cover big

Een redelijk en zinvol boek

Frederik Polfliet

Over De Bijbel. Een vrij zinnige lezing van Ludo Abicht

Uitgeverij Vrijdag, Antwerpen, 2016,
ISBN 9789460014673 / 255p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 16-11-2016

Bookmark and Share

Bloch en bevrijdingstheologie

In Het lunapark en andere plekken (2008), dat we kunnen lezen als een levensbeschouwelijke autobiografie, vertelt Ludo Abicht (1936) hoe de Bijbel zijn pad bleef kruisen, ook nadat hij met zijn uittreden uit de jezuïetenorde in het begin van de jaren zestig een compleet andere weg was ingeslagen. Toen de ondertussen overtuigd ongelovige in Tübingen college liep bij de marxistische filosoof en atheïstische theoloog Ernst Bloch ried deze zijn studenten aan in eerste instantie grondig de Bijbel te bestuderen:

Ik die gedacht had bij deze marxistische en atheïstische jood eens en voorgoed van mijn verleden verlost te worden, werd er onverwacht opnieuw en fundamenteel mee geconfronteerd.

En toen Abicht zich in de jaren zeventig vanuit de Verenigde Staten engageerde voor de sandinisten in Nicaragua en de guerrillero’s in Guatemala, kwam hij in aanraking met een sociaal-revolutionaire lezing van de Bijbel die christenen en marxisten in hetzelfde kamp plaatste:

Voor de tweede keer sinds mijn studies bij Bloch werd ik geconfronteerd met de intense interactie tussen bepaalde uitingen van een profetisch jodendom en christendom en mijn seculier ethisch en politiek engagement.

Bloch en de Latijns-Amerikaanse bevrijdingstheologie (en de voor de hand liggende link hiertussen) zorgden ervoor dat de Bijbel Abicht niet meer zou loslaten. Deze belangstelling keert in zijn publicaties regelmatig terug en in één van zijn twee nieuwe boeken, De Bijbel. Een vrij zinnige lezing, maakt hij zich sterk voor het belang en de actualiteit van het boek dat meer mensenlevens heeft veranderd dan enig ander boek. Zelf verwoordt Abicht de morele portee van de Bijbel als volgt:

Hier werd voor de eerste keer in de westerse geschiedenis een grote nadruk gelegd op de rechten van het individu en de sociale rechtvaardigheid, twee polen waartussen onze ethiek zich nog altijd beweegt.

Maar de Bijbel heeft ook een andere kant, een die we in verband kunnen brengen met Abichts andere recente boek, Israël en Palestina. De kaarten op tafel (2016), dat hij samen met Brigitte Herremans schreef. Abicht laat daarom ook zien hoe een letterlijke benadering van de Bijbel door de meest uiteenlopende partijen misbruikt kan worden. Een voorbeeld uit Exodus (23, 29-33) waar God spreekt over de bevolking uit Kanaän voordat de Israëlieten het gebied veroverden, en waar religieus gemotiveerde zionisten zich op kunnen beroepen:

Maar ik verdrijf hen niet allemaal in één jaar, anders zou het land verwilderen en zouden er te veel wilde dieren komen; ik zal het geleidelijk doen, totdat jullie met zovelen zijn dat je hun land in bezit kunt nemen. Ik zal jullie een gebied geven dat zich uitstrekt van de Rode Zee tot aan zee waaraan de Filistijnen wonen, en van de woestijn tot aan de Eufraat. De bewoners van het hele gebied geef ik in jullie macht, en jullie zullen hen verdrijven. Sluit geen verbond met hen of met hun goden. Ze mogen niet in jullie land blijven, anders zouden ze jullie verleiden hun goden te vereren en tegen mij te zondigen. Dat zou jullie ondergang zijn.

Wat moeten we als moderne geseculariseerde mensen nu aanvangen met het etnocentrisme, de intolerantie jegens andersdenkenden, de vrouwonvriendelijkheid en allerlei hardvochtige Bijbelfragmenten, die niet sporen met hedendaags morele normen? En wat te denken van dat uitgesproken wellustige Hooglied en de ontregelende en subversieve teksten in Job en Prediker – toch evenzeer canonieke Bijbelboeken – die een enghartige karikatuur (zoals in Bloedboek uit 2015 van Dimitri Verhulst) van de Bijbel behoorlijk doorkruisen? Om een en ander te duiden buigt Abicht om te beginnen zich over de ontstaansgeschiedenis en de mogelijke manieren om dit invloedrijke boek te lezen.

