cover big

Het vervangen der planken

Bart Vervaeck

Over Het fluïde tijdperk. Beeldende kunst, identiteit en ondernemen. Overlevingsoefeningen van Atte Jongstra

De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 2017,
ISBN 9789029511728 / 284p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 13-04-2017

Bookmark and Share

Het fluïde tijdperk, de nieuwe essaybundel van Atte Jongstra (1956), gaat over beweeglijkheid in allerlei vormen, vooral in de kunst, het leven en de identiteit. Om die beweging wat te stroomlijnen, gebruikt Jongstra het beeld van Theseus’ schip:

Na in het labyrint van koning Minos de minotaurus te hebben gedood, ontsnapt deze Griekse held van Kreta, per schip. Het is een lange reis naar huis; om rot in de scheepshuid te voorkomen besluit men elke dag één plank te vervangen.

Vraag is dan of het schip na de vervanging van alle planken nog hetzelfde is. Misschien blijft het alleen zichzelf dankzij die permanente verandering. Misschien ook bestaat het originele schip alleen uit de planken die zijn verwijderd. Of is dat niet meer dan een relict, eventueel een schaduwbeeld, een schimmige dubbelganger?

Vragen genoeg en vooral: vragen die door elkaar heen lopen. ‘Worden we anders? Zeker. Worden we iemand anders? Of blijven we dezelfde? En wat of wie waren we dan eigenlijk?’ In termen van Theseus’ schip wordt dat: ‘Identiteit kan niet zonder de vloeiende, vlottende, fluïde wereld om ons heen. Zijn schip en water soms één?’ Schip en water vormen de twee grote delen van de bundel. ‘Het schip’ is deel een, ‘Het water’ deel drie. Tussen de twee staat een kort interview waarin de vragen niet worden gevolgd door een tekst die het antwoord formuleert, maar door foto’s, platen of prenten. Na het derde deel is er nog een afdeling ‘Wandelen’. Tot slot worden de ‘medewerkers’ bedankt in de vorm van een register dat ‘Stroomgebied’ wordt genoemd. De essays zijn duidelijk niet het werk van één almachtige auteur; zijn eigen ideeën gaan over in die van anderen en zijn er vaak uit voortgekomen. De grenzen zijn flou.

Sterk vereenvoudigd kun je zeggen dat het eerste deel gaat over de fluïde identiteit, de mens, en het derde deel over zijn omgeving, de wereld en de werkelijkheid: ‘De mens een schip waarin alle water wordt gegoten dat erin kan. En daaromheen weer water – één fluïditeit.’ Het vierde deel probeert de wisselwerking tussen die twee grootheden te vatten in termen van een vlechtwerk, een wirwar van wandelwegen. De fluïde mens is niet langer de heerser die het water onderwerpt, hij wordt erdoor gestuurd, zoals een bij in een zwerm. Jongstra citeert Tim Ingolds Being Alive. Essays on Movement (2011):

De wind bestaat uit haar waaien, de stroom is het lopende water. De mens is wat hij doet. Alweer: geen handelend figuur, maar een korf vol bedrijvigheid.

Jongstra past dat toe op zijn schrijverschap:

De wind bestaat in haar waaien, de stroom is het lopende water. Ik ben óók wat ik doe – ik besta in mijn vertellen.

En dan is er nog het merkwaardige visuele interview in deel twee. Jongstra verwijst naar Hans-Peter Feldmann, een conceptueel visueel kunstenaar die in het boek Interview (2009) de vragen van curator Hans Ulrich Obrist beantwoordt met afbeeldingen. Het eerste wat opvalt in Jongstra’s beeldgesprek is dat beelden inderdaad veel meer zeggen dan woorden – zelfs zoveel dat de strekking van het antwoord onvatbaar en in die zin ‘fluïde’ wordt. Op de vraag ‘Wat is uw identiteit als mens?’ antwoordt Jongstra met een afbeelding van een sifon, een kunstwerk van de dadaïste Elsa barones von Freytag-Loringhoven, getiteld ‘God’.

Je kunt hier veel over vertellen: dat de schrijver een God is in het diepst van zijn gedachten, een God die het water in goede banen leidt en de stank afsluit. Je zou ook kunnen verwijzen naar het urinoir van Marcel Duchamp en, algemener, naar de opheffing van de grens tussen kunstwerken en dagelijkse objecten. Maar of dat klopt, is niet zeker. In de tekst verzet Jongstra zich tegen de mensen die als God het water willen beheersen in plaats van zich er aan over te geven.

