cover big

Het goddelijke minteken

Joris Note

Over Wij van Jevgeni Zamjatin

Vertaald door Dick Peet, eerste uitgave 1970

Atlas, Amsterdam, 2011,
ISBN 9789045018614 / 187p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 01-04-2011

Bookmark and Share

Wij van Jevgeni Zamjatin (geschreven in 1920-1921) is een anti-utopische roman die model stond voor Huxley’s Brave New World (waarschijnlijk) en Orwells 1984 (zeker). Hij speelt zich af rond het jaar 2800, in de uit één grote stad bestaande ‘Vereende Staat’; deze heeft zich gevormd aan het eind van de Tweehonderdjarige Oorlog, die door 0,2 procent van de wereldbevolking werd overleefd. In de bijna geheel in hard glas gebouwde stad (door een ‘Groene Muur’ gescheiden van de ongetemde natuur) leiden de ‘nummers’ een extreem eenvormig en geordend leven met veel technisch comfort en geometrische schoonheid. Ze dragen allemaal dezelfde ‘unief’, lopen in rijen door kaarsrechte straten met huizenkubussen, hebben een strakke dagindeling, enzovoort. Seks hebben ze op vastgestelde dagen met een partner die hun toegewezen wordt, en alleen dan laten ze even de rolgordijnen neer van hun doorzichtige flats. Aan het hoofd van de natie staat de Weldoener, die elk jaar unaniem herkozen wordt in een samenkomst met ‘symbolische betekenis: namelijk ons eraan te herinneren dat wij een vereend, machtig miljoencellig organisme vormen’. Ook de openbare executies, waarbij de Weldoener met zijn ‘Machine’ eigenhandig storende individuen vernietigt, zijn feesten van saamhorigheid.

Maar incidenten kunnen dus nog voorkomen; het feit dat de nummers dagelijks over enkele ‘persoonlijke uren’ beschikken komt tegemoet aan hun nog onvolmaakte integratie in het ‘wij’. Het geluk is slechts mogelijk in redelijkheid en onvrijheid, maar de ‘mensen’ zijn nog niet geheel aangepast; toch lijken ze meestal best tevreden.

Armzalig zenuwknoopje

Technici zijn nu bezig de laatste hand te leggen aan de Integraal, een ruimteschip dat naar andere planeten zal vliegen om de eventuele bewoners op hun beurt ‘onder het weldadige juk van de rede’ te brengen. Daarom worden de nummers aangemaand teksten te schrijven waarin ze de kwaliteiten van de Staat belichten: het ruimteschip zal op zijn eerste reis die geschriften meenemen. De bouwmeester zelf van de Integraal, D-503, neemt de uitdaging aan en begint een journaal, een reeks van veertig aantekeningen die samen het boek vormen dat wij lezen. Vrij snel echter moet hij met spijt erkennen dat het misgaat, ‘dat in plaats van het fraaie en strenge wiskundige epos ter ere van de Vereende Staat bij mij zoiets als een fantastische avonturenroman uit de pen vloeit.’

Hoe komt dat? D-503 wordt op een onorthodoxe manier verleid door een vrouw. En alsof dat niet volstaat, blijkt deze I-330 naderhand de leidster te zijn van een ondergrondse revolutionaire beweging die zich allereerst meester wil maken van de Integraal. Doordat D-503 smoorverliefd is, begint hij ’s nachts te dromen en vormt zich bij hem een ziel: ziekelijke fenomenen! Hij raakt ook meer en meer betrokken bij het subversieve project, maar blijft verscheurd tussen zijn oude en zijn nieuwe ik.

Uiteindelijk worden zulke vervelende problemen veroorzaakt doordat de nummers zelf nog niet zo doorzichtig geworden zijn als hun woningen, en nog fantasie vertonen. Maar zopas heeft de wetenschap ontdekt dat die fantasie zit in ‘een armzalig zenuwknoopje in de hersenen’, dat makkelijk weg te snijden is. Binnenkort moeten alle bewoners van de Vereende Staat die ingreep ondergaan, dat wordt de ‘Grote Operatie’. Mede daaraan is te danken dat Wij slecht afloopt (maar het feit dat de verteller zich door zijn vriendin misbruikt voelt speelt eveneens een rol).