Midrasj en quadriga

Abicht opent de inleiding van zijn boek met het volgende vers:

Litera gesta docet (De letter onderwijst de feiten)
Quid credas allegoria (Wat men dient te geloven leert de allegorie)
Moralis quod agas (De morele betekenis geeft aan wat men moet doen)
Quo tendas anagogia (De anagogie waarnaar men streeft)

Enigszins merkwaardig vermeldt Abicht onder dit dichtstuk de naam Origenes. Want het vers dat doorgaans wordt toegeschreven aan Augustinus van Dacia (Denemarken) – een dominicaanse kloosteroverste uit de dertiende eeuw – dook vermoedelijk pas voor het eerst op aan het begin van de veertiende eeuw in een werk van Nicolaus van Lyra. Nu, dit is verder van geen belang want Abicht wenst hiermee vooral aan te geven dat gelovige Bijbelcommentatoren al in het beginstadium van het christendom voorbijgingen aan een historisch-letterlijke exegese. Zo maakte Philo van Alexandrië, een joods-hellenistische filosoof en tijdgenoot van Jezus, reeds gebruik van de allegorische verklaring om de dieperliggende betekenis van de Bijbelse teksten te ontleden. En Rabbijnse geleerden beoefenden vanaf de derde eeuw in hun Bijbelonderzoek de praktijk van de Midrasj, waarin de betekenis van de tekst niet bij voorbaat vaststond en waarbij fragmenten werden gesitueerd in een bredere context om ze een actuele betekenis te geven.

Origenes stond in de derde eeuw in zijn Schriftverklaring naast een letterlijke, een zedelijke en een geestelijke/allegorische lezing van de Bijbel voor. Twee eeuwen later voegde Johannes Cassianus aan dit drievoudig interpretatieschema de anagogische interpretatie (de duiding in het licht van de eindbestemming van mens en wereld) toe en grondvestte zo de befaamde quadriga, de viervoudige schriftzin die in de middeleeuwen tot een veel gebezigde hermeneutische sleutel zou uitgroeien en zelf werd gehanteerd voor de uitlegging van seculiere literatuur.

Wanneer Abicht de Bijbel vandaag op verschillende niveaus benadert, probeert hij dus niet koste wat kost de boel te redden, maar schrijft hij zich in een eeuwenoude traditie in, zij het dan in de hoedanigheid van atheïst.

Van de bovengenoemde religieuze lezingen geniet de anagogische betekenis Abichts bijzondere belangstelling. De anagogie, geherformuleerd als het verlangen naar een hoger einddoel dan de reëel bestaande wereld, neemt Abicht als vertrekpunt voor een vijfde benaderingswijze die uitmondt in zijn ‘vrij zinnige’ (een redelijke én betekenisvolle) lectuur van de Bijbel. Hierbij spelt hij logischerwijs de teksten ook ‘vrijzinnig’: ondogmatisch en met kritische zin. Op die manier laat hij zien hoe de bevindingen van de Bijbelse archeologie en de Bijbelse tekstkritiek veelal komaf maken met de historische realiteit van de Bijbel. De bekende verhalen over de omzwervingen van de aartsvaders, de uittocht uit Egypte, de ‘verovering’ van Kanaän door Jozua, en de imposante rijken van David en Salomon zijn nader beschouwd constructies vanuit de werkelijkheid waarin de auteurs leefden.

Zo verklaren de archeologen Israel Finkelstein en Neil Asher Silberman in hun destijds ophefmakende werk The Bible unearthed (2001) het ontstaan van de Hebreeuwse Bijbel vanuit de politieke context van nation building binnen het oude Kanaän, toen het Hebreeuwse volk verspreid was over de koninkrijken Israël en Judea. Wanneer Israël in 722 voor Christus door de Assyriërs werd veroverd, vluchtten vele bewoners vanuit het noorden naar Juda en streefde men ernaar beide volkeren te verenigen onder een gemeenschappelijk stichtingsverhaal. Maar ook na de val van Juda en tijdens de Babylonische ballingschap in de zesde eeuw voor Christus bleef de Bijbel een enorme invloed uitoefenen.

Abicht besteedt dan ook de meeste ruimte aan de bespreking van Genesis en Exodus, waarin deze stichtingsmythes opgetekend werden. De auteur handhaaft de volgorde van de Hebreeuwse Bijbel. Het mythisch-historisch gedeelte van Genesis en Exodus laat hij opvolgen door zijn uiteenzetting van de Profeten waarin het joodse volk herinnerd wordt aan zijn Verbond en verplichtingen, om het Oude Testament af te sluiten met de Wijsheidsboeken die zich meer richten tot het leven van de individuele joodse gelovige. Van de boeken van het Nieuwe Testament neemt Abicht alleen het evangelie van Matteüs, Handelingen en Openbaring van Johannes door, al wordt zijdelings nog ingegaan op andere boeken.

In één van de meest markante delen van het boek, de bespreking van de Profeten, staat Abicht stil bij de manier waarop het Nieuwe Testament zich presenteert als de voortzetting en interpretatie van de Tenach. Hoewel de profeten zich uitsluitend richten tot het joodse volk, interpreteren de eerste christenen de teksten van de profeten als een voorspelling van de Messias die volgens hen Jezus was. Daarom plaatste men in de christelijke Bijbel de Profeten aan het einde van het Oude Testament.

Abicht haalt in dit verband een veelzeggend fragment van Jesaja (53, 3-8) aan. De bespreking ervan is exemplarisch voor de strekking van zijn betoog in dit boek.