Beeldrijm en rode draad

Wie aan het tweede deel aanbeland is, zal niet zo raar opkijken van de visuele antwoorden. Het eerste deel – en ook de rest van het boek – bevat immers tal van schilderijen, platen, foto’s, tekeningen en andere afbeeldingen. Weliswaar heeft Jongstra in veel van zijn werken illustraties opgenomen, maar in vergelijking met eerdere zelfbeschrijvingen als De tak van Salzburg (2002), Klinkende ikken (2008) en Kristalman (2012) gebruikt hij de visuele kunsten nu veel nadrukkelijker om over zichzelf en zijn opvattingen te praten. In ‘Het schip’ is er aandacht voor postpostmoderne schilderkunst (een collectief dat op bestelling olieverfschilderijen maakt van foto’s), de schilderkunstige weergave van rollators (al bij Jeroen Bosch), druiventrossen, kersenbomen en tuinen, het belang van licht in de weergave van kerkgebouwen, het werk van Antoine Wiertz (1806-1865), de nostalgische treinen van Paul Delvaux, enzovoorts.

Ook karikaturen, prenten, schetsen en door Google opgehoeste beeldovereenkomsten komen aan bod. Als Jongstra zijn eigen foto via ‘Google search by image’ op het web loslaat, krijgt hij een aantal dubbelgangers van zichzelf terug, onder wie Leonard Bernstein en Alfred Einstein. Overtuigender is de overeenkomst met een karikatuur van de componist Hector Berlioz (1803-1869). De zelfbeschrijving verloopt hier letterlijk en figuurlijk via afbeeldingen die op elkaar lijken. Beeldrijmen.

Je zou dus kunnen zeggen dat visuele kunsten in deze essaybundel nadrukkelijker op de voorgrond treden dan literatuur. Maar dat is relatief, want ook hier zijn de grenzen vaag. Woorden en beelden gaan in Het fluïde tijdperk hand in hand. Niet alleen is de stijl van Jongstra erg visueel en tonend, hij gebruikt ook voortdurend beeldspraak die zijn onderwerp – het vervloeien van alles – duidelijk maakt.

Zo bespreekt hij de geschiedenis van het haar in de schilderkunst, waarbij hij vooral oog heeft voor golvend haar, een mix van water en haar dus, zoals in het niet altijd zo artistieke watergolven van haar. Dat beschrijft hij in waterbeelden:

Golven doet Sissi’s haar bij Winterhalter zeker, maar stroomt het ook? Hetzelfde kun je je afvragen bij een haarstuk van de Belgische surrealist René Magritte (1898-1967), Liefde ontwapend uit 1935. Ik zou bij de laatste eerder van vloeien spreken. Bij de eveneens surrealistische maar (vanwege diens succes?) Magritte-kritische fotograaf Leo Dohmen (1927-1999) gutst het haar weer letterlijk als water uit de kraan en denkt men eerder aan dweilen dan fluïditeit.

De surrealistische foto van Dohmen, Rose-Mary, lijkt wel te rijmen op het hierboven geciteerde zelfportret-als-sifon. Het beeld toont het haar immers als een stroom die door een kraan gekanaliseerd wordt.

Dergelijke beeldrijmen gebruikt Jongstra voortdurend. Alles mag dan wel vloeien in zijn boek, er zijn ook rode draden, symbolen die terugkeren. Zo is er de ‘merde’ van Pierre Cambronne (1770-1842), Frans generaal en aanvoerder van de Keizerlijk Garde, die zich met die vloek op het slagveld van Waterloo overgaf aan de Engelsen. Heel wat andere personages nemen in Het fluïde tijdperk het woord in de mond en als lezer ga je dan op zoek naar hun verwantschap met die verslagen generaal. Er is ook het vaak terugkerende beeld van de vaas. De vaas is de titel van een roman die Jongstra nooit voltooid heeft en die begon met een motto van de rozenkruiser annex kunstcriticus Joséphin ‘Sâr’ Péladan (1859-1918): ‘Het water neemt de vorm aan van de vaas waarin men het giet: rond, vierkant, verticaal of horizontaal.’ Jongstra past dat beeld meteen toe op zijn eigen werk:

Mijn proza heeft zich al eens naar een groentevaas (Groente, 1991) gevormd, ik vulde een vleesvaas met Worst (2014), en schonk korte verhalen uit in tal van andere kleinere kannetje en potjes.

Nog een beeld dat herhaaldelijk terugkeert, is dat van de manager. De nieuwe liefde van Jongstra, in het boek Erminie genoemd, is ‘businesscoach’:

Een ideale partner voor een kunstenmaker als ik. Dat wil zeggen: het type schrijver dat de neoliberale regering voor ogen stond toen ze in 2011 het mes zette in de cultuurbegroting. Kunstenaars moesten gaan ondernemen, ook bellettristen zoals ik. Koopman worden, eigen broek ophouden. Begeleiding bij die overgang bleef achterwege, maar de armoede zou ons vanzelf wel aanjagen. Vooruit, het marktplein op!

