cover big

Hackers als voorhoede van de globalisering

Frank Vande Veire

Over Pleidooi voor radicalisering van Dyab Abou Jahjah

De Bezige Bij, Amsterdam, 2016,
ISBN 9789023499831 / 157p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 11-12-2016

Bookmark and Share

Wanneer enkele Nederlandse schrijvers, die toch verondersteld worden radicale verdedigers te zijn van het vrije woord, uit een uitgeverij stappen of dreigen dat te doen om die uitgeverij te dwingen niet met een auteur in zee te gaan, moet die auteur toch wel een soort monster zijn. Dat monster is Dyab Abou Jahjah (1971), een Belg van Libanese afkomst die zich ‘activist’ noemt en een column heeft in De Standaard. Wat Jahjah volgens die weldenkende schrijvers tot een monster maakt is dat hij het aandurft het zionisme een verwerpelijke, racistische ideologie te noemen. Bijgevolg moet hij wel een antisemiet zijn, en wanneer iemand dat label eenmaal heeft gekregen hoef je geen argumenten meer tegen hem te gebruiken, dan kun je hem met een goed geweten met drek overgieten, want bestaat er op aarde een lager wezen dan een ‘antisemiet’? Daarbij komt dat velen hun abonnement op de VPRO Gids opzegden toen bekend werd dat Jahjah was uitgenodigd voor het tv-programma Zomergasten. Het lijkt erop dat een flink deel van ‘progressief’ Nederland de weg kwijt is. Stel dat De Bezige Bij een auteur in huis had genomen die, zoals trouwens tallozen, de bezetting van Palestina door Israël een ‘mythe’ noemt en zelfs vindt dat de Israëlische regering het Palestijnse volk nog veel te zacht behandelt, zouden dan ook allerlei huisschrijvers hun duivels tegen die auteur hebben ontbonden? Natuurlijk niet.

Ikzelf beschouw Abou Jahjah, met wie ik het vaak heel erg eens en soms even erg oneens ben, sinds lang als iemand die het maatschappelijk debat op een vruchtbare manier openbreekt. Daarom keek ik ook uit naar zijn boek – waardoor mijn teleurstelling des te groter was.

Er is vooreerst iets misleidends aan de titel. Pleidooi voor radicalisering mikt op het provocerende van het woord ‘radicalisering’. Maar de brave lezer wordt meteen gerustgesteld. Zoals de Cambodjaanse Rode Khmer is IS een voorbeeld van ‘destructief radicalisme’. Jahjah daarentegen pleit voor een constructief radicalisme, en legt meteen uit dat alle verworvenheden die we vandaag koesteren (democratie, mensenrechten, sociale rechten, vrouwenrechten…) te danken zijn aan mensen die destijds als gevaarlijke ‘radicalen’ werden weggezet.

De titel suggereert ook dat je een soort uitdagend manifest of schotschrift mag verwachten, maar helaas is het boek daarvoor te stroef geschreven. Jahjah hanteert het nogal mistige jargon dat sociale wetenschappers of politicologen vaak bezigen. Alsof hij zich hiervan bewust is, zegt hij dan ook dat de lezer het politiek-filosofische hoofdstuk over ‘systeem en macht’ mag overslaan… Hiermee geeft hij eigenlijk toe dat hij er niet in slaagt de abstractie van de theorie te combineren met de aandacht voor concrete fenomenen. Bovendien wekt Jahjah, ook door zijn bibliografie, niet de indruk theoretisch erg onderlegd te zijn. Zo legt hij niet helder en overtuigend uit wat Michel Foucault met controlemaatschappij en biopolitiek bedoelt, en neemt hij dat ook verder niet mee in zijn betoog. Het is evenmin duidelijk wat hij van Antonio Gramsci heeft geleerd. En waar haalt hij het om Alain Badiou, die elk economisch determinisme radicaal afwijst, een ‘orthodox marxist’ te noemen? Het is vooral jammer dat dit gebrek aan theoretische diepgang niet wordt goedgemaakt door de polemische bevlogenheid die Jahjah in zijn columns vaak wel heeft. Jahjahs boekje valt dus tussen wal en schip: het werkt niet als polemisch geschrift dat ‘activisten’ kan enthousiasmeren, maar evenmin als politicologische analyse.

Het lijkt er soms op dat Jahjah, geïntimideerd door al de heisa die aan de publicatie van dit boek voorafging, op veilig gespeeld heeft. Is bijvoorbeeld zijn nette scheiding tussen destructief en constructief radicalisme niet wat te braaf, te ‘politiek correct’, en gewoon al te abstract, onhistorisch? Wat bijvoorbeeld met de Franse Revolutie, die ondanks haar destructieve aspect op de lange termijn toch een emancipatorisch effect had, zoals Jahjah tijdens zijn optreden in Zomergasten ook zei? En hoe zit het bijvoorbeeld met de beweging waarin hij zich geëngageerd heeft, de Zuid-Libanese Hezbollah, een sociaal-politieke beweging die ook aanslagen pleegde? En wat met het Zuid-Afrikaanse ANC ten tijde van de Apartheid, of het Noord-Ierse IRA?