In het verhaal zitten nogal wat slordigheden, overbodige ‘onwaarschijnlijkheden’, losse eindjes. Wat me meer bevalt, is de vrij onconventionele, wat hoekige manier van vertellen; vervreemdende beelden, humor, elliptische passages, spitse beschouwingen en vele verwijzingen naar de wiskunde maken er iets bijzonders van. Het is goed dat dit klassieke en rijke boek na veertig jaar weer beschikbaar is in het Nederlands, maar ik vind het jammer dat de oude vertaling zonder meer herdrukt werd: ze bevat verouderde, gewrongen en duistere formuleringen, die allicht niet van de schrijver afkomstig zijn. Ik ken geen Russisch, maar de oudste Engelse vertaling van Gregory Zilboorg (1924!) staat op het internet.

Avant-garde

Wij heeft altijd een politieke portee gehad. Immers, Zamjatin (1884-1937) kreeg de roman niet gepubliceerd in het Rusland van 1921, en hij botste de volgende jaren meer en meer met de overheid – vooral nadat de tekst in een emigrantentijdschrift verschenen was (1927); in 1931 kreeg hij toestemming om het land te verlaten. Het spreekt dus haast vanzelf dat Wij allereerst werd en wordt opgevat als een satire op de Sovjetmaatschappij. Degenen die het zo willen zien, zijn niet onder de indruk als je zegt dat de Sovjet-Unie van 1921 (vlak na de burgeroorlog) sterk verschilde van het latere systeem; integendeel, dat vinden ze een goede reden om het boek ‘profetisch’ of ‘visionair’ te noemen – zie Olaf Tempelman in de Volkskrant (19-3-2011). De kunstcriticus Robert Hughes (De schok van het nieuwe) sprak onbekommerd van de ‘stalinistische staat’ in Wij.

Zonder enige twijfel zijn een aantal trekken van de Vereende Staat aan de jonge SU ontleend, al is het moeilijk uit te maken welke precies. De geheime politie (‘Beschermers’!) verwijst naar de Tsjeka, maar Zamjatin had minstens evenveel ervaring met tsaristische repressie. Anderzijds, de verteller prijst het taylorstelsel: dat kon inderdaad op interesse rekenen in Rusland, maar was natuurlijk geen Russische uitvinding; Zamjatin had trouwens kennisgemaakt met een straffe arbeidsorganisatie toen hij als scheepsingenieur in Newcastle werkte. Door die Engelse periode (1916) liet hij zich inspireren tot een satire die ten dele vooruitloopt op Wij; volgens Gleb Struve werd die tekst vertaald, maar… afgewezen door Britse uitgevers wegens te anti-Engels. Een van de mogelijke invloeden op Wij zou overigens een kortverhaal (1891) van Jerome K. Jerome geweest zijn. Opmerkelijk is ook dat volgens vriend en vijand de Vereende Staat een voorloper had in het christendom.

Er zijn nog meer redenen om voorzichtig te zijn met een louter anticommunistische lezing van Wij.

De aantrekking door geometrische vormen en door machines, en door een radicaal andere bouwkunst (met veel glas), was in de vroege 20ste eeuw aanwezig bij talrijke avant-gardekunstenaars – Léger, Marinetti, Scheerbart… om van de architecten nog te zwijgen. Die aantrekking was soms ambivalent, tussen huiver en bewondering. Zou de ingenieur Zamjatin daar helemaal buiten gestaan kunnen hebben? Bovendien heeft de voorstelling van een strakke functionele wereld ook te maken met voor-stalinistische, utopistische aspecten van de Russische Revolutie – bijvoorbeeld, de droom van een wetenschappelijk georganiseerde maatschappij waarin het staatsapparaat overbodig wordt omdat iedereen vanzelf juist zou handelen op basis van statistische gegevens… De allesbehalve Sovjetvriendelijke historica Sheila Fitzpatrick (The Russian Revolution, 1994) merkt op dat zoiets vandaag sinister kan klinken, maar dat het destijds gold als ‘stoutmoedig revolutionair denken, dat even opwindend modern was [...] als futuristische kunst. De burgeroorlog was een tijd dat intellectuele en culturele experimenten floreerden [...]. Machines – de “goed functionerende machine” van de toekomstmaatschappij inbegrepen – fascineerden kunstenaars en intellectuelen.’ Het was de tijd van Majakovski en El Lissitzky – en je zou je dus kunnen afvragen (ik weet het echt niet) of Zamjatin niet in wezenlijke mate commentaar leverde op de utopische dromen van collega-auteurs en –kunstenaars.