De kunstenaar verschijnt in Het fluïde tijdperk herhaaldelijk als een zakenman, al is dat zelden zonder ironie. Zo confronteert Jongstra de neoliberale premier Mark Rutte, die in 2011 ‘tweehonderd miljoen bezuinigde op cultuur’ omdat hij vond dat kunst geen regeringszaak was, met vrijdenker Multatuli, die zegt: ‘Het waarderen van Kunst door de Regering, is Volkszaak.’ Jongstra zou een museum voor zichzelf kunnen oprichten – hij schildert ook – maar na een bespreking van enkele soortgelijke musea (waaronder dat van Antoine Wiertz),ziet hij ervan af. Hij bespreekt de interactie tussen fotografie en schilderkunst, waarbij de eerste een hulpmiddel kan zijn voor de tweede, bijvoorbeeld door het fixeren van snelle bewegingen die door de schilder nooit in één keer kunnen worden vastgelegd. In die zin hoeft de fotografie de zaak van de schilder niet te bemoeilijken, maar kan ze zijn zaken zelfs vooruithelpen.

In het vierde deel van Het fluïde tijdperk blijkt dat ook de hedendaagse manager het vloeiende in zijn bedrijf heeft opgenomen: geen top-downmanagement meer met duidelijke hiërarchieën, maar een netwerk van creatieve en horizontale interacties. Jongstra verzorgt de afsluitende lezing op een studiedag van zakenlui en zijn pleidooi over ‘het moderne ondernemen’ laat zien hoe het fluïde en het zakelijke samen kunnen gaan. Of dat een omarming van het zakelijke denken impliceert, valt echter te betwijfelen, gelet op de ironische toon van de bijdrage en op de hoofdstukken waarin Jongstra zich tegen dat denken keert.

Stilstand, verquicking en symbiose

Over de gewenste aard van het samengaan en het vervloeien gaan alle stukken in Het fluïde tijdperk. Eens te meer valt het niet mee scherpe scheidslijnen te trekken. Het gaat veeleer om een continuüm. Aan de linkerkant heb je het isolement en de stilstand: het ik is in zichzelf opgesloten en beweegt niet. Zoals blijkt uit het hoofdstukje ‘Stilzitten’, bevond Jongstra zich in een dergelijke situatie na de breuk met zijn vorige vriendin en voor de ontmoeting met Erminie. Dat is geen goede positie.

Aan de andere kant heb je het ik dat zichzelf totaal verliest in de andere en dat zodoende zuiver beweging wordt. Dat is de symbiose, een verlangen dat in alle hoofdfiguren van Jongstra terugkeert en dat verklaart waarom de vrouw bij hem zo vaak de aanbeden ander is. Ook nu weer is Erminie het betere alter ego van de hoofdfiguur. Hij wil in haar opgaan. Maar zij wil helemaal geen totale uitwissing van grenzen, zij wijst de symbiose af met het al eerder vermelde beeld van de vaas. Ze zegt: ‘Als jij het over symbiose hebt, krijg ik het gevoel dat ik in jouw vaas word uitgegoten. Terwijl ik zelf mijn eigen vaas ben.’ Waarop de ik-figuur zegt: ‘Oké, je hebt gelijk, geen symbiose dan.’ Ze gaat verder:

‘En ook geen volledig opgaan in iets anders dan jezelf…’
Maar fluïditeit, daar was ze helemaal voor.
‘Jij bent jij, en ik ben ik, laat stromen maar.’

Het juiste evenwicht tussen zelfbehoud en overgave, het punt in het midden van de stroom tussen isolement en symbiose, noemt Jongstra ‘verquicking’. Het woord ontleent hij aan Manfred Szadrowsky, een taalkundige die in 1924 uitlegde hoe lucht en water op zee kunnen versmelten in een nevel die op rook (vuur) of mist (water) lijkt: ‘Wärme und Kälte, Nässe und Trockenheit sind im sprachlichen Ausdruck oft verquickt.’ ‘In het Nederlands,’ zegt Jongstra, ‘zou je van “samensmelting” of “vermenging” kunnen spreken.’ In zo’n samensmelting wordt het ik beweeglijk en gaat het op in het andere, zonder een volledige uitwissing van de identiteit van ik en ander. In de schilderkunst vind je dat bijvoorbeeld in de verquicking van zee en vuur bij de zonsondergangen van Thomas Moran of bij The Burning of the Houses of Lords and Commons van J.M.W. Turner.

