cover big

God nu ook voor goddelozen

Marc De Kesel

Over Mystiek voor goddelozen van Henk van der Waal

Querido, Amsterdam/Antwerpen, 2017,
ISBN 9789021404356 / 432p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 22-12-2017

Bookmark and Share

1.

Religie is uit en mystiek is in. Het is oud nieuws. Religie is doctrine, regels en, zodra men die gaat opleggen, geweld. Mystiek daarentegen is gevoel, intuïtie, vrijheid. Daarom is mystiek voor iedereen, ook voor ongelovigen en zelfs voor regelrechte goddelozen. Filosoof en dichter Henk van der Waal (1960) schreef een dikke pil om ons daarvan te overtuigen. Plato indachtig kiest hij voor de filosofische vorm bij uitstek, de dialoog. Meer dan vierhonderd pagina’s lang gaan een ‘welwillende’ en een ‘raadselachtige’ met elkaar in gesprek en laten rustig en nauwgezet alle argumenten pro en contra de revue passeren. Aan de hand van de ‘welwillende’ – want dat moet je wel een beetje zijn, anders begin je gewoon niet aan zo’n boek – en geleid door de ‘raadselachtige’, raak je als lezer gaandeweg ingewijd in raadsels die al vanaf het eerste gesprek als ‘het mystieke’ worden geduid (titel ook van het eerste van de drie delen).

Nee, het gaat in de mystiek niet om God. Al in het voorwoord laat de auteur geen misverstand toe. Zelfs al beseffen de discussiepartners dat ze ‘het veel minder goed zonder hem kunnen rooien dan ze aanvankelijk dachten’ en zijn ze zelfs geneigd hun ‘voelhorens’ in die richting uit te steken, toch doen ze dit

niet om die God op het spoor te komen, dat zeker niet, maar om ons gevoelig te maken voor het opene en koesterende dat al veel ouder is dan die God en dat zich volgens hen in de diepte van ons zelf heeft genesteld en zich verscholen houdt in de grondtrekken van het universum.

In mystiek gaat het niet om de doctrinaire God van de religies, om de God die je klein houdt en je verplicht je helemaal aan Zijn alles opbrandende transcendentie over te geven. Integendeel, mystiek is er opdat je eindelijk ongeremd zou kunnen zijn wie je bent. In hetzelfde voorwoord zegt Van der Waal daarover:

Dit is nieuw, weet je, want doorgaans is de weg naar het mystieke geplaveid met de loochening van de eigen verlangens en de eigen subjectiviteit. Dat is nu voorbij, omdat het inzicht is doorgebroken dat je eigen naam en identiteit, dat je eigen subjectiviteit dus, juist de toegang is tot het mystieke dat zich in de diepte van je ervaring schuilhoudt. Én tot de koestering die jou vanuit dat mystieke toevalt.

Het boek neemt alle tijd en ruimte om uit te leggen wat die eigen identiteit van de mens is. Het pikt de vraag op die iedereen zich wel eens stelt: ‘Wat doe ik hier?’ – en spit die helemaal uit. Wie ben ik? Wáár sta ik binnen het zijn, wat is mijn plaats daarin? En wat betekent het dat ik tijdelijk ben? Wat is tijd, en hoe ben ik in de tijd? Of ook: hoe bén ik tijd?

Een tip van de sluier wordt al in de eerste pagina’s van het boek opgelicht. Het ik dat we zijn, daarin houdt zich niet alleen ‘een heel verleden verzameld’, het is op zich ook een product van de tijd, van een tijd die bloeit en waarvan je kan leren ‘dat je een tijdbloem bent’. Want dat is wat het hele universum – het ‘zijn’ – ook doet: ‘tijdbloeien’, zo formuleert Van der Waal het.

Het woord is onbestaand en dat is voor de auteur op zich al symptomatisch. We gaan al eeuwen te eng-technisch met de werkelijkheid om, we zijn vergeten dat die werkelijkheid – die van onze eigen subjectiviteit incluis – een organisch bloeiend geheel is en dat de tijd daarin een onontbeerlijke dimensie vormt. Uit de dialoog van de gesprekspartners blijkt vaak hoe ze doorhebben dat

die technologie onze organische natuur zodanig naar haar hand zet dat hetgeen wij doorgaans als onszelf of onze subjectiviteit ervaren langzaam maar zeker uit ons wordt weggefilterd.

En die subjectiviteit moet teruggewonnen worden, heet het dan. We moeten de vrijheid tegenover de techniek en ons gemechaniseerde universum opnieuw veroveren, ‘want alleen die vrijheid maakt het ons mogelijk om de wereld de goeie kant op te duwen’. En dat kunnen we dan weer pas doen wanneer we afgestemd zijn op de vrijheid van het zijn, wanneer we leven vanuit de plaats die we daar hebben en waar we mee ‘tijdbloeien’ op de cadans die het zijn ontvouwt. Wanneer we met andere woorden openstaan voor de ‘oergift’, voor de ‘ijle koestering’ die ons ‘vanuit dat mystieke toevalt’.

