cover big

Het bovenzinnelijke tussen de zinnen

Siebe Bluijs

Over Wormen en engelen van Maarten van der Graaff

Atlas Contact, Amsterdam, 2017,
ISBN 9789025449704 / 270p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 13-11-2017

Bookmark and Share

Wormen en engelen, de debuutroman van Maarten van der Graaff (1987), positioneert zich expliciet tegenover de Nederlandse romantraditie waarin wordt teruggeblikt op een gereformeerde jeugd (Maarten ’t Harts Een vlucht regenwulpen (1978) en Jan Wolkers’ Terug naar Oegstgeest (1965) worden bijvoorbeeld genoemd in de roman). Zulke boeken beschrijven een emancipatoire ontwikkeling van geloof naar secularisatie die vaak samenvalt met de trek van platteland naar de grote stad. Hoofdpersonage Bram Korteweg vat het als volgt samen:

Het is een bekend Nederlands recept: verwijdering van ouders en familie, heimwee vermengd met triomf, ontluikend kunstenaarschap (onbegrepen in de oude kring). Dan dient een nieuwe familie van interessante vrienden en geliefden zich aan, seksuele emancipatie en opwaartse mobiliteit volgen, gesymboliseerd door muziek, feesten, romans, exposities, films.

Het verhaal van Bram laat zich ten dele ook langs deze lijnen samenvatten. Hij groeit op op het Zuid-Hollandse eiland Goeree-Overflakkee, gaat studeren in Utrecht, vindt interessante vrienden met wie hij gesprekken voert over kunst en literatuur, bezoekt feestjes waar xtc wordt gebruikt en heeft schrijfaspiraties.

Twee personen in Brams leven maken de beweging van geloof naar secularisatie in tegengestelde richting. Brams vader wil zich plotseling laten dopen en Brams vriend en leeftijdgenoot Paul besluit dominee te worden op, uitgerekend, Goeree-Overflakkee. Deze gebeurtenissen doen Bram besluiten te onderzoeken hoeveel van het gelovige eiland nog in hem leeft. ‘Dus moet ik terug’, schrijft Bram in een e-mail aan Paul. ‘Niet om me te warmen aan nostalgie of om afstand te nemen, laat staan wraak, maar om dichterbij te komen.’

Bram heeft, in tegenstelling tot de personages uit de bekende ontvoogdingsromans, geen persoonlijk probleem met het geloof; hij beleeft hoogstens een soort ongemak. Hij gaat terug, omdat het geloof nog steeds een rol speelt in zijn leven, maar ook in de samenleving. Al is daar volgens Bram in de hedendaagse literatuur weinig van te merken: ‘[e]r wordt bijna nooit serieus over religie geschreven. Op een complexe manier. Ook niet in fictie, trouwens. Noem één hedendaagse roman met een religieuze hoofdpersoon.’ De jonge dominee Paul is, volgens Brams vriendin Lena, iemand aan wie documentaires over millennials doorgaans voorbijgaan, hoewel ook híj een kind is van zijn tijd.

Dat religie in de literatuur nauwelijks een rol speelt, is overigens niet geheel waar. Opvallend zijn bijvoorbeeld de overeenkomsten tussen Wormen en engelen en de in oktober 2017 verschenen roman van Franca Treur (1979), Hoor nu mijn stem, een auteur die ook buiten haar romans over religie schrijft. Net als Van der Graaffs roman gaat dit boek over de terugkeer naar een gereformeerd eiland. In beide gevallen staat de spanning tussen individu en gemeenschap centraal en betreft het eerder een toenadering tot dan een afrekening met het religieuze verleden. Bovendien wordt ook in Treurs roman religie uitdrukkelijk verbonden met geluid (bijvoorbeeld in de titel).

Bram stelt vast dat de doorgaans als bevrijding voorgestelde secularisatie in de praktijk voornamelijk neerkomt op een toegenomen vermarkting: ‘De ontwikkeling richting een groter individualisme is voltooid. Je kunt de markt op, creatief zijn. Met je laptop naar een flexplek.’ Ondanks zijn kritische houding heeft Bram grote moeite om buiten het emancipatiesjabloon te denken. Aan Lena probeert hij zijn verhouding tot het geloof onder woorden te brengen, maar het blijft ‘een soort model, iets hols, bedacht door iemand die het bekende verhaal wil vertellen’.

