
Hoe de woorden (zo’n beetje) werken
Matthijs de Ridder
Over De woorden van Wilders en hoe ze werken van Jan Kuitenbrouwer
De Bezige Bij, Amsterdam, 2010,
ISBN 9789023457718 / 120p.
(4) reactie(s) - geplaatst op 18-05-2010
Zo vlak voor de verkiezingen in Nederland en België kan het misschien geen kwaad om nog eens te benadrukken dat ‘het enige geleide wapen waar een politicus over beschikt taal’ is. De komende drie weken zullen we weer overspoeld worden door gloedvolle betogen. Het ene betoog wat gepolijster dan het andere, het andere misschien wat overtuigender dan het ene, maar allemaal zijn ze uit op effect. De speech heeft immers als doel ons gedrag in het stemhokje te beïnvloeden. Wie denkt dat het vooral de argumenten zijn die het zware werk opknappen, heeft een bewonderenswaardig talent voor idealisme. Al eeuwen geldt de retorica als het middel van de overtuiging, als ‘kunst’ – zoals Plato zei – om ‘de geest van mensen te regeren’. Het zijn dus vaak de woorden zelf die ons verleiden en dat vinden we eigenlijk niet erg, zolang naar ons gevoel de spelregels maar worden gerespecteerd. Dan kunnen we zelfs genieten van een goed geformuleerde interpellatie of een scherp gevoerd debat. Maar wat als het niet de gulle redenaar is die het retorische talent blijkt te bezitten, maar de ontevreden demagoog? Wat als Geert Wilders dé taalvirtuoos van het moment blijkt te zijn? Dan probeert men die taal te ontleden. Dat is althans wat taalcriticus Jan Kuitenbrouwer heeft gedaan in zijn boekje De woorden van Wilders & hoe ze werken.
Objectief
De vraag waarom er zo vlak voor de verkiezingen nog even een boekje over Wilders’ taalgebruik moet worden gepubliceerd, is snel te beantwoorden. Wilders doet het goed in de peilingen. Met zijn xenofobe en angstzaaiende taal dreigt hij een aanzienlijk aantal stemmen te vergaren, en dat scenario valt voor velen moeilijk te verkroppen. Toch presenteert Kuitenbrouwer zijn analyse van ‘The Wizard of Venlo’ aanvankelijk niet als waarschuwing, maar eerder als toegankelijke aanvulling op de studies van Hans de Bruin, Karen Geurtsen & Boudewijn Geels en Nicole Mulder. ‘Is Wilders een taaltovenaar?’ luidt de inleidende vraag. Is Wilders echt zo goed als men wel eens beweert? Een antwoord op die vraag is natuurlijk belangwekkend, maar de schrijver maakt niemand wijs dat het hem om die kwestie begonnen was. Het gaat immers om Wilders en een studie naar de manier waarop de woorden van Wilders werken, is een manier om zijn boodschap te ondermijnen. Op zich niets mis mee, maar in een boek over de verborgen verleidingen van de taal zou een ondubbelzinnige probleemstelling niet hebben misstaan.
Dat neemt niet weg dat Kuitenbrouwer zijn boek inzet met een verhelderend inzicht dat ook zonder het soms wat gratuite sarcasme, dat vooral in de tweede helft door de tekst schemert, pijnlijk duidelijk maakt waar Wilders voor staat. De politicus uit Venlo spreekt namelijk wat ouwelijk, zo constateert Kuitenbrouwer. Hij gebruikt ferme uitdrukkingen die in de eenentwintigste eeuw evenwel koddig aandoen. ‘Gekker’ moet het bijvoorbeeld niet worden, al zal veel hem ook ‘worst wezen’, is hij andere zaken ‘beu’ en moeten verschillende lieden zo gauw mogelijk hun ‘biezen pakken’. Juffrouw Saartje-taal noemt Kuitenbrouwer dat met een verwijzing naar de klassieke kinderserie Swiebertje. Dat is een dodelijke vergelijking voor wie hem in al zijn diepte vat. Swiebertje was immers onder alle ondeugende vrijpostigheid die erin tentoongespreid werd, een toonbeeld van burgerfatsoen. Niets zo gek of Saartje, de verpersoonlijking van alles wat de jaren vijftig en zestig aan onafhankelijk moraaldenken te bieden had, wist de vriendelijke outlaw Swiebertje en Bromsnor, de archetypische knorrige sterke arm van de wet, weer met elkaar te verzoenen. Het kattenkwaad werd ingedijkt evenals de overijverige staatsinmenging. Het gelijk van het gezonde verstand was in Swiebertje zo vanzelfsprekend, dat de gemiddelde neoconservatief er nu alleen nog maar jaloers op kan zijn. Gekker kon het destijds werkelijk niet worden, zonder dat de overheid er ook maar aan te pas hoefde te komen. Wilders probeert iets van die goede oude tijd met zijn taal op te roepen, terwijl hij aan de andere kant zoveel mogelijk fatsoensnormen schijnt te willen doorbreken. Waar in de tijden van Swiebertje de vierde wand nog volledig werd gerespecteerd, weet Wilders immers als geen ander de camera te bespelen.
