cover big

Gedichten als documentaires

Ad Zuiderent

Over Zog van Erik Lindner

Van Oorschot, Amsterdam, 2018,
ISBN 9789028280472 / 48p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 17-04-2018

Bookmark and Share

De zee en het strand hebben altijd wel een rol gespeeld in de gedichten van Erik Lindner (1968), maar nooit eerder zo prominent als in zijn nieuwe bundel, Zog. Al in zijn debuutbundel, Tramontane (1996), staan verzen als: ‘Strand. Korrels, eindeloos stukgeslagen steentjes. / Onmogelijk te zeggen waar we zijn. De zee is / enkel de zee. Schuim over land.’ En het gedicht ‘Maria en het meisje’ in dezelfde bundel eindigt met: ‘Schriel zijn armen die niet dragen / en op de uitloper van een pier / stoïcijns en houterig maaien / op zoek naar wankel evenwicht.’

Nadien heeft Lindner het in enkele gedichten specifiek over het Scheveningse strand uit zijn jeugd, bij Duindorp, maar vaker over de zee en het strand zonder meer, een plaats die steeds verandert, waar de elementen nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn. Niet alleen water en zand spelen daarin een rol, maar ook wind, wolken en zon. In het samenspel van deze elementen zijn mensen bij Lindner wankele, nietige wezentjes, zoiets als ribbelingen in het door water overspoelde en door wind en zon gedroogde zand.

Al zou je het aan de foto op het voorplat (een openstaande deur die uitzicht geeft op een kaal berglandschap) niet zeggen, in Zog speelt tweederde van de gedichten zich af aan de rand van water en land. Niet alleen aan zee overigens, maar ook aan de rand van een vijver of van een meer. In de elf gedichten van de titelreeks worden even zoveel zonsondergangen boven de Noordzee bij Oostende verbeeld, in de reeks ‘Man in de mist’ zie je te midden van de strijd tussen dominante wolken en een langzaam doorbrekende zon zo nu en dan een zeehengelaar aan het werk. Deze gedichten, waarin de natuur geen moment stilstaat, laten zich nog het best vergelijken met een documentairefilm. Het is een genre waardoor Lindner zich sowieso graag laat inspireren. Zo is zijn tweeluik ‘Ostende’ in de bundel Tafel (2004) gebaseerd op Images d’Ostende, van Henri Storck, een film uit 1929 die hij bij optredens wel vertoont. En het begingedicht van de bundel Acedia (2014) roept Une histoire de vent (1988) van Joris Ivens op. Allebei films waarin de beweging van de elementen centraal staat.

Die beweging wil Lindner niet alleen beschrijven, maar ook in de taal bewerkstelligen. En daarin onderscheiden de gedichten in Zog zich duidelijk van die in eerdere bundels. Lindner had in vroeger werk patent op korte zinnen die met schokkerige overgangen op elkaar volgden: beelden lopen er zelden soepel in elkaar over. Verbindingswoorden moet je er met een kaarsje zoeken. Zo dienen deze gedichten zich aan als een serie losse camerabeelden die de lezer zelf moet zien te monteren. Dat gaat dan bijvoorbeeld zo: ‘Een fietser nadert met een vogelkooi op het stuur / de ingang van de flat is een container // een man fluit op de galerij / over de rand van een balkon hangt een arm // het gras is plat naast de vijver / luchtbellen borrelen in het water’. Het herhalen van woorden of beelden leek daarbij een doodzonde, een ongewenste knieval voor de lezer. In Zog komt hij die lezer meer tegemoet: de zinnen schokken veel minder, ze bewegen vaak vloeiend. Herhaling is ook geen doodzonde meer: sommige gedichten krijgen zelfs een licht bezwerend karakter.