Zodoende verhoudt Wormen en engelen zich niet alleen tot die romantraditie, maar vooral tot een manier van denken die als een natuurlijke gang van zaken wordt voorgesteld. In die voorstelling is het geloof definitief overwonnen en is de huidige maatschappelijke situatie een direct en onontkoombaar uitvloeisel van dit gegeven. Van der Graaffs roman beschrijft niet zozeer de pijnlijke afrekening met een religieus verleden, maar de worsteling om aan dit overbekende emancipatieverhaal te ontkomen.

Dat Van der Graaffs roman afwijkt van de traditie Wolkers en ’t Hart ligt er, door de vele verwijzingen naar deze traditie, aardig dik bovenop (altijd fijn voor recensenten). Doordat Wormen en engelen zich zo nadrukkelijk verhoudt tot deze werken, is de roman echter gemakkelijk in een conventioneel kader te passen. Dat is opmerkelijk aangezien Van der Graaffs poëzie vormelijk gezien van een grote(re) eigenheid is. Uiteindelijk draait ook dit verhaal om een ik-figuur die zich probeert te onttrekken aan een vertoog dat hem is opgelegd. Het is dan ook voorbij deze beschreven worsteling dat Wormen en engelen uitstijgt boven het type roman ‘jongen uit provinciaals gat maakt zich […] een andere wereld eigen’, zoals Lena het in e-mailcorrespondentie beschrijft.

Poëticaal geweten

Bram deelt een aantal biografische kenmerken met Maarten van der Graaff: de schrijver groeide zelf op op Goeree-Overflakkee. Maar ook Lena, Brams vriendin, is op te vatten als een personificatie van de auteur. Zij brengt bijvoorbeeld een bundel uit die Dood werk heet, dezelfde titel als Van der Graaffs tweede dichtbundel uit 2015. Een dergelijke lezing wordt echter meteen geïroniseerd. Vrij naar de Amerikaanse schrijfster Chris Kraus (1955), over wie Van der Graaff eerder met Frank Keizer correspondeerde in De Gids, hekelt Lena in een e-mail aan Bram ‘de typische heteroseksuele mannenroman als een nauwelijks verhuld egodocument, waarin alle mensen rond de ik-figuur andere namen hebben gekregen en net iets andere trekjes.’ Zij maant Bram dat hij meer vrouwelijke auteurs moet lezen, en dat hij moet nadenken over zijn poëticale positie.

Lena fungeert als Brams poëticale geweten; zij is om die reden een sleutel om de roman te begrijpen. Lena werkt aan een poëziebundel ‘waarin alles gecombineerd moet kunnen worden, alles in elkaar overvloeit’. Bram schrijft over haar: ‘Ze leerde me hoe je de taal zelf lekker kunt vinden, de ritmes. Zon. Sushi. Volvo. Drie woorden die ze aan elkaar verbond’. De goede verstaander herkent in deze zinnen direct Jeroen Mettes (1978-2006), een dichter die niet zozeer vormelijk, als wel poëticaal van invloed is (geweest) op Van der Graaff.

In een essay over Mettes schrijft Van der Graaff: ‘Mettes’ werk besmette mij met een obsessie: het denken over taal van een gemeenschap’. Voor het epische gedicht ‘N30’ ontleende Mettes een motto aan de Mexicaanse dichter Octavio Paz (1914-1998) dat over deze taal gaat: ‘De taal van de dichter is die van de gemeenschap, welke die ook moge zijn’. Het motto bij het tweede deel van Wormen en engelen (afkomstig van de Amerikaanse New Narrative-schrijver Bruce Boone) gaat ook over gemeenschap:

De religieuze gemeenschappen van mijn verleden staan, denk ik, voor de politieke gemeenschappen in mijn heden, en die staan op hun beurt voor een gemeenschap van de toekomst die alleen in dromen bestaat.

In dit citaat komt de politieke fascinatie voor de (religieuze) gemeenschap naar voren die bij beide auteurs een rol speelt. Met Mettes deelt Wormen en engelen een kritiek op de neoliberale marktmaatschappij. De gemeenschap is in deze context een nog niet gerealiseerde gemeenschap die zich weet te onttrekken aan het alomtegenwoordige kapitalisme.

Een belangrijke inzet van Mettes’ poëtica is het ‘beter af […] kunnen stemmen op het lawaai van de toekomende wereld’. Mettes’ werk vormt een harnas tegen dit kapitalistische lawaai door een intensieve aandacht voor de taal. Van der Graaff lijkt vooral inspiratie te halen bij Mettes’ gebruik van het woord ‘afstemmen’.

