cover big

Het elegante niets van de dingen

Laurent De Maertelaer

Over Een kleine filosofie van verval van Emil Cioran (vert. Pieter Appels)

Historische uitgeverij, Groningen, 2017,
ISBN 9789065545800 / 280p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 03-10-2017

Bookmark and Share

De Roemeens-Franse filosoof Emil Cioran (1911-1995) schreef een indrukwekkend oeuvre van ruim twee dozijn boeken bij elkaar. Voor velen blijft Précis de décomposition (1949) – het eerste boek dat hij in het Frans schreef – een absolute uitschieter. Toen Précis de décomposition uitkwam bij Gallimard beroerde het meteen de gemoederen, al bleef Ciorans publiek in het begin beperkt tot een select groepje intellectuelen, kunstenaars en andere doemdenkers. De Historische Uitgeverij brengt nu in haar reeks ‘Beschouwelijk werk’ een trefzekere vertaling van deze klassieker, met als verrassende titel Een kleine filosofie van verval.

Vertaalslag

Précis de décomposition neemt een belangrijke plaats in binnen het oeuvre van Cioran. Niet zozeer omdat deze ‘litanie van de verslagenheid’ een keerpunt in Ciorans denken zou markeren – nagenoeg al zijn kernideeën zitten er in een oervorm al in verwerkt en die zouden in later werk niet drastisch evolueren. Belangrijker is, zo stelt vertaler Pieter Appels in de verantwoording achterin het boek, dat hij vanaf dan in het Frans schrijft en niet langer in zijn moedertaal, het Roemeens.

Zoals Cioran aangeeft in de essaybundel Exercices d’admiration (1986), waar hij in het laatste hoofdstukje ‘En relisant…’ terugblikt op zijn boek uit 1949, gaat het over vormelijke, muzikale en stilistische elementen:

Mijn kijk op de dingen is niet fundamenteel veranderd; wat zeker veranderd is, is de toon. Het gebeurt zelden dat de kern van iemands denken verandert; wat daarentegen een metamorfose ondergaat, is de frasering, de uiterlijke schijn, het ritme.

Een frustrerende vertaaloefening gaf voor Cioran de doorslag om Précis de décomposition in het Frans te schrijven. Een moedige poging om Stéphane Mallarmé naar het Roemeens te vertalen had verstrekkende gevolgen, aldus de Cahiers:

Wandeling in Offranville. Het was hier, tijdens de zomer van 1947, dat ik besloot om te breken met het Roemeens. Ik herinner me dat ik er Mallarmé vertaalde; op een bepaald moment realiseerde ik me de absurditeit en de complete nutteloosheid van mijn onderneming. Mijn vaderland bestond niet meer, mijn moedertaal ook niet… Waarom blijven schrijven in een idioom dat enkel toegankelijk is voor een miniem aantal landgenoten, eigenlijk maar een stuk of twintig? Op dat moment besloot ik ermee te stoppen, en me te wijden aan het Frans. Twee jaar later was Een kleine filosofie van verval af, niet zonder aanzienlijke moeite.

In diezelfde periode waagde Cioran zich ook aan vertalingen van Benjamin Constant, Nicolas Chamfort, Engelse romantische dichters en enkele Franse brievenschrijfsters uit de achttiende eeuw. Maar het is vooral Paul Valéry die een grote stilistische invloed op zijn schrijven zou hebben. Hij beschreef zijn vertaalwerk als ‘het eindpunt van een epilepsieaanval’ en de Franse taal vergeleek hij met een dwangbuis. Précis de décomposition zou hij tot vier keer toe herschrijven. Hoewel Frans niet zijn moedertaal was, zien velen hem vandaag als een van de grootste stilisten in die taal.

Homme de fragment

Naar Cioran-normen is Een kleine filosofie van verval met zijn tweehonderdzeventig pagina’s een vrij lijvig boek. Het bestaat uit zes grote delen, die op hun beurt ingedeeld zijn in meer dan honderdveertig korte, vignetachtige hoofdstukken. Door de beknoptheid van de hoofdstukken – ze gaan van een halve pagina tot maximaal drie, vier pagina’s – en de veelheid aan thema’s (religie, de afwezige God, de dood, het menselijk lijden, zelfmoord, de vrijheid, het auteurschap, verveling, de tijd, enzovoorts) is dit een nogal fragmentarisch, weinig gestructureerd boek.

Maar dat is nergens storend, integendeel: je kan op elke bladzijde inpikken en je laten meevoeren door Ciorans steeds verrassende en eigenzinnige gedachtestroom.

Hij noemde zichzelf ooit veelbetekenend ‘un homme de fragment’. De gebalde of in aforismen gefragmenteerde gedachte werd niet voor niets zijn handelsmerk. Het fragmentarische uit zich ook in de interpunctie: de tekst staat bol van gedachtestrepen en puntkomma’s, maar het is vooral het beletselteken dat gretig wordt ingezet als instrument om het onafgewerkte te suggereren.

Ciorans stijl is wispelturig, niet-systematisch, idiosyncratisch. Zijn aforistische stijl heeft de verhoogde sensibiliteit die eigen is aan de verheven poëzie van mystici, wat bij momenten ook wat verouderd, gezwollen taalgebruik met zich meebrengt:

De geest ontdekt de Identiteit; de ziel de Verveling; het lichaam de Luiheid. Het is eenzelfde principe van onveranderlijkheid, verschillend uitgedrukt in de drie vormen van de universele geeuw.