Zo laat, door de bezwerende herhaling van ‘zo’ en ‘zoals’, het derde gedicht van de titelreeks zich lezen als een serie droge constateringen of als een reeks vergelijkingen met telkens één onbekende, maar evengoed als een deinende uiting van onophoudelijke verwondering. Het is een gedicht dat de lezer niet de adem afsnijdt, maar lucht geeft:

Zo snel als een vlieger omhoog flakkert
en onder de wind duikt

zo vlug als de golven over elkaar trekken
zoals water om een steen draait

zoals golven samen een front vormen
dat het strand niet haalt

zoals schuim als op de rand van de lippen
op het zand achterblijft

zoals lichten op boeien
nooit tegelijk knipperen.

In andere gedichten in deze reeks bereikt Lindner een vergelijkbaar effect door woorden als ‘hoe’, ‘water’ of ‘regen’ in opeenvolgende strofen te herhalen. Ook valt de betrokkenheid van de ik-figuur op; die is geen impliciete waarnemer meer, niet louter oog, zoals in veel van Lindners vroegere gedichten, maar waagt zich expliciet in de scène, zodat er een wisselwerking tot stand komt: ‘een golf komt op me af / trekt zand met zich mee terug’, ‘de zee maakt me kleurenblind’, ‘golven die met man en macht op me af denderen / die telkens hun aanval opgeven’.

Van de vier reeksen waaruit Zog bestaat (met halverwege twee losse gedichten – de bundel is zorgvuldig gecomponeerd) is er één die zich nadrukkelijk onderscheidt van de water- en zeegedichten. Er is in deze reeks weliswaar een keer sprake van ‘Zeemansknopen in een afgebroken stuk touw’, maar de gedichten zijn, ver van zee, gelokaliseerd in een leegstaande en hergebruikte fabriek in Seraing bij Luik. Maar hoe industrieel deze omgeving ook is, Lindner is ook hier vooral gefascineerd door het vrije spel dat de elementen in de ruimte hebben. En ook hier verkeren mensen in een wankel evenwicht.

In eerste instantie maakt ‘Seraing’ een stroeve indruk: elk gedicht in deze reeks bestaat uit drie keer drie regels van ongeveer gelijke lengte, terwijl in ‘Zog’ zowel de regels als de tweeregelige strofen zeer ongelijk van lengte zijn. Maar de strakke vorm is in het geval van ‘Seraing’ heel effectief: hij past bij de architectonische aanleiding.

Vanaf de eerste regels stuurt de dichter de blik van de lezer omhoog de fabrieksruimte in. Ook in deze reeks blijken herhaling en variatie sterke bindmiddelen. Eerst gaat het over ‘een onbetreden hoogte’, het tweede gedicht begint met ‘Ver boven de brokstukken op de grond / staat een afdruk in het stof’, het derde met: ‘Moeten en gekerfde kreten / in houtblokken die op de grond vallen / onbetreden de vrees voor je evenwicht’ en zo gaat dat in volgende gedichten door, met ‘ongekende hoogte’, ‘duizelende hoogte’, ‘Wind die een stap zet’ of ‘Je laat je hand vallen nergens durf je / te leunen kun je je vasthouden’. Daarnaast is er herhaaldelijk sprake van zonlicht dat ‘als een balk’ de ruimte in valt, van stof en poeder waar de ‘je’ doorheen loopt.

Het geheel is een geslaagde voorstelling van wat een fotoshoot zou kunnen zijn die dramatisch verloopt, maar de gedichten focussen vooral op de spanning tussen onuitgesproken hoogtevrees en de noodzaak om hoog te klimmen. De bestofte balken hoog in de fabriek verschillen wat dat betreft niet van de strekdammen in zee: je bent er heel klein en je moet er oppassen niet te vallen. Dat gevoel van dreigende duizeling weet Lindner in deze reeks op de lezer over te dragen. Herhalingen en variaties dragen aan dat gevoel bij.