Toon mij uw idioom…
‘Toon mij uw idioom en ik zal zeggen wie u bent’ schrijft Kuitenbrouwer aan het begin van zijn eerste hoofdstuk. En het is waar. De sterkte van deze taalcriticus is dat hij bepaalde registers feilloos weet te plaatsen. Wilders toont zich in zijn taalgebruik inderdaad een wat nostalgische fatsoensrakker die de kneuterige kant van zijn programma listig weet te verbergen onder een laag brutaliteit. Dat hij verder in korte simpele zinnen spreekt, ingewikkelde concepten doelbewust uit de weg gaat en steevast de overtreffende (of ‘overtreffendste’, zoals Kuitenbrouwer grapt) trap gebruikt, doet dan eigenlijk al niet meer ter zake. Of misschien beter: dit deel van Kuitenbrouwers analyse komt niet als een verrassing. Het feit dat al deze zaken nu ook statistisch blijken te kunnen worden bewezen, is dat eigenlijk evenmin. Wie wel eens naar het nieuws kijkt, weet dat Wilders chronisch overdrijft en steevast op de emotie van zijn gehoor inspeelt. De vraag is welke sentimenten, die blijkbaar al langer leven bij zijn electoraat, hij precies aanspreekt.
Kuitenbrouwer doet in het tweede en derde hoofdstuk van De woorden van Wilders een poging om een aantal angsten aan te wijzen dat een rol speelt in Wilders’ discours. Die angsten zijn tijdgebonden weet Kuitenbrouwer, vandaar dat een vergelijking met Hitler – je ontkomt er blijkbaar toch niet aan – hier niet helemaal opgaat. Wilders kijkt er immers wel voor uit om vreemdelingen parasieten, bacillen of maden te noemen; woorden die Hitler graag gebruikte om er de volksvijandige elementen mee te beschrijven. Besmettelijke ziekten vormden destijds een angst voor de massa, beweert Kuitenbrouwer vervolgens, daaraan toevoegend dat die angst sinds de ontdekking van de penicilline wel is verdwenen. Een beetje vreemde redenering aangezien de ziektemetafoor nog steeds bestaat én effect heeft (de islam zelf is volgens Wilders bijvoorbeeld wel ziek, maar is niet de ziekte van onze maatschappij), al moet je nu misschien zwaarder geschut inzetten. Maar volgens Kuitenbrouwer zou Wilders zijn angstbeelden dus elders moeten zoeken.
… en ik zeg u wat u (niet) zegt
Hier wordt het betoog van Kuitenbrouwer een stuk minder overtuigend. Niet alleen vergelijkt hij Wilders ondanks alle terughoudendheid in zijn redenering tóch met Hitler, hij suggereert ook min of meer dat Wilders in andere omstandigheden rustig dezelfde metafoor zou hebben gebruikt. Ook Wilders zou dus de islamisering van West-Europa als een besmetting hebben kunnen beschrijven, als we nu maar net zo bang zouden zijn geweest voor infecties als voor terrorisme, tsunami’s, milieuvervuiling en apocalyptische rampspoed. Die laatste vergelijkingen maakt Wilders namelijk wel. Het is een merkwaardige redenering die mij haast dwingt om het voor Wilders op te nemen. Kuitenbrouwer ziet hier namelijk domweg niet wat er los van het idiolect en de stijlfiguren wordt gezegd, welk discours hier aan het werk is. Wilders’ vertoog is er namelijk niet een van vernietiging, zoals dat van Hitler. Hij heeft het niet over ziektekiemen die moeten worden bestreden of die zelfs moeten worden uitgeroeid. Hij heeft het over een vloed, over een tsunami, over een onhoudbare golf van islamisering die het ingedommelde Westen zal overspoelen. Zijn ‘oplossing’ bestaat dan ook niet uit vernietiging (of ‘eliminatie’ zoals Kuitenbrouwer ergens schrijft) maar uit het ‘weren’ van de vloed, het ophogen van de dijken en het keren van het tij. Het water dat ondertussen reeds in het schip ligt, moet worden gehoosd.