Een kleine filosofie van verval is net als het gros van Ciorans teksten extreem citeerbaar. Bijna elke zin kan probleemloos uit zijn context worden gelicht, zonder aan betekenis of waarde te hoeven inboeten.

Cioran verwerkte ook zelf graag citaten in zijn teksten. Aan de hand van talrijke quotes en verwijzingen spint hij een strak web van intertekstualiteit, zonder dat hierdoor de leesbaarheid in het gedrang komt.

Cioran citeert niet enkel uit de canon van de wereldliteratuur (van William Shakespeare en Marcel Proust over Dante Alighieri en John Keats tot Hugo von Hofmannsthal en Theresia van Avila). Ook veel filosofen komen aan bod. Cioran geeft commentaar, verwerkt gedachten, bekritiseert en dient collega-denkers van antwoord. Friedrich Nietzsche en Diogenes zijn favorieten en komen veelvuldig voor. Maar er zijn ook verschillende subtiele knipoogjes, in het bijzonder naar Plato (in ‘De architect van de grotten’), naar Jean-Paul Sartre (in ‘Over een handelaar in ideeën’) en naar Seneca (in het allerlaatste hoofdstuk ‘Quousque eadem?’).Cioran wordt wel eens weggezet als ‘moralist’ of ‘onheilige mysticus’. Maar doordat hij met allerhande filosofen in discussie gaat, neemt hij expliciet een positie in binnen een wijsgerige traditie.

Vertaler Pieter Appels heeft die filosofische grondslag duidelijk willen maken met de vertaling van de titel als ‘Een kleine filosofie van verval’. Het Franse substantief ‘précis’ kan ‘handleiding’, ‘samenvatting’ of ‘korte geschiedenis’ betekenen, zoals mag blijken uit de Engelse titel A Short History of Decay. Dat Cioran veel meer is dan een gelegenheidsdenker die zich uitdrukt in aforismen, wordt mooi benadrukt door het woord ‘filosofie’, ook al wordt het dan voorafgegaan door ‘kleine’.

Filosoof in stijl

Ciorans denken verzaakt aan elke vorm van systematiek en staat haaks op het gedachtegoed van de ‘gevestigde’ filosofen. In het hoofdstuk ‘Afscheid van de filosofie’ klinkt het radicaal uitgedrukt zo:

Ik heb me van de filosofie afgekeerd op het moment dat het me niet meer lukte bij Kant een menselijke zwakheid, een waarachtig teken van droefheid te ontdekken; bij Kant niet en bij geen enkele filosoof. Vergeleken met muziek, mystiek of poëzie, ontstaat de filosofie uit een verminderde levenskracht en een verdachte diepgang, die aanzien hebben bij verlegen en lauwe mensen. […] Nagenoeg alle filosofen zijn goed geëindigd: dat is het ultieme argument tegen de filosofie. Zelfs het einde van Socrates heeft niets tragisch: het is een misverstand, het einde van een pedagoog – en als Nietzsche is weggekwijnd, dan is dat als dichter en visionair: hij heeft geboet voor zijn extases en niet voor zijn redeneringen.

Cioran is de uitgelezen ‘antifilosoof’ (zie het hoofdstuk ‘De gelegenheidsdenker’), met een voorkeur voor het mystieke, het goddelijke en het poëtische. Zijn denkbewegingen over het betreurenswaardige lot van de mens (‘de ziekte van het zijn’) komen steeds uit bij heiligen, engelen, martelaren en een immer afwezige God. Ciorans melancholie is religieus van aard, maar nooit zoekt hij aansluiting bij een doordeweekse godsdienstige strekking:

De geschiedenis is een optocht van valse Absoluutheden, een opeenvolging van tempels opgericht omwille van voorwendsels, een vernedering van de geest tegenover het Onwaarschijnlijke. Zelfs wanneer hij zich verwijdert van de religie, blijft de mens eraan onderworpen; zich uitputtend in het bedenken van schijngoden, maakt hij ze zich koortsachtig tot de zijne: zijn behoefte aan fictie, aan mythologie triomfeert over het vanzelfsprekende en het belachelijke.

Onze drang naar verafgoding, in combinatie met een onvolmaakte God, werpt ons in een afgrond. In zijn nihilistische aforismen probeert Cioran de aard van onze beschaving te doorgronden. In die zin is zijn filosofie gnostisch te noemen: ze probeert te onderkennen, te graven, te bepalen. Een kleine filosofie van verval is een afrekening met het menselijk bestaan, gemarkeerd door een virulente drang om alles te ontleden, te ontbinden en te ontwrichten.

Eerder dan een coherente filosofie stelt Cioran in dit boek het individuele lijden voorop, met het zichzelf vernietigende ‘ik’ als enige kennisprincipe. Het is, zo lijkt het wel, een geschrift met maar één vijand, namelijk zijn eigen auteur:

Vroeger had ik een ‘ik’; nu ben ik niet meer dan een object… Ik prop me vol met alle verdovende middelen van de eenzaamheid; die van de wereld waren te zwak om me mezelf te doen vergeten. Nu ik de profeet in mijzelf heb gedood, hoe zou ik nog een plaats onder de mensen kunnen hebben?

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?