cover big

Globalisering als belachelijk fetisj

Ton van 't Hof

Over Hot White Andy van Keston Sutherland

Barque Press, London, 2007,
ISBN 978-1-903488-75-1 / 28p.

(1) reactie(s) - geplaatst op 04-01-2010

Bookmark and Share

Ik weet niet meer of ik eerst de tekst van Keston Sutherlands Hot White Andy onder ogen kreeg, of eerst een video van een performance van deze Brit zag. Maar zowel tekst als performance lieten een onuitwisbare indruk achter. Kijk en luister:


Wat ik zie is een dichter die opgaat, of exacter, zwelgt in zijn tekst; hij weet me met zijn gebaren, mimiek en zorgvuldig gekozen adempauzes van begin tot einde te boeien. Wat ik allereerst hoor of ervaar is afwisseling, ritme, metrum: vrijkomende energie. Ik verneem vervolgens een woordenbrij, vang obscure tekstflarden op:

eat all of me like a dispassionately incinerated fish cheek,
I want being phonic into your intestine, to cry
into my own blistered eyes on the inside of your stomach

Het gedicht gewaagt van horrorfilms, ontlasting, aaseters, prijzenoorlogen, opblaaspoppen, parkeerterreinen, vuistneuken en braken. Sutherland vermengt technisch-wetenschappelijk jargon als ‘WLa-15 Tungsten electrodes’, ‘OTC peroxide’ en ‘pro-positivism’ met klinkende bedrijfsnamen als ‘Binzel and Lincoln and Panasonic’. Concrete, stoffelijke zaken of dingen wisselen in snel tempo met abstracties en persoonlijke gevoelens. Banaliteiten en verhevenheden lopen voortdurend in elkaar over. En ‘beyond all this the city glows in natural repose, listening to Winds of Change or Kindertotenlieder.’

Allegorie

Hot White Andy presenteert een ogenschijnlijk tegennatuurlijke wereld die indruist tegen het gezond verstand, maar waarvan ik het angstige vermoeden heb dat zij bestaat. Nergens biedt de dichter strohalmen waaraan ik me zou kunnen vastklampen, op basis waarvan ik zou kunnen zeggen: dit is mijn wereld niet, hier hoor ik niet bij. Integendeel, ik word naar binnen gezogen, consumeer elk woord van dit gedicht en zorg dat deze kosmos zich als het ware kan reproduceren, zich via mij kan voortplanten. Vrijwillig. Maar ook met gemengde gevoelens van euforie en afkeer.

Hot White Andy is een complexe tekst met een lyrisch karakter. Ik zeg nadrukkelijk ’karakter’, omdat er weliswaar sprake is van een ‘ik’ (in wie we wellicht de dichter kunnen herkennen), maar ook, op een metaniveau, van een idee: die van de globalisering van het marktkapitalisme en consumptisme. Zo beschouwd kunnen we deze bundel ook als een allegorie lezen. De strofe waarin deze mogelijkheid zich aandient, komen we pas aan het einde van het lange gedicht tegen:

    I wait to say this
I now say it, without you to your face and without
    knowing how stupid is
my desire for the next big thing: CHINA.

Waar de ik-figuur zich vereenzelvigt met de globalisering, daar identificeert de lezer zich met de ik-figuur en bijgevolg dus ook met de globalisering. Langzaam maar zeker dringt het besef tot me door dat ook ik, als westerling, in verband kan worden gebracht met het monstrum dat zich in het voorgaande had geopenbaard. Maar ben ik ook echt medeplichtig? Er zit niets anders op dan herlezen en herinterpreteren.

