cover big

Een te grote auteur

Christophe Van Gerrewey

Over Gentse lente van A.F.Th. van der Heijden

Querido, Amsterdam, 2009,
ISBN 978 90 214 3490 2 / 308p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 16-08-2009

Bookmark and Share

Het werk van A.F.Th. van der Heijden werd vanaf het begin overheerst door een auteur die steeds in verschillende gradaties en gedaantes, en op gepaste ogenblikken, tevoorschijn kwam. In 1978 debuteerde hij met de verhalenbundel Een gondel in de herengracht, onder het pseudoniem Patrizio Canaponi – niet uit schroom, maar uit een groot verlangen naar mystificatie en literaire constructie. De auteur was met andere woorden wezenlijk onderdeel van het werk: Canaponi was een ingeweken Italiaan die ‘Italiaanse’ verhalen schreef, en Canaponi was vooral niet A.F.Th. van der Heijden, die pas echt optrad bij de publicatie in 1983 van De slag om de blauwbrug, de proloog van De tandeloze tijd, en een in de Nederlandse literatuur onovertroffen openingszet van een literair oeuvre – of althans van een segment ervan.

In 1983 ‘werd’ Canaponi dus Van der Heijden, die in de verantwoording van De slag om de blauwbrug schreef: ‘achter een eenmaal afgenomen masker kan men nooit meer verdwijnen.’ Canaponi kwam wel nog in de tekst terug, als het personage Patrick Gossaert in het derde deel van De tandeloze tijd. Gossaert was een beginnende schrijver die naar eigen zeggen wel over de stijl maar niet over het materiaal beschikte om echt van start te kunnen gaan. Daarom besloot hij avonturen te ontlenen aan het leven van zijn buurman in de Amsterdamse Pijp, Albert Egberts. En deze Egberts was – natuurlijk – het echte hoofdpersonage van De tandeloze tijd.

Alle delen van die cyclus stonden in het teken van een auteur, maar dan zo dat diens identiteiten over elkaar heen buitelden, elkaar ironiseerden en vervaagden – en uiteindelijk de weg naar de rijke literaire wereld binnen de romans nog aantrekkelijker maakten. De historische figuur A.F.Th. (‘Adri’) van der Heijden bestond lange tijd slechts als auteur op de ruggen en omslagen van deze breed aangezette, met elkaar verbonden en ambitieuze boeken. Naarmate er meer delen van De tandeloze tijd verschenen, kwam er echter ook meer van de echte Adri tevoorschijn. Diens feitelijke biografie bleek nogal wat overeenkomsten te vertonen met die van Albert Egberts. Dat langzame proces van ‘autobiografisering’ van De tandeloze tijd culmineerde in een aflevering van de talkshow Hier is… Adriaan van Dis (april 1992), waarin – bij wijze van primeur – een tekening van Peter van Straaten werd onthuld. Alle personages uit De tandeloze tijd stonden in de typisch onklare lijn van Van Straaten afgebeeld, en Albert, in het midden, had overduidelijk het postuur, het kapsel en de présence van Adri. Later, in 1996, na de verschijning van het langverbeide derde deel van De tandeloze tijd, werd de tekening overgenomen in het ‘literair gidsje’ Groepsportret, dat beginnende fans wegwijs kon maken in het leven en in plaatsen van het leven van Albert Egberts.

Lange tijd – voor hedendaagse normen althans – bleef het relatief stil rond Van der Heijden, tot na de eeuwwisseling een nieuwe cyclus werd aangekondigd: Homo Duplex, een hedendaagse herschrijving van de Oedipusmythe, gesitueerd in de Randstad. De cyclus zou gepubliceerd worden onder het ‘nieuwe’ masker A.F.Th.; ook de personages in de cyclus verkochten hun naam of waren er ontevreden mee – dus: nieuwe romanreeks, nieuwe auteur. Inderdaad werd in 2003 door A.F.Th. De Movo Tapes gepubliceerd, eerst nog als ‘nulde’ deel, terwijl later werd besloten dat de delen in deze cyclus pas op het eind zouden worden gerangschikt. Ook op de cover van Het schervengericht in 2007 stond als auteur A.F.Th. – Van der Heijden was er opnieuw in geslaagd om een wereld te scheppen met zichzelf als vermomde schepper, en met precies deze creatie als verwerkt materiaal in het verhaal zelf. Verteller van De Movo Tapes en Het schervengericht is niemand minder dan de god Apollo, die er op uit is om een definitieve wereldbrand te veroorzaken door zo veel mogelijk onheil en ellende te veroorzaken: de Manson-moorden, toch goed voor meer dan 1000 bladzijden in Het schervengericht, zijn zo niet meer dan een opstapje naar de grootst denkbare tragedie – die van de hedendaagse Oedipus Movo, waarmee zeer langzaam een begin is gemaakt in De Movo Tapes, en waarvan in 2007 een sleutelscène, met name de eigenhandige verblinding van Movo, verscheen in Mim. Van der Heijden verwerkt in deze tweede cyclus dus niet meer de eigen biografie zoals in De tandeloze tijd, maar die van het belangrijkste en invloedrijkste personage uit de wereldliteratuur: Oedipus.