Hij maakt zich er ook te gemakkelijk vanaf wanneer hij terloops het zionisme bij de destructieve radicalismen onderbrengt. Jahjah weet natuurlijk goed dat de zionistische beweging erin geslaagd is om een, aanvankelijk socialistisch geïnspireerde, goed functionerende, economisch bloeiende democratie op te bouwen. Dat dit ten koste ging van de gedeeltelijke destructie en uitsluiting van de oorspronkelijke bevolking, neemt niet weg dat het zionisme constructief was, net als het racistische apartheidsregime dat een exclusief blanke democratie wist op te bouwen, waardoor de zwarte bevolking na de val van het regime van de blanken een democratische rechtsstaat kon erven.

Jahjah slaat soms onnodig een polemische toon aan terwijl hij open deuren intrapt, bijvoorbeeld wanneer hij zegt dat niet ideologie de bepalende factor is voor (destructieve) radicalisering maar ‘geopolitieke en andere objectieve omstandigheden’. Iedereen weet dat zonder de economische crisis en de vernedering door het verdrag van Versailles Adolf Hitler nooit succes zou hebben gehad. Maar moeilijker is het te verklaren waarom miljoenen in Hitlers oorlogszuchtige en racistische retoriek een oplossing zagen voor de crisis, en hoe hij hen kon doen geloven dat vooral de Joden de oorzaak waren van alle onheil dat Duitsland zogenaamd bedreigde.

Jahjah ziet een analogie tussen het nazisme en de radicalisering van moslims. Als ‘objectieve’ oorzaken daarvan noemt hij Israëls bezetting van Palestina, de inval in Irak, plaatselijke dictators, racisme in de diaspora… Maar hij legt niet uit hoe het komt dat de frustratie en de vernedering die dit alles teweegbrengt zich sinds geruime tijd uiten in religieus fundamentalisme. Osama Bin Laden lag niet wakker van het lot van de Palestijnen; zijn heilige woede werd eerder opgewekt door bijvoorbeeld vrouwelijke Amerikaanse soldaten die tijdens de Eerste Golfoorlog voet aan wal zetten op de heilige grond van Saoedi-Arabië. Het islamisme vertaalt de tegenstelling tussen onderdrukten en onderdrukkers in een tegenstelling tussen gelovigen en ongelovigen; het vertaalt de gefrustreerde aspiraties van de massa in het Midden-Oosten om tot de welvarende middenklasse door te dringen in een religieus-ideologische veroordeling van de ‘decadente’ westerse levensstijl. Zo’n ideologische vertaling verhult voor het volk de werkelijk oorzaken van zijn problemen. En eigenlijk bezondigt Jahjah zich ook aan zo’n ideologische verhulling wanneer hij de bezetting van Palestina als een belangrijke oorzaak van de Arabische ellende aanwijst. De haat tegen Israël functioneert sinds lang als opium voor het Arabische volk: zolang men aan Israël-bashing kan doen, hoeft men niet de hand in eigen boezem te steken.

Overigens is er iets gelijkaardigs aan de hand met onze verhouding tot migranten. De bewering dat sommige groepen van migranten problemen veroorzaken is uiteraard op zich niet racistisch. Racistisch wordt het pas wanneer men, zoals alle extreemrechtse partijen in Europa doen, de migranten beschouwt als het grootste probleem waarmee Europa vandaag te kampen heeft.

Jahjah ziet ideologieën te zeer als instrumenten in handen van mensen. Hij onderschat hoezeer ideologie een eigen dynamiek heeft. Zo schrijft hij: ‘Gemeenschappen en groeperingen staan niet in dienst van de ideologie, het is de ideologie die in dienst staat van hen’. Dat is een vreemde bewering, omdat hij heel goed moet weten hoe (zelf)destructief het nazisme voor de Duitsers en het islamisme voor de moslims was.

Jahjah onderschat ook het gewicht van ideologie in de radicalisering van jonge Europese moslims. De oorzaak van die radicalisering, schrijft hij, is ‘een gebrek aan bevrediging in hun leven, maar ook en vooral ellendige omstandigheden’. De vraag is dan waarom andere migranten, die in hetzelfde schuitje zitten, niet radicaliseren. Komt dit niet doordat moslims in hun wrok tegen het systeem door de globalisering (vooral via internet) gemakkelijk aansluiting vinden bij een fundamentalistische ideologie die al decennia lang wereldwijd in opmars is en waarvan IS slechts de krankzinnigste exponent is?