De tweede helft van Het fluïde tijdperk bevat talrijke voorbeelden van verquicking. Zo is er de sneeuwstorm op zee die in De lachende man (1869) van Victor Hugo het verschil tussen sneeuw en schuim opheft. In de schilderijen van Edvard Munch wijst Jongstra op de golven die de geschilderde figuren omgeven, waardoor ze opgaan in de omgeving. Dat beantwoordt aan Munchs ‘golftheorie’, die ‘licht en beweging’ als de bron van alle leven ziet: ‘Alles is in beweging,’ meent Munch. Die visie deelt hij met de Griekse filosoof Thales van Milete, die zei: ‘Alles is één, alles is water, water is de wereld.’ Aan de hand van het ‘memorabel boek’ Water. Een geofilosofische geschiedenis (2014) van René ten Bos legt Jongstra uit wat de consequenties zijn van dat beweeglijke water voor de mens. Hij heeft het daarbij zowel over zijn eigen psychische problemen (zijn angst voor water en zijn moederbinding) als over algemene sociale en culturele problemen: de mens die van het water vervreemd is doordat hij het onderworpen heeft en zodoende gereduceerd heeft tot een commoditeit. Daartegenover pleiten Ten Bos en Jongstra voor het ‘ondergaan’ van de beweeglijke kracht van water. Dat vraagt om een ander mensbeeld: de mens niet langer als heerser (de homo militans), maar als waterman, die opgaat in de ander en het andere zonder daarbij in een complete osmose te verdwijnen.

De verquicking mag dan hand in hand gaan met een ander mensbeeld, in zijn slothoofdstuk (dat de titel van het boek draagt) geeft Jongstra aan dat we nog lang niet in de ‘Age of Aquarius’ zitten. Integendeel, de grenzen worden de laatste tijd weer strikter en scherper: ‘Ons land van ons’, zoals de aanhangers van Donald Trump en Geert Wilders zeggen. Grensliefhebbers houden niet van fluïditeit: ‘De hele tijd dat gezeur over water… Ik wil dat IK weer van MIJ wordt.’ Tegen de achtergrond van deze tendensen lijkt de utopische waterfilosofie van Thales, Ten Bos en Jongstra niet veel kans te hebben. Het fluïde tijdperk eindigt dan ook met een bescheiden wens:

De hoop nog een tijdje door te kunnen varen. Voorlopig, gelijk Theseus en zovele anderen – het vervangen der planken.

De planken die Jongstra met zijn nieuwe boek vervangt én aanbrengt, bouwen verder aan het imposante schip dat zijn oeuvre ondertussen geworden is. De beschouwingen in Het fluïde tijdperk zijn op vele manieren interessant, zowel abstract – filosofisch en kunsthistorisch – als concreet. Het boek bevat een zelfanalyse van Jongstra én een analyse van zijn eigen werk, via de beweeglijke omweg die we hierboven hebben gevolgd. Wie zich interesseert voor filosofie, kunstgeschiedenis en/of voor Jongstra, zal dit boek met plezier en ‘met vrucht’ lezen. De Jongstra-lezer krijgt een kijkje in de keuken van de schrijver. Zo leer je over een onvoltooid romanproject, over de reële basis voor een fictioneel personage (bijvoorbeeld de schilder Izaak Schouman die omgevormd wordt tot Schouwman in Jongstra’s roman De heldeninspecteur) en over de bedoelingen van dit boek:

Zo kijk ik in dit boek naar kunst. Alles in alles tegelijk. Vanuit de gedachte dat de mens in zijn korte bestaan eeuwig en altijd (tot op aanzienlijke hoogte) dezelfde blijft. De omstandigheden lijken in verschillende perioden te veranderen, het is maar hoe dicht men erop staat.

Fluïde worden doe je niet van de ene op de andere dag en jezelf transformeren in een ondernemer kost tijd. […] Waarom denk je dat ik dit boek schrijf?

Bovendien laat dit boek mooi zien hoe Jongstra te werk gaat als hij een tekst maakt. Hij is een encyclopedist, die van het ene lemma naar het andere overgaat en die, dankzij Google en Facebook, het wereldwijde web bevaart zoals het moet volgens Thales en Ten Bos: met een ontvankelijke en open geest voor steeds nieuwe links en overstapjes, associaties die in een oogwenk overgaan van de ‘merde’ bij Cambronne naar Tijl Uilenspiegel, de smurfen en het dak van Jongstra’s huis in Frankrijk. De overgangen zijn soepel, golvend, vermakelijk, instructief en makkelijk te volgen voor wie geen watervrees kent.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?