cover big

Het slijk, het bloed, de eindeloze poëzie

Tom De Keyzer

Over Europa Europa! Over de dichters van de Grote Oorlog van Geert Buelens

Ambo/Manteau, Antwerpen / Amsterdam, 2008,
ISBN 978 90 854 2031 6 / 224p.

(2) reactie(s) - geplaatst op 25-08-2009

Bookmark and Share

Overgenomen uit De Leeswolf

Onlangs, op de terugweg van een paar dagen Frankrijk, besloten mijn vriendin en ik na uren rijden even de benen te strekken in Vimy, een van de talrijke herdenkingssites van de Eerste Wereldoorlog aan de grens tussen Frankrijk en België. Vimy: in 1915 en 1917 een felbevochten heuvel die de opmars van de Duitsers moest stuiten en waar op een paar dagen tijd ruim honderdduizend Duitsers, Fransen, Canadezen en Marokkanen sneuvelden, tegenwoordig een aangenaam park met een indrukwekkend monument, maar ook tal van joggers, grazende schapen en een handvol oorlogsmemorabilia.

Als er een Brits koppel met een Canadese gids voorbij loopt, pikken we zo onopvallend mogelijk aan. We komen bij een open plek waar nog enkele tientallen meters obligate loopgraaf blijken te liggen, die van de Duitsers op een absurde tien meter van die van de Fransen en de Canadezen. En verderop, aldus onze gids, is een kraterlandschap intact gelaten, al zijn er intussen bomen geplant en is het met gras overgroeid. We gaan kijken. In het strijklicht van de ondergaande zon is het een adembenemend schaduwenspel. Een plek waar je met je kinderen zou gaan wandelen.

Vimy is kenmerkend voor het beeld dat wij ons in de loop der jaren van de Grote Oorlog gevormd hebben: dat van een zinloze slachtpartij die door de geschiedenis en de herinnering is gladgestreken en geësthetiseerd tot een eendimensionale botsing tussen grootmachten. Het is slechts een van de clichés waarmee Geert Buelens afrekent in zijn voortreffelijke essayboek Europa Europa! Over de dichters van de Grote Oorlog.

Aanvankelijk zagen de meesten nog de zin in van de oorlog. Al in 1910 snakte de Duitse dichter Georg Heym in zijn dagboek naar een uitweg uit de kleinburgerlijke orde: ‘Ach, het is verschrikkelijk. Zelfs in 1820 kan het niet erger zijn geweest. Alles blijft altijd hetzelfde. Zo saai, saai, saai. Nooit gebeurt er iets. Mocht er toch maar eens iets gebeuren dat niet die muffe nasmaak van alledaagsheid naliet.’ Anderen stonden niet zo hard te trappelen om al dat wapengekletter, maar maakten van de nood een deugd: de Polen en de Roethenen hoopten opnieuw op een eigen land en menig Europees leider zag in de oorlog een uitgelezen kans om de probleemzones op de Europese kaart definitief te hertekenen.

Toen de oorlogsmachine zich eenmaal op gang had getrokken, was er geen houden meer aan: zelfs een verstokte pacifist en socialist als Charles Péguy was zo diep geschokt door de Duitse inval in België dat hij zich prompt voor dienst meldde om de Europese beschaving van haar ondergang te helpen redden. Een klus die geen uitstel duldde: hij brak het polemische artikel waaraan hij werkte af midden in een zin, die hij nooit meer zou voltooien. Feit is: in augustus 1914 vertrokken miljoenen soldaten vrolijk fluitend naar het front.

Hoe opgewonden de soldaten ook waren, hun opwinding was in de eerste plaats een mantra om de angst te bezweren. Als een infanterist daags na de mobilisatie voorbij een koffiehuis loopt waar het ijzig stil is, stapt hij naar binnen en buldert misnoegd: ‘Roep toch eens hoera!’ Zelfs een gehaaide nationalist als de Italiaan Gabriele D’Annunzio werd van meet af aan heen en weer geslingerd tussen blijdschap en angst, al wist hij die dubbele moraal wonderwel te verbergen. Bij het uitbreken van de oorlog is hij in Parijs, waar hij op de eerste twee pagina’s van Le Figaro het programmatische gedicht ‘Ode pour la réssurection latine’ laat afdrukken, een oproep aan ‘het uitverkoren ras’ om de Latijnse idealen te verdedigen. Maar nog diezelfde week toont hij zich in de beslotenheid van zijn dagboek verontrust door de doodse sfeer in de Lichtstad en door ‘het gevoel dat niets nog waarde heeft’.