Vraatzucht naar wit bloed

Hot White Andy verhaalt in het kort van het lonken van de ik-figuur naar ene Andy Cheng. De ik-figuur fantaseert over het bedrijven van de liefde met hem of haar. Het gedicht bestaat uit drie delen, achtereenvolgens getiteld ‘A’, ‘B’ en ‘A: Turbo’. In ‘A’ en ‘A: Turbo’ lijkt het om een Chinese zakenman te gaan, in deel ‘B’ vindt een geslachtsverandering plaats: ‘She is Andrew Cheng, imperator of the sled, backstreet lumen naturalis, acting CEO for the true-way arc of priapic boredom.’ Het lonken en fantaseren door de ik-figuur vindt plaats in een absurdistische omgeving, die veel weg heeft van een toneelverhoging (‘catwalk’), waarop allerlei declamerende en murmelende figuren de revue passeren die zich al dan niet bewust zijn van elkaars aanwezigheid. Zo zijn daar ‘Lavrov’, symbool voor het met de democratie en het marktkapitalisme worstelende Rusland, en de ‘Stock Wizard’, als vermomming van verderfelijke beurspraktijken. En ‘Stan’, de concurrent, en ‘Rojar’, de wapenhandelaar: ‘A patriot is not a missle.’ Het resultaat is een kakafonie van stemmen, waaruit een nietsontziend verlangen en handelen naar meer-meer-meer spreekt:

this finale to the whole Chang question the whole problematic
congelation of hot genitals wrapped in the Houston Chronicle
to crack its metaphysic ad banner. In white out
your tenses are the wanton of desire, gazing through the
Xi’an YMCA window at The Imitation Gap lit up scampi-eyed
desire krush ex necromat it lives my own way

Eerst veroverde het marktkapitalisme en consumptisme Rusland, nu is China aan de beurt en daarna zal Afrika volgen. Deel ‘B’, waarin de ik-figuur Akinsola Akinfemiwa ontmoet (Google verwijst onder andere naar een Nigeriaanse CEO van een bank), zinspeelt op dit laatste. De slotakkoorden zijn dramatisch. De liefde staat op het punt om te worden geofferd aan de vraatzucht naar wit, blank bloed (‘your’ in regel 3 hieronder verwijst naar Akinfemiwa, de belichaming van Afrika):

Love realistically abandoned by Andrew is not shit,
thin rain drifts like torn roofing across the palace
dancefloor and your ravenous white lips snap after it,
ravenous for white blood, queing for the other face
amputation shut in in the flaming Nestlé beach hut.

Sutherlands poëtica
In 2000 gaf Keston Sutherland een lezing, getiteld ‘The Trade in Bathos’, waarin hij zijn poëtica uitsprak. De tekst is online te lezen in Jacket Magazine. De eerste paragraaf besluit hij met de volgende woorden: ‘There is always more to desire than what is merely ultimately desirable’. Deze zin vormt ontegenzeglijk een van de kernen van Hot White Andy. Een verlangen dat hij zélf heeft en dat voor een belangrijk deel zijn houding ten opzichte van de taal bepaalt, is ‘to desire the right things’. Maar het kost hem veel moeite om voor zichzelf vast te stellen wat die ‘juiste dingen’ dan zijn, en om onder woorden te brengen waarom hij nu precies naar deze dingen verlangt. Dit geeft hem een gevoel van vervreemding: van de maatschappij, van anderen, van zichzelf en van de taal. En dat bepaalt weer zijn poëtische slagorde: ‘My instinct is to make language seem estranged in the same way that I seem to myself estranged.’

Deze bundel is ook een ‘theater van de vervreemding’. Hoewel Sutherland de naam Bertold Brecht niet eenmaal in zijn lezing laat vallen, maakt hij in Hot White Andy veelvuldig gebruik van door Brecht verder verfijnde Verfremdungseffekten, zoals het commentaar leveren op gebeurtenissen, wisselingen van plaats en tijd, het inlassen van bespiegelende tussenpassages en het uitvergroten van menselijke eigenschappen. Met als doel om het publiek, de lezer, aan het denken te zetten.

Sutherland grijpt in zijn lezing terug op de ideeën van Alexander Pope, zoals uiteengezet in zijn Peri Bathouse, or The Art of Sinking in Poetry (1728). Centraal daarin staat het begrip ‘bathos’, dat in Hot White Andy ook letterlijk wordt aangehaald: ‘But is it my life, and is it a homage to bathos?’ Pope was een romanticus en geloofde in de schoonheid en onschuld, de waarheid van de natuur. Een waarheid die zonder fouten is. En een oprechte houding tot de natuur zou ons een ideaal soort vrijheid verschaffen: een vrijheid zonder fouten.