Dertig jaar na de verschijning van het debuut van Van der Heijden verscheen eind vorig jaar Gentse lente, een bundel met 14 verhalen – het nieuwste vooraan, het oudste op het eind, zodat het jubileum gevierd wordt met een overzicht van zijn carrière. Het boek moet meteen ook, zo beweert de flap, Van der Heijden toestaan om te laten zien ‘dat hij ook op de korte baan een meester is’. Van een uitgewerkte auteursconstructie die het boek beheerst en oplaadt, is er in dit geval echter geen sprake – dat wil zeggen: de vertellers van de afzonderlijke verhalen lopen elkaar als afsplitsingen van Adri voor de voeten, zodat het boek uiteindelijk een onverwerkt geheel aanbiedt waarin de auteur niet op literaire wijze wil overlijden – hij blijft de lezer, al te groot en alomtegenwoordig, de toegang ontzeggen.

In het openingsverhaal ‘Schwantje’s Fijne Vleeschwaren’ is Albert Egberts aan het woord. Het doet ontegensprekelijk plezier om hem terug te zien, voor het eerst sinds de publicatie van deel 3 van De tandeloze tijd in 1996: hij blijft een van de meeslependste vertellers uit de Nederlandse literatuur, die met een ongeziene precisie zijn eigen verleden bemeestert, en zo elke gebeurtenis een persoonlijke maar historische glans weet te geven. In ‘Schwantje’s Fijne Vleeschwaren’ is Albert terug in Geldrop om na te gaan wat er rest van de familie Schwantje, waar ook zijn vroeg gestorven vriend Thjum deel van uitmaakte. Er wordt op de korte afstand al meteen weer zoveel aangeraakt, dat het verhaal niet anders kan dan teleurstellen; en de intrige – een moord op een slager – is eveneens te zwaar, en waarschijnlijk ook te interessant, voor een kortverhaal.

De meeste verhalen in Gentse lente zijn anekdotes of avonturen uit het leven van Adri – naast zijn twee romancycli, houdt Van der Heijden er nog een ander, veel vager subproject op na, dat uitgesproken autobiografisch van toon is. Het leven van de veelschrijver, dat eigenlijk nauwelijks nog een leven te noemen valt, wordt belicht in dagboeken, brieven, requiems en herinneringen. Zo is er Mystery guest, waarin Adri Zora, de moeder uit de Homo duplex-cyclus, meent op te merken op het Leidseplein. ‘Zora lachte naar haar schepper.’ Op het terras van stamcafé De Zwart bespreekt hij de zaak met Cees – vermoedelijk Nooteboom.

Het titelverhaal ‘Gentse lente’ is iets gelijkaardigs: Adri gaat naar Gent, naar een literair festival, maar slaagt er in zichzelf midden in de nacht buiten te sluiten: hij kan zijn hotelkamer niet meer in. Het eerder in boekvorm gepubliceerde ‘Uitdorsten’ is een requiem voor Van der Heijdens moeder; ‘Professie: bergredenaar’ een requiem voor dichter en ‘Selfkicker’ Johnny van Doorn, waarin anekdotes opduiken die – in verwerkte vorm – ook voorkomen in De tandeloze tijd; ‘Dichter slaags’ een verhaal over een tournee van Van der Heijden die op ruzie en dronkenschap uitloopt.

Deze korte teksten zijn hoogstens amusant, hoewel niemand had kunnen vermoeden dat de jonge, fabuleuze en fabulerende Van der Heijden, zo zelfbewust en meester over al zijn talenten, zou uitgroeien tot een Amsterdamse Boon of Brusselmans: met weliswaar een authentiek en breed stilistisch vernuft, vertelt hij zonder schroom of verdraaiingen over het eigen pijnlijke, aardse, lichamelijke leven, dat gedrenkt is in alcohol, maar uiteindelijk weer rust vindt in de armen van de heilige echtgenote.