Het opmerkelijkste aan de oorlogslyriek van toen is wellicht dat ze zo massaal werd beleden. Vijftigduizend gedichten per dag in Duitsland in de eerste oorlogsmaand alleen, als we bloemlezer Julius Bab mogen geloven. Volgens Buelens is de verklaring simpel. Wat de blog was voor Irak, was het gedicht voor de Eerste Wereldoorlog: een nieuwsbulletin waarin verslag en beleving hand in hand gingen. Die vloedgolf aan poëzie had alvast op één punt een heilzaam effect: van de ene op de andere dag hoefde de dichter zich niet meer over te geven aan ijle fantasieën of vage gevoelens, maar stond hij midden in het leven en bezigde hij een alledaagse taal. Of zoals de Antwerpse dichter Frans Francken het landbouwkundig stelde: ‘Ik trek het leerken in van mijn ivoren toren / Geen rijmpjes nu, maar daden rijp als koren.’ Sprak de dichter. Op rijm.

Voor velen vormde de ontoereikendheid van de taal echter juist het probleem. Herstellend van een granaatinslag die hem kort na zijn aankomst aan de Somme had geveld, noteerde Ford Madox Hueffer (later Ford Madox Ford), die als veelschrijver normaal met sprekend gemak twintig pagina’s per week pende: ‘Voortdurend vraag ik me af waarom ik niets kan schrijven, waarom ik niet eens iets kan bedenken wat volgens mij het bedenken waard is over de psychologie van de actieve dienst waarvan ik nochtans mijn deel heb meegemaakt. En waarom ik niet eens de beelden van de Somme kan oproepen of het vlakke land rond Ploegsteert.’ Het gevoel dat de bestaande taal tekortschoot, inspireerde andere dichter-soldaten tot experimenten. In Italië gooiden Marinetti en co in hun futuristische gedichten de zinsbouw in de mixer, in Rusland introduceerden Boerljoek en Majakovski met hun pamflet Een klap in het gezicht van de smaak van het publiek een totaal nieuwe taal die tegelijk beeldende kunst en muziek was. En in Zürich maakten Tristan Tzara en Hugo Ball het nog bonter door in hun Cabaret Voltaire niet langer bestaande woorden maar schijnbaar betekenisloze lettercombinaties te brabbelen. Een nieuwe geest was geboren.

Zo verfrissend en prikkelend als die nieuwe geest was, hij maakte tegelijk ook pijnlijk duidelijk dat het Europese kosmopolitisme waarvoor men ten oorlog getrokken was inmiddels op apegapen lag. In Rusland kon Majakovski zich maar niet verzoenen met de opvattingen van zijn Italiaanse vakbroeder Marinetti, die hij voor een ‘ongetalenteerde grote mond’ uitschold. En was Apollinaire er bij het begin van de oorlog nog van overtuigd dat er ‘een Europese cultuurruimte bestond waarin gelijkgestemde zielen elkaar konden inspireren’, een paar jaar later legde hij duidelijk andere accenten: ‘De kunst zal pas ophouden nationaal te zijn wanneer het hele universum hetzelfde klimaat heeft, in dezelfde soort gebouwen woont, dezelfde taal zal spreken met hetzelfde accent. Met andere woorden: nooit. Juist uit de etnische en nationale verschillen groeien de verschillende literaire uitdrukkingsvormen en het is die verscheidenheid die we moeten bewaren.’ Toen Tristan Tzara hem vroeg om een bijdrage voor de Dada-beweging, antwoordde Apollinaire dan ook vlakweg dat hij zich helaas niet kon associëren met een kunstbeweging waaraan ook Duitsers deelnamen.

