cover big

Een schrijvende mens

David Nolens

Over Op weg door de nacht van Ludwig Hohl (vert. Studio Posthuma)

Editie Leesmagazijn, sine loco, 2017,
ISBN 9789491717406 / 146p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 21-08-2017

Bookmark and Share

Van de Zwitserse schrijver Ludwig Hohl (1904-1980) bundelde Editie Leesmagazijn elf verhalen en een tiental pagina’s Notities. De teksten werden vertaald door studenten van de Vertalersvakschool in Amsterdam, onder leiding van Ard Posthuma. Dat moet een hele opdracht geweest zijn, want het proza van Hohl is weerbarstig, wellicht als de persoonlijkheid van de man zelf: notoir drinker, vijf keer getrouwd, veel verhuisd, fanatieke wandelaar in de bergen, arm, koppig in zijn compromisloze schrijverschap. Negen van de elf verhalen verschenen voor het eerst in Zürich onder de titel Nächtlicher Weg (1943). Die editie telde nog dertien teksten, waarvan de schrijver er bij een volgende uitgave in 1971 vier schrapte. Hohl wordt bewonderd voor zijn dagboek Die Notizen oder Von der voreiligen Versöhnung. Studio Posthuma vertaalde eerder zijn novelle Bergfahrt (1975).

Hohl schrijft met ingehouden adem voor een lezer die, eveneens met ingehouden adem, de kronkels in dit proza volgt, zoals je voorzichtig een berg afdaalt, stap voor stap, verwonderd over het steeds wisselende perspectief. Soms lijkt Hohl volgens de fenomenologische methode te willen waarnemen, zijn zenuwen tot het uiterste gespannen om niets van de essentie te missen. Dat leidt af en toe tot extatische belevingen van wat hij ziet, alsof hij goud vindt in wat voor een ander grijs is. Alles, de mensen en het (stads)landschap, is voortdurend in beweging. De wereld is een decor waarvan de stukken verschuiven, in een oogopslag. In ‘Nachtelijke weg’ schrijft hij:

Ik duwde het zware gordijn dat de gelagkamer van de entree afscheidde opzij, trok niet zonder moeite de massieve, door de werking van de vorst in zijn beweging gehinderde deur open, deed hem achter me weer dicht en klom de drie treden omhoog naar het plein: en die paar meter leken bijna een reis.

Terugkerend in deze verhalen is het thema van het zoeken en het vinden – probleem en oplossing van elk schrijverschap; het zich verliezen in de leegte en het vinden van een tijdelijke houvast. In het verhaal ‘Het blad’, dat slechts twee pagina’s telt, waait een blad van een boom en daalt op een man neer. Die houdt het vast, maar laat het dan weer vallen. Op weg naar huis keert hij terug om het blad te zoeken. Hij raapt het op. ‘Nu was de zege een feit, en open en bloot en voor het grijpen. Met het blad in zijn hand kwam hij gesterkt weer thuis.’ Dat is als tijdens een wandeling in een leeg landschap een stok oprapen en die bij je houden, als om een evenwicht te vinden.

In het verhaal ‘De zoekende’ maakt Hohl dit motief van het schrijverschap nog explicieter: ‘Hij zoekt iets. Ja, hij heeft het in zijn hoofd gezet iets te vinden, het brandt in hem, vreet aan hem [...]’ Of iets verder: ‘Een vreemd, sterk gevoel maakte zich van hem meester: het gevoel dat hij datgene wat hij moest zoeken al bezat, dat het er al was. – Hij bezat iets.’ Zo is het voor wie geduldig wacht en een levendig oog heeft, dat zowel naar binnen als naar buiten is gericht.