Hoe klein mensen in de gedichten van Lindner zijn, wordt ook duidelijk in de reeks ‘Roeiers op de Aasee’. Weliswaar worden er in de titel mensen (roeiers) vermeld, maar het perspectief ligt in deze gedichten niet bij de roeiers op de Aasee, het grote kunstmatige meer bij Münster, maar (opnieuw) bij iemand aan de kant, die meer oog heeft voor lichtval, vogels en golfbewegingen dan voor de roeiers. Laatstgenoemden gaan op in het geheel, worden nu eens in de schemer gesignaleerd, dan weer in de verte of zijn te herkennen aan hun gekreun. Het lijkt in deze reeks vooral te gaan om de wisselwerking tussen het water en de waarnemer. Zo begint een van deze gedichten met: ‘Water dat ik moet kunnen zien / om mezelf kwijt te maken’, in een ander gedicht is er sprake van: ‘het water dat ik nodig heb / om mezelf kwijt te raken’, in weer een ander van: ‘water waarvan de spiegel me zegt / dat ik vervoegbaar wil zijn’ en tot slot van: ‘lampen in het rozenperk die langzaam / het licht uit de lucht nemen / zoals water het teveel in mij wegneemt’. Het water wordt op die manier een zuiverende werking toegedicht; de aanwezigheid van de roeiers lijkt slechts een voorwendsel voor de ik om wat langer aan de rand ervan te blijven staan.

Uit alle gedichten in Zog spreekt het besef dat mensen de elementen nodig hebben om tot zichzelf te komen, maar tegelijk dat hun plaats in de kosmos buitengewoon nietig is. Mensen staan op de oever van een strekdam (zoals het ‘mannetje op het eind van de zee / die zijn armen als elektriciteitskabels uitstrekt’ in het openingsgedicht), op de punt van een boot, ze komen langs gejogd, staan in de mist. Het enige gedicht waarin duidelijk sprake is van menselijke activiteiten en menselijke interactie, is het niet tot een reeks behorende ‘Man in het water’.

In dit gedicht, geschreven voor de ‘Eenzame Uitvaart’ van iemand die in een vijver in het Amsterdamse Vondelpark is verdronken, wordt een visioen weergegeven waarin de verdronkene zich voorstelt dat hij wordt opgetild door het beeld van een jonge vrouw zonder armen aan de rand van die vijver. Ik geloof niet dat Lindner ooit eerder een zin van bijna veertig dichtregels heeft geproduceerd die bovendien zo vanzelfsprekend klinkt. Maar hoewel hierin van begin tot eind de interactie tussen de verdronken man en zijn redster wordt verbeeld, zijn ook deze personages nietig. Nu niet door terloopse vermelding, maar door wat ze in wezen zijn: twee doden, die de vijver in het Vondelpark en de kosmos met elkaar verbinden:

en je voelt haar kracht je op te tillen
haar wil je uit de aarde te trekken
en je hoog de lucht in te werpen
naar de wolken de planeten de zon
de melkweg en het sterrenstof
dwars door de klinkers van je naam
de omwegen die je maakte tenietdoen
voor de zomer dat je op aarde kwam
er een wind opstak die niet aanhield
en de bloesem tussen het koren landde.

Het lijkt overigens wel of Lindner zelf is geschrokken van deze spontaan aandoende, meedogende bewegingen de kosmos en het verleden in, want in het daaropvolgende gedicht, ‘Berlin, Berlin’, is ineens weer de stroevere en meer afstandelijke dichter van de eerdere bundels aan het woord. Ik hoop dat dit eerder een tijdelijke oprisping van het verleden is dan een weg die Lindner opnieuw wil inslaan. Ik stel wat dat betreft mijn vertrouwen op het einde van ‘Man in de mist’, op de losse muzikaliteit erin die de late Paul van Ostaijen in herinnering roept, op de regels waarin hij laat zien hoe de mist optrekt: ‘de zon die onder het wolkendek uitkruipt / legt een bad van licht op zee / op het uiterste deel van de zee // de zon trekt kleine wolken met zich mee’. Mist die optrekt – in deze herhaling met variaties eindigt ook de bundel waarmee Lindner tegelijk veel van de mist heeft weten weg te nemen waarin veel van zijn eerdere werk schuilging.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?