Pope verzette zich tegen de dichters uit zijn tijd die het beeld van de natuur, en dus haar waarheid, aantastten door er ‘absurde of bespottelijke’ beschrijvingen van te geven. In een ironisch bedoelde passage geeft hij aanwijzingen hoe dichters ‘het sublieme kunnen reduceren tot iets ridicuuls’. Wat overblijft noemt hij ‘bathos’: ‘the lowest degree of diminutive poetical description, or unconsciousness of truth in nature.’ Bathos is de diepste put waarin de kunst kan zakken, het tegenovergestelde van het sublieme. Er zijn manieren om bathos in poëzie te bereiken (waarbij aangetekend dat Pope zich bij deze gedachte omdraait in zijn graf), aldus Sutherland:

To achieve bathos poets ought to make their language more difficult or obscure; that they should write about valueness or repulsive objects, what he calls ‘the Dregs of Nature’; that they should introduce ‘Technical Terms’ to the lexicon of poetry, searching among the tiniest details of mechanical arts and science for an esoteric vocabulary; that they should consider ‘Vices’ as translatable through the rhetoric of subservience into ‘Virtues’, itself now a category of behaviour linked inseparably with politics and commerce; and that in general the natural and social environment of the writer should be represented in such a way that it is difficult to recognize, or such that it appears denatured and offensive to common sense.

In deze zin is Hot White Andy inderdaad een hommage aan bathos. John Locke stoorde zich, net als Pope, in hoge mate aan taalmisbruik, met name in de filosofie, wetenschap en de politiek. Maar hij realiseerde zich dat dit vanwege het egoïsme van de mens in zekere zin onvermijdelijk is: zelden verliezen mensen het eigen belang en eigen welzijn volledig uit het oog. Bovendien, voegde Locke er aan toe, willen mensen zich soms ook, als het zo uitkomt, laten misbruiken door taal, laten verlokken tot iets wat overbodig, dom of onwaar is. Locke concludeerde vervolgens dat misbruik van en door taal een vrije keuze is.

Dan neemt Sutherland enkele grote stappen. De afgelopen eeuwen heeft de commercie ervoor gezorgd dat ons huidige idee van vrijheid vooral wordt gedomineerd door het subidee van keuzevrijheid. Bovendien is er een algemeen geloof in de oneindigheid van het aantal zaken of dingen waarnaar we kunnen verlangen. Ook is ons begrip van waarheid in dezelfde periode op losse schroeven komen te staan: absoluut veranderde in relatief, objectief verwerd tot subjectief. En de verlokking door het misbruik van taal kreeg een professioneel jasje aan: reclame. Zo veranderde Popes ideaalbeeld van vrijheid – een vrij zijn van fouten – in een vrij zijn in het maken van fouten. En deze verandering heeft volgens Sutherland ook implicaties voor de poëzie gehad:

For those who believe in it, the freedom of error means that there is no ‘right’ way to make poetry, unless the right way is to act on the instincts of our pleasure, or to achieve commercial success. We are unbounded, able to write without any imaginable restriction or reserve, free to avoid all use of speech that seems generally intelligible, and free to research, throughout our instincts and beyond our habits of rational thought, the very depth and impossible base of abstract sensation.

Hiermee legitimeert Sutherland zijn aanspraak op bathos. Maar het biedt hem nog geen uitweg (als die er al is) voor zijn verlangen naar ‘the right things’. Hij verzucht zelfs: ‘Is it possible not to desire the wrong things?’ In een poging om een uitweg te forceren, reikt Sutherland naar het begrip idee. Aan de hand van de globalisering zet hij uiteen dat de mens ideeën najaagt, ze tracht te verwezenlijken, en daarbij noodzakelijkerwijs deze ideeën – om er in te kunnen geloven en om ze te kunnen verkopen – mythologiseert, ze als ‘waar’ aanneemt: ‘we cannot possibly resist mythologizing ourselves. We have no alternative but this very freedom.’ Maar de wrange werkelijkheid is, zegt Sutherland, dat we in feite aan de zijlijn staan bij alles wat we zien, geen toegang hebben tot echte kennis en derhalve nauwelijks invloed kunnen uitoefenen op dat wat we ooit in gang hebben gezet, met alle negatieve gevolgen van dien.

