het door in clichébeelden en pathetiek. Alsnog denk ik dat Tommy Wieringa niet mag klagen met deze recensie; Jeroen van Rooij weet er meer culturele referenties in te zien dan Wieringa er in heeft gestopt (gok ik).

  • Door joostdevries
  • gepost op
    20-10-2009, om 6:59:58

Wat een onzinnige kritiek van Van Rooij. Alsof je de uitspraak ‘ik rotzooi maar wat aan’ van Karel Appel als kriterium zou nemen om zijn werk te beschouwen.
Uitgaan van wat een auteur over zijn werk beweert is net zo zinnig als uitgaan van wat de groenteboer over het werk te zeggen heeft: de roman is een autonoom kunstwerk dat met eigen stem spreekt. En aanspreekt of niet. Een deel van van Rooijs irritatie is ronduit grappig: het is een primaire door de roman BEDOELDE reactie, maar de katharsis wordt helaas door deze recensent gemist.
Het is ook wel even wennen, in een literair Nederland waar elke zin die langer is dan vijf woorden als saai en ingewikkeld wordt bestempeld.
Nee, ik ben niet overtuigd en blijf bij mijn eigen oordeel:
http://www.boox.nl/nl/boek-caesarion-9789023429975

  • Door Jan Maurits
  • gepost op
    19-11-2009, om 1:43:56

Dag Jan,

Je uitspraak ‘de roman is een autonoom kunstwerk dat met eigen stem spreekt’, is natuurlijk ook maar een geloofsartikel. De roman is net zo autonoom als wij willen dat hij is. Dat is een leeshouding die zo zijn merites heeft. Waar zouden we het immers nog over hebben, als we de roman niet zelfstandig en grondig kunnen lezen? Ik vind echter dat het daarbij niet ophoudt; literatuur wordt voor mij pas interessant als ze zich ergens over uitlaat, zich engageert voor mijn part. Autonomie veroordeelt de literatuur tot een veel te krap hok.

Mijn stellige overtuiging is dat zelfs Wieringa het hierover met mij eens zou zijn. En ik zie in deze roman ook een poging om iets te zeggen, of, cynischer, om te doen alsof de roman iets te zeggen. In mijn ogen mislukt dat. Ik geloof niet in wat de roman te zeggen zou hebben. Daarbij voer ik auteursuitspraken slechts als secundair ‘bewijsmateriaal’ aan. In mijn interpretatie van de roman stuit ik telkens weer op een schokkende leegte, een totaal gebrek aan visie. Dat is de basis.

Overigens heb ik ook stevige bezwaren tegen de romanstructuur. Dus zelfs al vond ik dat de roman een autonoom artefact was, dan vond ik het nog een rotboek.

  • Door Jeroen van Rooij
  • gepost op
    20-11-2009, om 2:24:52

@ Joost: Jij leest in de romanstructuur een aantal grote vorobeelden… hoe kun je daar bezwaar tegen hebben? Ik lees ze niet. Ik lees ook, heb ik het idee, een heel ander boek. Niet elke moederbinding is een Oedipus-verhaal. Deze moeder-zoon relatie lijkt eerder op die van de kleine Romeinse keizer uit ‘Een berg van licht’ van Couperus, een auteur waarvan ik dan weer vermoed dat Wieringa die gelezen heeft; een soort van mannelijkheid die zich in een zachte, vrouwelijke omgeving ontwikkelt, juist zónder het contrapunt van de vader. Dat is nu juist heel opmerkelijk in dit boek: dat die vader tot en met het einde welliswaar geweten aanwezig is, maar niet psychisch gemist. De zoektocht op het einde is bepaald geen Odyssee.
Over de roman als autonoom kunstwerk zijn we het, zo te zien, wel eens, ook dat het een axioma is.
Je schrijft in je reactie ‘ik geloof niet in wat de roman te zeggen zou hebben’. Ik kan me niet voorstellen dat je die zin zo bedoelt.

  • Door Jan Maurits
  • gepost op
    28-11-2009, om 11:01:24

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?