Dit is wat mystiek doet, aldus de auteur: zij voert ons terug naar de grond van ons zijn. En dat mystiek iets met stilte, rust, niet-handelen, meditatie en dergelijke te maken heeft, kent zijn diepe wortels in de kosmische ‘tijdvertraging’ die sinds de oerknal ons universum kenmerkt.

Om die mystieke verankering in het zijn uit de doeken te doen, zet de auteur nagenoeg het hele domein van de geavanceerde wetenschap in en laat daarvoor geen bevinding ongemoeid, of die nu uit het domein van het elementair-atomaire, het astrofysische, het chemische of het neuro- en anderszins biologische komt. Maar evengoed biedt het boek een bloemlezing van citaten en verwijzingen uit domeinen als filosofie, literatuur, cultuurkritiek, psychologie en andere menswetenschappen. Onmogelijk om in het korte bestek van een recensie een overzicht te geven van het systeem dat in de loop van de dialogen uit de doeken wordt gedaan en dat duidelijk de ‘body’ vormt voor Van der Waals mystiekthese. En een kritiek op de diverse aspecten ervan is hier al helemaal onmogelijk.

2.

Maar een algemene kritiek op Van der Waals mystiektheorie laat zich hier wel formuleren. Want wat is een mystiek die ons terugvoert naar de bronnen van ons ‘zelf’ en – wat op hetzelfde neerkomt – van het zijn als zodanig? Verschilt die zo erg van de oude mystiek die de mond vol had over God? Ook die mystiek hield de mens voor opnieuw aansluiting te kunnen vinden bij de bronnen van het zijn. Het is juist dat al die bronnen toen leidden naar de ene bron die God was, een God die nog mysterieuzer bleek dan Hij al was nu Hij werd omgeven door een mystieke ‘cloud of unknowing’ (naar het beroemde middeleeuwse mystieke traktaat). Anders dan die oude mystiek, laat Van der Waal de ‘wolk van niet-weten’ optrekken en maakt hij zichtbaar waarover het in die mystiek gaat. Waar de oude traktaten zich in religieuze metaforen verliezen en uitmonden in een even majesteitelijk als leeg stopwoord ‘God’, legt Van der Waal haarfijn uit waarover het in de mystiek gaat en laat hij zien hoe de mystieke poging om aan te knopen bij de bron van ‘zelf’ en ‘zijn’ alles te maken heeft met datgene waar we in wetenschap en filosofie mee bezig zijn, tot en met de ‘oerknal’, dit absolute begin van het universum.

In die zin klopt de titel die Van der Waal zijn boek meegeeft. Mystiek heeft God niet nodig om te zijn wat zij is. Precies niet. Je kunt alles waar het daar om draait haarfijn uitleggen zonder enige verwijzing naar of vermelding van God.

Maar wat als Van der Waals verhaal klopt? Niet alleen dat mystiek het evengoed en beter zonder God kan stellen, maar dat zij doet wat ze volgens hem doet: ons terugvoeren naar de bron van het zijn; ons opnieuw doen voelen wat het betekent dat in ons het ‘tijdbloeien’ van het universum gaande is; ons ontvankelijk maken voor ‘ijle koestering’ die ons vanuit de ‘oergift’ toevalt? Zijn we dan niet precies daar waar de oude mystiek ons wilde brengen en waarvoor ze, weliswaar bekennend dat die plek onuitsprekelijk is, toch de naam God reserveerde? Als de mystiek waarin Van der Waal ons inwijdt ‘voor goddelozen’ bedoeld is, dan zijn die aan het eind van het boek juist daar waar de oude – voor gelovigen en devoten bedoelde – mystiek God zag schitteren.

Van der Waals narratief is niet langer religieus. Het verwijst (om het bij dat ene voorbeeld te houden) niet meer naar de eeuwigheid die aan de tijd zou ontsnappen, maar voert ons juist binnen in de tijd zelf, in de vertragende dans die de tijd sinds de oerknal ten beste geeft en waarop onze spirituele pirouettes van stilte en meditatie meedansen om ons zodoende voeling te doen krijgen met onze ware plaats in het universum. Maar dit belet niet dat Van der Waals mystiek datgene realiseert waar de oude idee van God voor stond: een rusten in de gronden van het zijn. De goddeloze mystiek die hij voorschotelt, is niet het tegendeel van de goddelijke mystiek van weleer: het is er de verwerkelijking van. Het is de waarheid van de religie, en in die zin is het ware religie: religie die haar ‘sacrale’ narratief niet eens meer nodig heeft omdat ze dat laatste in waarheid, in werkelijkheid omgezet acht.

Wat Van der Waal naar voren schuift, blijft op de een of de andere manier toch ‘religie’, ook juist omdat het mystiek blijft. Het boek levert geen haarfijn bewijs voor de bron van het zijn, het biedt slechts een handleiding op de weg daarheen. Die weg vereist welwillendheid, niet alleen om die weg te beginnen maar ook en vooral om hem tot het einde vol te houden, want ook aan het einde zal je het raadselachtige waardoor je getriggerd was, als een blijvend raadsel – een zich nooit geheel gevende ‘oergift’ – voor lief moeten nemen.