Zo komen we aan de andere kant van de medaille: in dezelfde periode zie je bij vele Europese artiesten en auteurs een reactie tegen het westerse rationalisme; denk aan de enorme invloed van de filosofie van Bergson, en aan de wijdverspreide fascinatie door allerlei vormen van het ‘primitieve’. Die grote invraagstelling werd nog bevorderd door de Eerste Wereldoorlog, waarin velen (zoals de surrealisten) het ultieme failliet van een overrationele en overtechnische beschaving zagen.

De Vereende Staat wil een staat van de rede zijn, en zet zich af tegen het natuurlijke. I-330 en haar medecomplotteurs hebben zowaar contact met een achter de Groene Muur levende gemeenschap van naakte, harige mensen: zij vormen blijkbaar de basis van een betere wereld… George Orwell, die in 1946 een Franse vertaling van Wij besprak, sprak terecht van ‘the rebellion of the primitive human spirit against a rationalised, mechanised, painless world’, en schreef aan Zamjatin ‘a strong leaning towards primitivism’ toe. Het is zeker ook mogelijk het boek als een anti-stadsroman te lezen.

Negatief geluk

Dat alles is geschiedenis, we moeten nog een stap verder. De Vereende Staat is een dictatuur met geheime politie, verklikkers en folteringen, en met nauwelijks persoonlijke speelruimte. Maar het is bovenal een maatschappij waarin het leven van de mensen grondig geregeld, gecontroleerd en ‘beschermd’ is - een geval van biopouvoir in de zin van Foucault. Het is dus ook een samenleving die in vele opzichten op de onze lijkt. Wij leven bepaald niet in een openlijke cultus van de uniformiteit, maar het is duidelijk dat onze hooggewaardeerde verschillen en grillen (u bent uniek) vooral de organisatie van de consumptie dienen, en dat professionele ‘flexibiliteit’ weinig met vrijheid te maken heeft. Flexicurity (een ruil van plooibaarheid tegen bescherming) is al helemaal Wij-achtig. Bovendien wordt ons dag in, dag uit aangepraat dat er voor ons maatschappijtype geen valabele alternatieven zijn.

Nog wat ‘details’. Dat de mensen met nummers worden aangeduid is maar een laatste consequentie van de ettelijke manieren waarop wij geregistreerd worden (sofinummer, sis-kaart, identiteitskaart, rijksregisternummer, rijbewijs…). De bewoners van de Vereende Staat moeten dagelijks naar auditoria om uiteenzettingen te aanhoren – een variant op ons ‘levenslang leren’. Het is streng verboden dat iemand ‘zich vergiftigt met nicotine en in het bijzonder met alcohol’: het rookverbod is allang geen toekomstmuziek meer; en dit is meteen een goed voorbeeld van het feit dat vele regelingen ons ‘bestwil’ dienen – zie de preventieve screenings: het scheelt geen haar of gezondheid is, zoals in Wij, een wettelijke plicht. Er wordt in de Vereende Staat nauwlettend toegezien op bedrieglijk (ziekte)verzuim, wat overeenstemt met de huidige jacht op ‘sociale fraude’. En jawel: al op de eerste bladzijde heet het onze ‘plicht’ om de onbekende bewoners van het heelal ‘te dwingen gelukkig te zijn’; ik kan niet anders dan daarbij denken aan de ‘democratie’-export van de jongste jaren.

Om kort te gaan, we moeten Wij (als het niet alleen een document is maar ook een serieuze roman) tegen de draad lezen, en tegen onszelf in – anders wordt het alleen een zinloze oefening in zelfvoldaanheid. De kern van de zaak wordt ironisch verwoord door I-330: geluk is er ‘wanneer er geen enkel verlangen meer bestaat’, en geluk is niets positiefs - ‘voor het absolute geluk hoort natuurlijk het minteken, het goddelijke minteken’. Negatief: geen pijn, fantasie, ziekte, terreuraanslagen, ideeën, verlangens. Het ‘goede’ als afwezigheid van het ‘kwaad’.

Wij geeft dus genoeg stof tot nadenken, maar kan het boek me ook echt ‘pakken’? Misschien heb ik al te veel van die lelijke toekomstbeelden voor mijn ogen zien passeren. De enige anti-utopie die me ooit diep aangreep is een volstrekt buitenbeentje, de beschrijving van het eiland W in Georges Perecs magistrale W ou le souvenir d’enfance (1975). En kijk eens aan: de vertaling van dat boek is nog leverbaar!

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?