Hij schrijft: ‘ik wilde mij bezighouden met de tekst als democratische ruimte, de poëzie van het luisteren’. Van der Graaff eindigt zijn essay met een idee voor een tekst als ‘een serie bewegingen die niet zozeer het “verhaal van de stam” vertelt maar haar in ieder geval hoorbaar maakt: sociaal geluid’. Het idee van het afstemmen op en hoorbaar maken van sociaal geluid werkt hij in Wormen en engelen uit door zijn oren te spitsen voor de gemeenschappen die hij beschrijft. Zo zijn de geluiden van verschillende wijken in Utrecht indexen van sociale klassen. In de ene wijk:

formeel Nederlands, kindernamen uit de new age, fietsbellen en in het weekend grasmaaiers. Onze kant: sirenes, plat Utrechts, de oproep tot het vrijdaggebed en rond de flat het gelach van de overbuurman in zijn betegelde voortuintje met twee stenen adelaars.

Volgens Bram missen de meeste mensen ‘steeds de berichten die hun worden toegefluisterd door de huid van mensen en dieren, de grillige signalen die over ruggengraat en onderarm bewegen. Ik wil die signalen opvangen’. Als Bram terugkeert naar het eiland legt hij vooral zijn oor te luisteren. Hij maakt ook echt gebruik van opnameapparatuur om interviews af te nemen. Wat hij met de opnamen gaat doen, weet hij nog niet. Het gaat in eerste instantie om het afstemmen op en luisteren naar een wereld.

God is in the radio

Wormen en engelen is aan de oppervlakte een redelijk conventionele roman over een ik-figuur die zich verhoudt tot zijn verleden. Gaandeweg verplaatst de focus zich echter van de navel naar het oor (en via het oor naar het lichaam). Vanaf dat moment worden ook de romanconventies meer losgelaten. Het verhaal wordt steeds fragmentarischer weergegeven waardoor de tijdslijn niet meer eenvoudig te reconstrueren valt. Bovendien wordt de roman allengs meerstemmiger: er worden e-mailcorrespondenties afgedrukt, er zijn uitgeschreven interviews opgenomen en een hoofdstuk bevat een essay van Lena over de Amerikaanse kunstenaar Lee Lozano (1930-1999). Die vermenging van genres, media en stemmen geeft uitdrukking aan de verschillende manieren waarop de wereld binnenkomt. Bovendien toont deze vorm een groter bewustzijn van de gemedieerdheid van deze ervaring (waarover later meer).

Als Bram voor de eerste keer in lange tijd terugkeert naar zijn geboortedorp, borrelt de religieuze taal als vanzelf bij hem op.

Bij de brug over het Haringvliet pikt een radio in mijn hoofd automatisch de frequentie op en de woorden komen gewoon, een zombievocabulaire. Verootmoedigen wij ons voor god. Barmhartige god en vader, wij zijn voor uw aangezicht gekomen met al onze zonden.

De metafoor van de radio voor het oppikken van bepaalde ‘frequenties’ is treffend. De radio beleefde, net als het geloof, zijn hoogtijdagen in het verleden, maar is ook vandaag de dag nog aanwezig. Bovendien zijn radiogolven overal present en tegelijkertijd onzichtbaar, net als God. Wie er gevoelig voor is, pikt deze signalen vanzelf op.

Geluid en geloof worden vaker aan elkaar gekoppeld. Jezus wordt vergeleken met ‘een nauwelijks hoorbare zoemtoon’ en ‘een liedje dat al jaren in verschillende varianten in je hoofd zit’. Ritme en klank zijn essentiële onderdelen van de religieuze beleving: ‘[God] heeft een voorkeur voor kreupel rijm, het compacte ‘naad’ren’, vreemd beklemtoonde woorden als altáren, hij maakt zijn wegen door zijn woord en geest bekend’. Aan de materiële kwaliteiten van religieuze taal – niet eens zozeer aan de betekenis van de woorden – worden bijzondere krachten toegeschreven.

Sommige predikanten hadden zulke fijne stemmen dat ik nauwelijks hoorde waarover ze het hadden. Niet stoppen, dacht ik steeds. Stop alsjeblieft niet met praten. Zalige tintelingen sprongen als kleine beestjes van mijn hoofd naar mijn nek en terug.

Precies deze tintelende ervaring ervaart Bram ook door toedoen van zogenaamde ASMR-filmpjes. ASMR staat voor ‘autonomous sensory meridian response’, een soort tactiele, lichamelijke ervaring die wordt veroorzaakt door auditieve signalen. Op YouTube staan allerhande filmpjes waarin mensen met hun nagels op stukjes hout tikken, papiertjes knisperen en met zoetgevooisde stemmen in de microfoon spreken. Er bestaat een gemeenschap van mensen die uiterst gevoelig zijn voor deze geluiden.