Elders lijkt het schrijverschap een schuldig verzuim van leven of misschien gewoon een bezigheid die al te zeer is gepreoccupeerd met het zelf. (In ‘Nachtelijke weg’ schrijft Hohl nadrukkelijk: ‘Er zijn geen anderen.’) Of misschien is het eenvoudig en menselijk dit: een schrijver die bij leven geen succes kent, voelt zich schuldig, omdat al die potentiële lezers in hun oorverdovende stilte lijken te zeggen dat hij niet genoeg heeft gegeven. Hij heeft zelfs zo weinig gegeven dat ze het niet eens willen ontvangen. Personages van Hohl voelen zich schuldig, zomaar, zonder reden, en dat schuldgevoel moet worden afgekocht.

Maar misschien ga ik te ver in mijn lezing. Hohl maakt in deze elf verhalen immers nauwelijks expliciet gewag van een schrijverschap, laat staan het zijne. Behalve in het verhaal ‘Het paardje’, waarin hij de protagonist laat denken: ‘Mezelf hier opsluiten, schrijven? Wat zou ik nog moeten schrijven – waar bleven de reddende machten?’ Maar ik kan niet anders dan in de literatuur van Hohl een schrijvende mens te lezen, hoe evident en dubbelop dat ook klinkt; toch zijn de schrijvers die erin slagen een taal uit te vinden, zo dicht mogelijk op hun huid, dun gezaaid. De schuld dus die moet worden afgekocht of niet, want dikwijls blijft het bij amechtig weifelen of er moet worden gegeven, zoals in Nachtelijke weg:

Maar zelfs als ik die man twee shilling had gegeven (overigens, waar was hij nu?) bleef het nog maar de vraag in hoeverre hij daar deze nacht nog profijt van zou hebben.

In ‘Het paardje’ vereenzelvigt de ik-persoon zich met een uitgeput paard dat is gevallen (denk aan Friedrich Nietzsche). De jonge knecht die er wanhopig bij staat, wordt gekscherend geadviseerd door de omstaanders, aangemaand door de passerende agenten en uiteindelijk geholpen door enkele arbeiders die het paard weer doen staan, ‘[…] zo onzeker en trillend dat het leek alsof het meteen weer om zou vallen’. Hoogdravend en bijna pathetisch doet Hohl verslag van het lot van de schrijver die toekijkt en in het paard zichzelf ziet. Het paardje ploetert en krijgt geen loon. Zo ook deze schrijver die weet dat hij niet zal worden beloond voor zijn eenzame werk: ‘Ik zal al dood zijn voordat jullie komen. Maar allen die op mij lijken zullen weer de laatsten zijn, ergens in diepe duisternis.’ Maar hij troost zichzelf met de gedachte dat hij in de geest op plaatsen komt, dat hij muziek hoort, onbegrepen door de ‘herauten van de markt’:

Jullie, die geen weet meer hebben van die diepte, zo overweldigend als een symfonie, niet de plicht tot berusting, maar grotere melodieën in de meest barre eenzaamheid, groter dan in al het gejubel om het bereikte; niet hoop, niet daad, neen, grotere melodieën al, eenzaamste trots, schitterende zalen in de laatste gewelven van de afgrond die niemand van de bezittenden ooit heeft betreden, niemand.

De zeven notities die aan deze verhalenbundel werden toegevoegd, komen bijna allemaal uit Die Notizen en gebruiken het bergbeklimmen als metafoor voor de lijdensweg van leven en werken, waarin elke stap van de klim pijn doet. Maar dat wordt goedgemaakt door het doel van de onderneming: ‘Het geheel is nieuw, de voetstap is oud.’ Uit deze notities blijkt nogmaals het torment van Hohl. Ze zijn bezweringen van zijn eenzame queeste en tegelijk geëxalteerde verantwoordingen van zijn kunstenaarschap dat hem op grote hoogten brengt. Ik moet me ervoor openstellen, want ik bid hem soms ook om een beetje gewoon te doen en niet telkens via de omweg van de parabel zijn lijdensweg in die magistrale verf van zijn woordkunst te zetten. Hohls taaleigen is verbluffend.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?