Weren en vernietigen zijn wezenlijk anders. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat Wilders er geen xenofobe of racistische denkbeelden op nahoudt, maar een aanzet tot volkerenmoord is er in zijn vertoog toch nergens te vinden. Dat is ook meteen het voornaamste probleem met dit boekje. Ondanks de milde, zij het hier en daar wat onderkoelde sarcastische toon, wordt Wilders in wezen groter gemaakt dan strikt noodzakelijk. Met een beetje slechte wil zou je Wilders zelfs gelijk kunnen geven: De woorden van Wilders & hoe ze werken is een zoveelste poging om hem te ‘demoniseren’. Er wordt hem in ieder geval iets aangewreven wat hem niet aan te wrijven valt (de wil om vreemdelingen te vernietigen, al zijn de parallellen tussen Wilders’ angstzaaiende discours en dat van de nazi’s op een abstracter niveau niet zo heel ver gezocht) en dat is precies wat hij wil. Het is een perverse logica, maar zolang de ‘klassieke’ partijen en de mainstream media Wilders niet precies weten te analyseren, behoudt hij zijn aantrekkingskracht. Hij heeft nog een punt ook, simpelweg door in te spelen op het democratische tekort. Iedereen mag immers zeggen wat hij wil, behalve Wilders. En dat terwijl hij nooit de indruk wekt uit het parlementaire systeem te willen stappen. Hij respecteert de democratische regels van de Nederlandse politiek, maar andersom lijkt dat minder het geval.
Het wellicht wat al te haastig samengestelde boekje De woorden van Wilders & hoe ze werken dreigt dus zijn doel voorbij te schieten. Als ik Wilders was, zou ik er althans wel raad mee weten. Dat is jammer, want zowel in de zeer lezenswaardige analyse als in het beknopte lexicon is veel materiaal te vinden waarmee je Wilders desgewenst zonder problemen te lijf kunt gaan. Wilders’ taalgebruik is immers overdadig op het belachelijke af. Kuitenbrouwer geeft onder andere het voorbeeld van Wilders’ kwalificatie van Alexander Pechtold als ‘teflon buikspreekpop’. Virtuoos is anders. Bovendien is Wilders’ o zo Nederlandse discours bijna altijd tweedehands. De tijd dat hij te pas en te onpas suggereerde dat er een cordon sanitaire was aangelegd om zijn beweging is wel voorbij, maar grote delen van zijn anti-islambetogen (Henk en Ingrid vs Ali en Fatima) lijken wel erg op wat Vlaams Belangvoorman Filip Dewinter in dat genre heeft geproduceerd. Daarnaast is het voortdurend benadrukken van de oorspronkelijke ‘bedoeling’ van het Nederland van de Gouden Eeuw een opzichtig doorslagje van de tactiek van de Amerikaanse republikeinen. Die republikeinen lijken ervan uit te gaan dat de Verenigde Staten perfect geconcipieerd zijn door de Founding Fathers en sindsdien alleen maar beter zijn geworden. In principe waren de States dus het paradijs op aarde, totdat allerlei socialistische en communistische complotten het land met succes kapot begonnen te maken. Dat levert in Amerika al groteske vertellingen op, maar in het geval van Nederland raakt het echt kant noch wal. Het verhaal is in ieder geval niet consistent. Want wanneer waren de door Wilders zo gehate, want geldverslindende Antillen ook alweer aan Nederland toegevoegd? Juist in dezelfde Gouden Eeuw die Wilders zo graag ziet terugkeren.
Kuitenbrouwer concentreert zich vooral op Wilders’ taalgebruik, maar daarmee brengt hij te weinig systeem aan in diens taal om werkelijk te laten zien hoe die werkt. Uiteindelijk verzandt het boekje dan ook letterlijk in losse bedenkingen bij verschillende woorden uit Wilders’ idioom. Daardoor komt de lezer toch niet veel meer te weten dan hoe de woorden van Wilders zo’n beetje werken.
4 reacties
Aanmelden
Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?


28-05-2010, om 4:24:55