Hij werd veracht, door mensen gemeden, hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was, een man die zijn gelaat voor ons verborg, veracht door ons, verguisd en geminacht. Maar hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam. Wij echter zagen hem als een verstoteling, door God geslagen en vernederd. Om onze zonden werd hij doorboord, Om onze wandaden gebroken. Voor ons welzijn werd hij getuchtigd, Zijn striemen brachten ons genezing. Wij dwaalden rond als schapen, ieder zocht zijn eigen weg, maar de wandaden van ons allen liet de HEER op hem neerkomen. Hij werd mishandeld, maar verzette zich niet en deed zijn mond niet open. Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid, Als een ooi die stil is bij haar scheerders deed hij zijn mond niet open. Door een onrechtvaardig vonnis werd hij weggenomen. Wie van zijn tijdgenoten heeft er oog voor gehad? Hij werd verbannen uit het land der levenden, Om de zonden van mijn volk werd hij geslagen.

Voor christenen preluderen deze verzen onmiskenbaar op de lijdensweg en de dood van Jezus. Voor joden heeft dit niets te maken met de komst van Jezus als verwachte Messias, maar gaat het om een scherpe allegorie van het lijden van Israël en

atheïsten kunnen er terecht op wijzen dat er noch in het geval van de Bijbelse profeten noch in het lijdensverhaal van Jezus van enige goddelijke tussenkomst kan worden gesproken, maar dat verandert weinig of niets aan de werkingskracht die van zulke dergelijke allegorische en iconische verhalen blijft uitgaan. Deze werking overstijgt de cultureel en historisch gebonden vormen waarin over onrecht en het lijden van onschuldigen verteld wordt, omdat de schokkende vraag naar de zin van deze onrechtvaardige en onmenselijke behandeling ook in een seculiere en humanistische samenleving nog altijd niet bevredigend beantwoord is.

Een pleidooi voor Bijbelse geletterdheid

In relatief kort bestek schetst Abicht in deze leidraad een rijk en geschakeerd beeld van de Bijbel als een bont geheel van teksten en uiteenlopende literaire genres. Uitgebreid belicht hij de historische en culturele achtergronden, de interactie met andere teksten, de verschillende motieven van de vele auteurs en het beoogde publiek. De Hebreeuwse Bijbel plaatst hij in de culturele traditie van het Midden-Oosten en van Kanaän in het bijzonder. Het Nieuwe Testament is qua inhoud wezenlijk bepaald door de Hebreeuwse Bijbel maar qua vorm overduidelijk hellenistisch. Zo past het beeld van Jezus als wonderkind geheel in de traditie van het heldenepos en geïdealiseerde biografieën waarin vrijmoedige individuen werden gepresenteerd als zonen van Goden die in hun waarheidsstreven bereid waren om te lijden en te sterven.

Abicht vestigt ook de aandacht op enkele frappante ontwikkelingen doorheen de Bijbel: hoe God gaandeweg meer naar de achtergrond verdwijnt, hoe de gelovige steeds meer wordt losgeweekt uit de collectiviteit en aangesproken wordt op zijn individuele verantwoordelijkheid. Zo wordt de gelaagdheid recht gedaan en komt zowel de samenhang als de discontinuïteit tussen de teksten goed naar voren.

Het moge duidelijk zijn dat Abicht als positief atheïst, wars van antitheïsme en antiklerikalisme, geen halt houdt bij de deconstructie en de ontmaskering van de mythe. Dientengevolge weegt hij de Bijbel niet naar zijn historisch gehalte. Abicht roemt de literaire en poëtische zeggenschap van het Hooglied en de Psalmen, maar boven alles is het hem in zijn Bijbellezing te doen om de mogelijke inspiratie voor een zingeving van mens en wereld die zowel gelovigen als ongelovigen aanbelangt.

In het ‘vrij’ van deze ‘vrij zinnige’ lezing zit tegelijk een zekere restrictie vervat, want Abicht is niet aldoor lovend over de inhoud ervan. Wie min of meer vertrouwd is met zijn zienswijze en werk, dat zich in de kern toespitst op de emancipatietraditie en de actualisering hiervan, merkt dat ook in deze Bijbelgids deze lijn wordt voortgezet. Abicht speurt in zijn herlezing van de Bijbel bovenal naar een universeel ethische en humanistische grond. Aan het eind van zijn boek, bij zijn toelichting van de Openbaring van Johannes laat hij daarom het woord aan Bloch, de Joods-Duitse filosoof van de hoop: ‘De Messias zal eerst dan komen, wanneer alle gasten rond de tafel zitten.’ Mocht er al een Messias bestaan, dan zal deze pas verschijnen wanneer de mensheid eigenhandig werk heeft gemaakt van een menselijk bestaan voor iedereen.

Abicht demonstreert op aanstekelijke wijze hoe de Bijbel nog steeds als een betekenisvol en zingevend werk kan worden gelezen. In zijn pleidooi voor Bijbelse geletterdheid wijst Abicht ook op het inzicht die het verschaft in de islam. Met het oog op een verdieping van de interculturele en interlevensbeschouwelijke dialoog zou het daarom goed zijn als Abicht zo’n oefening nog eens zou overdoen voor De Koran. Een vrij zinnige lezing. Maar eerst iedereen aan de Bijbel.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?