Het is ook jammer dat de tegendraadse Jahjah zo kritiekloos de rampzalige term ‘islamofobie’ hanteert. Je kunt mensen niet verwijten islamofoob te zijn. Uiteraard hebben maar heel weinig moslims sympathie voor IS, maar dat neemt niet weg dat, om maar iets te zeggen, tot op vandaag vijfenzeventig procent van de vrouwen in Egypte besneden wordt en dat in de ranking van landen met de meeste vrouwenonderdrukking alle islamitische landen behoorlijk bovenaan prijken. Vele autochtonen zijn terecht bang dat dit soort cultuur naar hier wordt overgebracht, zoals ze vrezen voor de sympathie van de meerderheid van de Europese Turken voor Recep Tayyip Erdoğan en het wijdverbreide Turkse negationisme ten aanzien van de Armeense genocide. Autochtonen zijn ook niet verplicht om immigratie als een culturele verrijking te zien, net zomin als ze blij moeten zijn met de kerstman of Halloween. Immigranten moeten gewoon dezelfde rechten krijgen op het gebied van huisvesting en werkgelegenheid.

Het belangrijkste gedeelte van Jahjahs boek heeft evenwel geen betrekking op moslims of de Arabische wereld, maar op de globalisering. Hierbij tovert hij zeer ruw een theorie over de macht uit zijn hoed. Hij stelt macht abstract voor als een de wereld omspannend monster dat zichzelf wil versterken en uitbreiden en dat sinds jaar en dag door zowel ‘destructieve’ als ‘constructieve’ radicalen wordt bestreden. Alle positieve verworvenheden, alle uitingen van beschaving, zijn er ondanks ‘de macht’. Zo zijn democratie, mensenrechten, sociale rechten allemaal concessies die ‘de macht’ heeft moeten doen. Vanuit het oogpunt van de macht zijn het toegevingen en dus nederlagen.

De macht concentreert zich altijd in ‘complexen’ waarin kennis essentieel is: industrieën, universiteiten, media, dienstverlenende instanties, banken… Deze complexen doorbreken steeds meer de grenzen van de natiestaat en tenderen naar een ‘steeds mondialere clustering’. Die clustering is een onpersoonlijk en doelloos gebeuren waarop zelfs de elites geen vat hebben. ‘De macht is inderdaad niet te beheersen en zal niet meer getemd kunnen worden door grenzen of regels’, stelt Jahjah dreigend. De natiestaat wordt steeds machtelozer, en daar is hij niet rouwig om. Hij neigt ertoe alle pogingen om de soevereiniteit van de natiestaat te bewaren af te doen als krampachtig ‘nationalistisch’, ‘protectionistisch’ en potentieel racistisch.

Jahjah vervalt hierbij in een te simplistische tegenstelling, namelijk die tussen een achterlijk, protectionistisch, altijd naar extreemrechts neigend nationalisme en een progressief, kapitalistisch, ‘politiek correct’ globalisme. Hoe gebrekkig deze tegenstelling is, verraadt hij in zijn toch wel heel korte verklaring van de Brexit: ‘De Brexit was niets anders dan een manifestatie van die nationalistische demonen, opgeroepen door de protectionistische elites.’ Was deze nationalistische impuls ook niet gekleurd door een afkeer van globalisering als de zaak van een kapitalistische elite? Straften vele kiezers niet ook het neoliberale beleid van David Cameron af? Is het probleem niet dat, aangezien Europees links het vertikt vorm te geven aan een andere, meer sociale gedaante van globalisme, het onbehagen over de kapitalistische globalisering steeds meer door extreemrechts wordt uitgebuit? Zonder een constructief andersglobalisme krijg je een wrokkig, destructief antiglobalisme.

Door de globalisering ontstaat volgens Jahjah een soort mens die niet meer gebonden is aan een natiestaat, een individu met een ‘mondiale identiteit’. Er bestaat nu reeds een mondiale middenklasse die ‘dezelfde consumptiepatronen’ vertoont en over een ‘cultura franca’ beschikt. Jahjah stelt deze mondiale cultuur zeer formalistisch voor. Zo stelt hij dat ze ‘ogenschijnlijk vol zit met componenten uit de Amerikaanse cultuur’. Terwijl hij zo vaak opkomt voor moslims die hun ‘identiteit’ affirmeren, lijkt hij geen oog en dus ook geen problemen te hebben met het vulgair hedonisme en consumentisme dat vanuit de Verenigde Staten de hele wereld inpalmt.