Ook aan het front bleek er sleet te zitten op de oorlogsgeest. De steeds grotere kloof tussen gruwel en retoriek zorgde voor ongenoegen bij de troepen. En dus ging men op zoek naar een zondebok. Soldaten weigerden nog langer als kanonnenvlees te dienen voor het zoveelste overmoedige offensief van hun generaal. Uitgehongerde burgers kwamen op straat tegenover oorlogswoekeraars en zich verrijkende industriëlen te staan. In de Belgische loopgraven eisten de Vlamingen steeds luider erkenning voor hun bijdrage aan de strijd. En in Engeland stelde Siegfried Sassoon, gewond teruggestuurd naar het vaderland, het lijden van de soldaten aan de kaak in een protestbrief die de volgende dag al op de voorpagina van The Times stond.

Eén van de meest tragische figuren uit Europa Europa! is in dat verband de eerder genoemde Gabriele D’Annunzio. Slaagden de soldaten door hun protest er op zijn minst in hun menselijkheid te herwinnen, dan zat D’Annunzio tragisch gevangen in zijn rol als retorisch voorganger. Toen de soldaten van de Catanzaro-brigade in 1917 weigerden terug te keren naar hun stellingen in het Karstgebergte, probeerden ze onder het scanderen van ‘Dood aan D’Annunzio’ diens vermeende verblijfplaats te belegeren. De muiters werden overmeesterd en volgens de vigerende krijgswet werd hun regiment gedecimeerd. En hoewel D’Annunzio hen achteraf in een communiqué zou afschilderen als boerenpummels en antipatriotten van de ergste soort, zag een vriend hoe hij tijdens de executie de grootste moeite had om zijn bibberende onderlip in bedwang te houden.

Op een handvol publicaties na is Buelens’ studie naar eigen zeggen de eerste die de gedichten uit de Eerste Wereldoorlog op Europese schaal interpreteert en hen in hun brede (cultuur)historische en ideologische context plaatst. Net als in zijn bejubelde proefschrift Van Ostaijen tot heden over de invloed van de Vlaamse dichter heeft Buelens weer alles gelezen: van de platste propaganda tot de meest ingetogen verzen, van de wildste taalexperimenten tot de klassieke belijdenislyriek, van onversneden patriottisme tot idyllisch internationalisme.

Dat stemmenkoor weet hij te stroomlijnen in een heel afwisselend, lichtvoetig discours waarin hij voortdurend heen en weer zapt tussen landen, fronten en overtuigingen en het monolithische beeld van de tot één gedicht herleide, weemoedige oorlogsdichter à la John McCrae aan diggelen slaat. In Het lijf in slijk geplant, de lijvige bloemlezing gedichten uit de Grote Oorlog die samen met Europa Europa! verschijnt, doet Buelens precies het tegenovergestelde van wat hij in zijn essayboek doet: hij laat de dichters vrijwel zonder commentaar aan het woord, in het Nederlands en in hun eigen taal. Die ‘veelheid van stemmen’ maakt van deze poëzieturf niet meteen een pageturner, maar een boek dat je bij stukjes en beetjes tot je neemt. Helemaal mooi wordt het als je bloemlezing en bundel, die beiden chronologisch zijn opgebouwd, jaar per jaar samen kan lezen: ze brengen het beste in elkaar naar boven.

Verantwoording

Overgenomen uit De Leeswolf.
Eerder gepubliceerd in De Leeswolf 2009 nr. 2 / maart.

2 reacties

Beste Tom,

om een of andere reden, ik weet nu nog steeds niet waarom, las ik je graag.
Vooral wil ik nu Beulens gaan lezen. Na zijn werk over ‘Van Ostaijen tot heden’, wat ik erg graag mocht, mag ook dit!

Moet ik dit nu een recensie noemen, of een leeservaring?
Om het even: het miste zijn doel niet.

  • Door MarkeR
  • gepost op
    23-10-2009, om 1:47:08

Beste MarkeR,
hartelijk dank voor je reactie. Als een recensent zelf plezier beleeft aan een boek, mag dat plezier wat mij betreft ook blijken uit het stuk dat hij erover schrijft. En als dat plezier dan ook nog eens aanstekelijk werkt, is dat mooi meegenomen. Kijk, deze recensie is nu al de tijd waard die ik erin heb gestopt. Groet.

  • Door dekeyzert
  • gepost op
    25-10-2009, om 4:04:13

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?