Dat is waar we nu staan, volgens Sutherland: in het tijdperk van het liberalisme en het kapitaal, dat opzettelijk misbruik maakt van de taal om onze verhouding tot de waarheid steeds weer ter discussie te stellen. Binnen de Engelstalige innovatieve poëzie neemt hij twee verschillende soorten reacties op deze situatie waar: dichters die hun afkeer laten blijken door het schrijven van maatschappijkritische poëzie en dichters die zich fixeren op de gecorrumpeerde taal zelf en zo indirect kritiek leveren. Beide soorten reacties worden echter telkens weer gemarginaliseerd, gewoonweg door ook hun waarheid ter discussie te stellen. De ideologie van het liberalisme sluit op deze wijze het bestaansrecht van andere ideeën uit.

Sutherland kan hier niet mee leven. Hij is een idealist. Hot White Andy is daar een totale, en wat mij betreft zeer geslaagde, uitdrukking van. De uitweg die hij in deze bundel heeft gekozen is ‘to make bathos itself seem estranged, alien, and affective viscerally, such that the thickness and onrush of bathetic language can vitate the relation to truth in a way that seems wrong.’ Hij wil laten zien hoe vreemd en beklemmend de uitsluiting van hoopgevende ideeën door het liberalisme is. ‘I want poetry not to be like reality, but to be as impossible as reality.’

Globalisering als belachelijk fetisj

En vreemd is Hot White Andy. De globalisering neemt uiteindelijk in mijn gedachten de gedaante van een belachelijk fetisj aan: een voorwerp van afgodische verering waaraan magische eigenschappen toegeschreven worden én voorwerp is van erotische verering. De dichtheid van de taal en de betekenisontwikkelingen in deze bundel zijn zó groot, dat lezen ploeteren is, in mijn geval een aangenaam ploeteren, en ik voortdurend word gedwongen om even uit te rusten, afstand te nemen en na te denken over wat er is gezegd. Sutherlands taalvirtuositeit zorgt ervoor dat ik de tekst niet halverwege definitief wegleg, maar er steeds weer naar blijf teruggrijpen. Hot White Andy is én geëngageerd én gefocust op taal. Dit gedicht, dat zich zeer bewust is van zichzelf, biedt temidden van de sombere werkelijkheid van onze tijd een flikkering van hoop, en wel dat (ik citeer de ook door Sutherland gelezen Belgische marxist Ernest Mandel) ‘vervreemding een historisch product is en een door mensen geschapen kwaad, niet een kwaad dat in de natuur of de menselijke aard geworteld is. Evenals al het andere dat door de mens is voortgebracht kan het ook weer door de mens ongedaan gemaakt worden.’ En ja, ik ben medeplichtig.

1 reacties

Mooi stuk - ik heb de bundel inmiddels besteld bij Barque, heel benieuwd.


Intrigerende zin: “Nergens biedt de dichter strohalmen waaraan ik me zou kunnen vastklampen, op basis waarvan ik zou kunnen zeggen: dit is mijn wereld niet, hier hoor ik niet bij.”

 

Meestal wordt er juist gedacht dat lezers in poëzie op zoek zijn naar ‘strohalmen’ van herkenbare referenties, en dat een poëzie die het herkenbare frustreert (of “de taal ontregelt,” wat dat ook moge wezen) dan een “verontrustend” effect zou hebben, maar je stelt hier min of meer het omgekeerde: juist dat je je wereld wel herkent is wat verontrust. Vind ik een spannender gegeven.

  • Door Samuel Vriezen
  • gepost op
    04-01-2010, om 9:55:35

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?