Maar zelfs als Van der Waals Mystiek voor goddelozen nog te ‘religieus’ zou zijn, is het, los daarvan, niet haar verdienste dat zij modern is? Is het geen pluspunt dat zij in elk geval het religieuze narratief achter zich laat en aansluiting zoekt bij de meest geavanceerde resultaten uit zowat alles wat onze tijd aan wetenschap en filosofie te bieden heeft?

De vraag is echter of zoiets een mystiek ook modern maakt. Het hangt natuurlijk af van hoe je ‘modern’ definieert. Maar feit is wel dat de moderniteit zich, van bij haar ontstaan in de zeventiende eeuw, steeds harder is gaan afzetten tegen het idee dat we de kern van de werkelijkheid kunnen kennen. Isaac Newtons fysica doet daar uitdrukkelijk afstand van en beschouwt de werkelijkheid waar de wetenschap het over heeft als een mechanisch universum van ‘dode’ lichamen, ‘vallend’ in een peilloze oneindigheid. Niet dat die lichamen geen diepe kern zouden hebben, maar wetenschap begint voor Newton precies waar men de vraag daarnaar niet meer stelt. Immanuel Kant heeft dat wetenschapsparadigma zo overtuigend filosofisch beargumenteerd dat het zich, ondanks alle Kantkritiek, tot op heden doet gelden. Sindsdien benaderen we de werkelijkheid niet meer vanuit haar essentie, vanuit haar diepe kern, en al zeker niet vanuit een kern die wijzelf met die werkelijkheid zouden delen. Wij benaderen met andere woorden de werkelijkheid niet langer vanuit Diegene die de grond uitmaakt van zowel de werkelijkheid als onszelf, een grond die de middeleeuwen God noemden. Dit is wat met de boutade ‘God is dood’ wordt bedoeld. God functioneert niet langer als het uitgangspunt van waaruit we de werkelijkheid benaderen. Wie die wel vanuit God benadert, doet aan Schwärmerei, zegt Kant – of waagt zich aan ‘mystiek’.

En toch was de tijd waarin Newton en anderen dit moderne wetenschapsparadigma introduceerden, tegelijk de tijd waarin de mystiek een ongezien hoge bloei kende. De mystieke geschriften van François de Sales, Madame Guyon, François de Fénelon, Angelus Silesius – om er maar enkelen te noemen – behoorden tot de bestsellers van hun tijd. Wie deze teksten aandachtig leest, merkt echter snel hoe die auteurs weliswaar weer aansluiting willen bij de bron van het zijn (die voor hen nog steeds God heet), maar daar vooral niet in slagen. In plaats daarvan komen ze zichzelf tegen; ze botsen tegen hun eigen Ik aan als tegen een onoverwinnelijk obstakel.

De hoofdtendens van de vroegmoderne mystiek valt samen met een schier onvermoeibare bevraging van het Ik in zijn pretentie aan te sluiten bij de bron van de werkelijkheid. De mystieke teksten uit die tijd tonen ons niet een Ik dat rust in de bron van het zijn, maar een Ik dat in zichzelf blijft steken en daarom nooit echt aan die bron toekomt. Niet een Ik dat zich in de waarheid van een kosmisch Zelf gerealiseerd weet, maar een Ik dat pijnlijk het eigen oneigenlijke zelf blijft. De vroegmoderne mysticus laat geen moeite onverlet om zichzelf te verliezen en geheel op te gaan in het mystieke ‘zelfloze Zelf’ dat aan de basis van de werkelijkheid ligt. De facto echter verliest hij zich enkel in zijn poging daartoe en blijft hij zitten met zijn vervreemde, van elke aansluiting bij de bronnen van het zijn verstoken ‘zelf’.

De moderniteit valt te definiëren als ‘de dood van God’. Dit wil vooral zeggen dat wij als moderne mensen geen aansluiting meer vinden bij de bron van het universum waarin (en waarvan) we leven. Uit de natuur spreekt niet langer de bron waaruit die voortkomt. Uit ons diepste innerlijk – onze ‘ziel’ – spreekt niet langer de Ziel die het hele universum ‘bezielt’. De moderne mystieke teksten (van Fénelon in de zeventiende tot Simone Weil in de twintigste eeuw) getuigen alle op hun manier vooral van de ‘dood van God’. Het is vreemd vast te moeten stellen dat Van der Waals Mystiek voor goddelozen dit vooral niet doet. Zijn goddeloze mystiek laat de mens toe mee te deinen op de kosmische danspas die het universum er sinds de oerknal op nahoudt. In die zin pretendeert die mystiek opnieuw aan te kunnen sluiten bij de bronnen van de werkelijkheid en maakt ze ‘de dood van God’ ongedaan. Zijn boek brengt God terug. Helemaal, want nu ook voor goddelozen.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?