Tegelijkertijd keert deze stilistische brille zich ook tegen de banale, soms ronduit ergerlijke kwestietjes die aan bod komen. Als het echtpaar Van der Heijden onderweg is naar Gent, maar steeds opnieuw verstrikt raakt in het eenrichtingsverkeer, zegt Adri, vanaf de passagiersstoel: ‘Te laat. Je had daar linksaf gekund. Die blinde vlek van jou, voor sommige borden vooral, vind ik steeds interessanter worden.’ Waarop Minchen: ‘Ooit was jij niet te blind om de kaart te lezen. Mijnwerkerspaard in ruste. Ik kan wel merken dat je weer steeds vaker zonder masker slaapt. Ik wed dat het zuurstofprobleem met je bloed weer helemaal terug is. In ieder geval wel die verschrikkelijke wisseling van stemmingen. Bravo, zo ken ik je weer. Helemaal de oude. Zo prikkelbaar als een… als een… wou je beeldspraak, meneer de schrijver… als een verzadigd speldenkussen. Graag gedaan.’ Dit soort verbale, bewerkelijke en nauwelijks realistische duels zijn functioneel tussen Charles Manson en Roman Polanski in Het schervengericht – maar tussen Adri en Minchen? Er zijn meer en gepaster bewerkingen van een schrijversleven nodig om autobiografisch proza draaglijk te maken.

Zoals in ‘Weerborstels’, het Boekenweekgeschenk uit 1992, destijds ook ingepast als ‘intermezzo’ in De tandeloze tijd, en nu het langste verhaal in Gentse lente. De novelle over Robbie, de jonggestorven neef van Albert Egberts, heeft ongeveer de lengte maar niet de complexiteit en meerduidigheid van De slag om de blauwbrug: het tot leven wekken van een dode naaste door middel van literatuur is een gemeenplaats die in dit verhaal wel erg vaak als zaligmakend wordt tevoorschijn gehaald. Maar het blijft fantastisch om te zien hoe Van der Heijden, bij monde van Albert Egberts, een quasi-vulgair, vergeten of alleszins roekeloos leven uit de zelfkant van Nederlands Limburg naar boven haalt, in een taal die zowel bij de hoogste als laagste regionen van het Nederlands aansluiting vindt, en tientallen deuren opent tot ‘een pakhuis vol metaforen’, zoals Carel Peeters De tandeloze tijd ooit benoemde.

‘Adagio’, ‘Het Byzantijnse kruis’ en ‘De gebroken pagaai’, de drie laatste verhalen in Gentse lente, zijn niet meer dan kladversies die later overvleugeld zijn door meer uitgewerkte verhalen of romans: ‘Adagio’ is de aanzet tot De Gevarendriehoek; ‘Het Byzantijnse kruis’ is de eerste versie van de episodes uit het leven van Albert als junkie (geschreven in brutale, opvallend kortaangebonden zinnen, die bijna naar de jonge Wolkers lijken te verwijzen: ‘Laatst liep ik op straat een vroegere vriendin tegen het lijf. Ze was koud terug uit Karachi.’); en ‘De gebroken pagaai’ is een warrig, in 91 hoofdstukjes uiteenvallend verhaal waarin de lijnen naar later werk moeilijker te leggen zijn. Zo zijn deze drie teksten een prooi voor tekstgenetici, maar die staan er meestal wel op de manuscripten zelf uit de archieven te plukken. Het heeft natuurlijks iets sympathieks om deze voorstudies terug te vinden; Van der Heijden spreekt in de verantwoording achterin in Gentse lente, terecht over een verleidelijk ‘patina van de tijd’. Maar dan nog is er een verschil tussen verhalen die hun auteur zelf verleiden of die inkijk bieden in een ontstaansgeschiedenis, en verhalen die zich door om het even wie als goede verhalen laten lezen.

De indruk die deze verhalenbundel laat ontstaan is niet die van een auteur die zijn eigen oeuvre wil derouleren, ondergraven of ont-monumentaliseren – net het tegendeel is waar. Gentse lente is een relatie- annex jubileumgeschenk van een uitgever aan een belangrijke auteur, die – om het voorzichtig uit te drukken – zeker de laatste jaren in de media nogal bekend is komen te staan om zijn ijdelheid en lichtgeraaktheid, en die aan de publicatie van romancycli lang niet meer genoeg heeft. Het is tijdens de lectuur van Gentse lente zeer moeilijk om niet voortdurend overweldigd te worden door dit imago, dat zich structureel meester heeft gemaakt van het leeuwendeel van de verhalen.

Het meesterschap op de korte baan had nochtans bewezen kunnen worden met een handvol verhalen als ‘Krakelingen met kaneel’ (uit 2007): bevrijd van de last van andere projecten of van een schrijverbestaan, laat het zich lezen als een licht maar bedwelmend erotisch sprookje, zoals Hugo Claus er bijna achteloos tientallen schreef. De grootsheid van de auteur staat hier niet voorop, maar komt pas na het laatste woord tevoorschijn.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?