De beschrijvingen van de synesthetische ASMR-ervaring geven aan hoe geluid een sensatie teweeg kan brengen die met het hele lichaam wordt gevoeld. Lichamelijkheid staat ook centraal in de geloofsbeleving van Brams oudere vriend Wilfried, die hij kent via het Utrechtse theologische werkgezelschap Uterque. Wilfried is een kenner van Franciscus van Assisi, de stichter van de kloosterorde van Minderbroeders. Het idee van deze gemeenschap komt neer op ‘simpele momenten van intimiteit tussen mensen’. Franciscus’ leer laat zich vatten in termen die aan de door Bram beschreven ASMR-ervaring doen denken. In een van de interviews zegt Wilfried: ‘De spiritualiteit van Franciscus is aards en lichamelijk. […] Het gaat Franciscus niet om allerlei grote vertogen: het moet door je lijf gaan’. Deze lijflijke ervaring veronderstelt het openstaan voor het onbekende: ‘vreemd is het heilige altijd. Iets waar je lijf op reageert, iets van de overkant’.

In het laatste deel van de roman, als Wilfried onverwacht gestorven is, komen de ideeën over geluid, lichamelijkheid, gemeenschap en ‘de overkant’ samen. Voor Bram is Wilfried na zijn dood aanwezig als een ‘ruis op de lijn’. Op de begrafenis komt daar een andere geluidservaring voor in de plaats: ‘[h]et zingen bij je graf treft een toon, veroorzaakt een trilling die mijn hele lichaam doortrekt en opzweept’. Bram valt dusdanig samen met deze lichamelijke ervaring dat hij oplost in het geluid van de gemeenschap. ‘Om me heen wordt iedereen geluid, stem. Het lied lijkt zichzelf te zingen. Ik verdwijn in de herhaling’.

Deze passage lijkt een transcendent verlangen uit te drukken. Maar ook dit verlangen moet ‘aan religiekritiek worden blootgesteld’ (een les die Van der Graaff in zijn essay aangeeft bij Mettes vandaan te halen). De ASMR-sensatie vindt plaats in een commerciële omgeving met veel kapitalistisch lawaai (YouTube) en is afhankelijk van hightech microfoons en hoofdtelefoons, vormen van mediatie waarvan Bram zich constant bewust is. Ook gebruikt hij veelvuldig wetenschappelijke termen om bovenzinnelijke ervaringen uit te drukken (‘wat zich chemisch in je voltrekt wanneer de zon er opeens is en precies dat adembenemende licht verspreidt’). Het motto van Menocchio (1532–1599) waarmee het boek aanvangt (en waaraan de titel ontleend is) brengt bovendien het ondermaanse en het hemelse samen: daarin wordt immers gesteld dat de engelen ontstaan zijn uit wormen in een kaasachtige massa.

De laatste alinea’s van de roman onderstrepen het ‘in de wereld zijn’ van de transcendente ervaring. Terwijl iedereen zingt, denkt Bram aan een e-mail die hij aan Paul zal sturen, terwijl de passage ook in de hierboven weergegeven etherische termen wordt beschreven. De roman eindigt met de woorden: ‘ook het lied laat ons achter’. Uiteindelijk bestaat Brams onstoffelijke ervaring uit een vluchtig moment, efemeer als de geluidsgolven die de ervaring veroorzaken.

Een inclusieve gemeenschap?

De buitenlichamelijke ervaring waarmee het verhaal eindigt, geeft aan wat de inzet is van Wormen en engelen. Het gaat om het ‘afstand doen van innerlijkheid’ en ‘het blootstellen van de eigen subjectiviteit aan erosie’, zoals Van der Graaff het verwoordt in zijn essay over Mettes, niet om de aardse wereld los te laten maar juist door erin op te gaan. De intensieve aandacht voor geluid is een mooie manier om te onderzoeken hoe wat buiten het zelf ligt, inwerkt op de subjectiviteit.

Doordat het boek zich tegelijkertijd zo nadrukkelijk verhoudt tot de ontvoogdingsliteratuur blijft de roman enigszins achter bij deze inzet. De verhaalstructuur van deze romantraditie, die in Wormen en engelen ten dele wordt overgenomen, plaatst het individu tegenover een gemeenschap. Pas wanneer in het tweede gedeelte de conventionele vorm wordt losgelaten en de roman meerstemmigheid toelaat, wordt uitdrukking gegeven aan het politiek-theoretische idee van een inclusieve gemeenschap. Met name door deze verschuiving is Wormen en engelen een geslaagde debuutroman waarin de zoektocht naar het ontastbare invoelbaar wordt gemaakt.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?