Jahjah verheugt zich over de gestadige afbrokkeling van de natiestaten. Maar is dat niet lichtzinnig in een wereld waarin de multinationals zich meer bekommeren om hun aandeelhouders dan om hun arbeiders, waarin de internationale misdaad welig tiert, waarin ondemocratische organisaties zoals de Wereldbank het voor het zeggen hebben, waarin de grootmachten de macht van de Verenigde Naties willen inperken? Gelukkig zegt Jahjah erbij dat de natiestaat toch nog kan dienen om zich te verzetten tegen internationale handelsakkoorden zoals TTIP die de multinationals juridisch nagenoeg onaantastbaar maken.

Jahjahs afkeer van de natiestaat is verbonden met zijn aversie tegen elke concentratie van macht in ‘complexen’ en ‘systemen’. ‘Macht als systeem is ten diepste corrupt’, luidt het. Of: ‘de macht is in essentie een barbaars systeem. Het is de antithese van beschaving.’ Zo’n harde tegenstelling lijkt me gevaarlijk abstract en zelfs lichtelijk paranoïde. Jahjah wil vermijden dat de macht de beschaving ‘integreert in haar instituties en complexen’. Maar is zo’n integratie niet onvermijdelijk en noodzakelijk? Ooit werd de roep van het volk om inspraak vertaald in een democratie waarin het volk zijn macht delegeert aan een verkozen parlement; de roep van de arbeidersmassa om sociale rechten werd vertaald in vakbonden die hun macht kunnen laten gelden; het verlangen naar een vrij, enkel door de rede geleid onderzoek inspireerde de stichting van universiteiten; de strijd voor emancipatie en een hogere levensstandaard leidde tot de schoolplicht; mensenrechten werden verankerd in de grondwet, enzovoort. Al deze machtige complexen, hoe onvolmaakt en vatbaar ook voor corruptie, hebben beschaving gebracht. Uiteraard waren de motieven achter de creatie en consolidering van deze complexen nooit zuiver, en die complexen hebben de neiging om te verstarren en te vervreemden van de mensen voor wie ze gemaakt zijn, maar een minimum aan vervreemding is structureel onvermijdelijk, tenzij je het anarchistische idee zou aanhangen van een ‘directe democratie’.

Geïnspireerd door de filosofen Michael Hardt en Antonio Negri ziet Jahjah het als de taak van de ‘constructieve radicalen’ om ‘de macht als concentratie te ontmantelen en haar te reduceren tot haar oorspronkelijke natuur als een diffuse, middelpuntvliedende gemeenschappelijke kracht’. Hij bedoelt dat de machtscomplexen moeten worden afgebouwd ten gunste van de ‘commons’, dat wil zeggen ‘niet gecentraliseerde machtscomplexen’. Zoals Jahjah ze beschrijft zijn het vooral parasitaire structuren. Het hacken is zijn centrale metafoor, een legale of illegale toe-eigening van een gecentraliseerd complex. Zo kan Facebook, dat gemaakt werd voor het sturen van informatie en marketing, op een tegendraadse manier gebruikt worden. Jahjah denkt ook aan peer-to-peerplatforms die muziek, boeken en software van internet halen en gratis binnen ieders bereik brengen. Zo’n ‘radicalisme’ lijkt me niet erg ‘constructief’, eerder formalistisch en nietszeggend. Via Facebook kun je zowel de afschuwelijkste samenzweringstheorieën of valse geruchten verspreiden als onderbouwde kritiek leveren op het systeem. En sluit al dat illegaal gedownload niet perfect aan bij de hedendaagse dwangmatige behoefte om zich zoveel mogelijk ‘info’ toe te eigenen?

Jahjah is ook een fan van Airbnb en Uber. De vraag is wat er zo ‘radicaal’ is aan dit soort parasitair platformkapitalisme, tenzij dat dergelijke organisaties zich listig weten te onttrekken aan de belastingplicht en aan elke sociale verantwoordelijkheid. Jahjah geeft trouwens toe dat dit soort ‘radicalisme’ niet altijd ethisch is. Het hacken van het systeem kan ‘soms ideologisch zijn, soms winstgedreven, en soms gewoon destructief’. Maar waarom sympathiseert hij er dan mee? Surfen zulke organisaties niet gewoon lustig mee met het zich globaliserende kapitalisme onder het mom stokken in de wielen te steken? In elk geval verraadt Jahjah hier dat zijn houding tegenover het kapitalisme vaag is. Enerzijds brengt hij tegen Karl Marx in dat kapitaal maar één van de vele vormen is die de macht kan aannemen. Anderzijds spreekt hij toch een puur retorische banvloek over het kapitalisme uit. Al met al is het onduidelijk waar Dyab Abou Jahjah met de wereld naartoe wil.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?