cover big

Ik bezing Europa

Jan-Willem Anker

Over Barnabooth van Valery Larbaud (vert. Paul Claes)

Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk, 2018,
ISBN 9789078627401 / 48p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 11-08-2018

Bookmark and Share

1.

De afgelopen jaren heb ik me nu en dan afgevraagd of ik mezelf als Europeaan beschouw. Ik wist het antwoord niet zo goed, ergernissen over landbouwsubsidies, de euro en technocraat Jeroen Dijsselbloem vertroebelden algauw mijn denken hierover. Het is natuurlijk zo’n vraag die geen onmiddellijk antwoord vereist; er zijn gedurende de dag urgentere zaken die je in beslag nemen.

Hoewel ik ook wel besefte dat het antwoord min of meer positief moest luiden, lukte het me nauwelijks na te denken over de vervolgvragen, waarvan de beantwoording, zo stel ik me voor, vooraf moet gaan aan wat je als een identiteitskwestie kunt beschouwen: wat is een Europeaan eigenlijk? Bestaat er inderdaad zoiets als één Europese cultuur en zo ja, wat is het dan dat bijvoorbeeld Letland bindt aan Nederland? Welke beelden horen daarbij? Hoe zou je een definitie kunnen opstellen van die Europese cultuur? Hoe complex én fascinerend dat allemaal is, heeft Joep Leerssen enkele jaren geleden fraai laten zien in zijn Spiegelpaleis Europa. Europese cultuur als mythe en beeldvorming (2011).

Pieter Steinz sprak in de inleiding van zijn Made in Europe. De kunst die ons continent bindt over ‘pan-Europees cultuurgoed waarop alle Europeanen trots kunnen zijn.’ Steinz publiceerde zijn boek in 2014, vier jaar na het uitbreken van wat de Griekse crisis is gaan heten; je kunt het beschouwen als een verdediging van het Europese project van de Europese Unie en, iets minder expliciet, als een aanval op een reactionair soort nationalisme dat (na Steinz’ overlijden) mede tot de Brexit heeft geleid.

In deze context blijft echter de vraag buiten beschouwing of een Japanner niet ook trots op Nijntje kan (mag?) zijn. Ta-Nehisi Coates memoreert in Between the World and Me (2015) een uitspraak van schrijver Saul Bellow die zich retorisch afvroeg wie de Lev Tolstoj van de Zulu’s was, waarmee hij al te duidelijk aangaf dat hij vond dat de ene (witte) cultuur beter is dan de andere (zwarte). Het scherpzinnige antwoord van de zwarte schrijver en journalist Ralph Wiley luidde: ‘Tolstoy is the Tolstoy of the Zulus, unless you find a profit in fencing off universal properties of mankind into exclusive tribal ownership.’ Zo kun je best ook Europees zijn als je je niet binnen haar geografische grenzen bevindt.

2.

Dat de kwestie van mijn Europese inborst me bezighoudt, komt mede door het werk van de Franse auteur Valery Larbaud (1881-1957), een van de meest Europese schrijvers die ik ken. Omdat Larbaud in ons taalgebied relatief onbekend is – zelfs onder hen die zich voltijds met literatuur bezighouden – ontkom ik er niet aan deels te herhalen wat al zo vaak over hem is beweerd.

Hij was erg rijk, dankzij het nagelaten fortuin van zijn vader, al zou de verdeling van de erfenis onenigheid met zijn moeder opleveren. Een fun fact is dat Larbauds vader apotheker was die met veel succes bronwater uit de buurt van Vichy aan de man wist te brengen onder de naam Saint-Yorre. Dit bruisende mineraalwater bestaat nog steeds, met als slogan: ‘Saint-Yorre, ça va fort, ça va très fort!’.

Larbaud, enig kind van een vader die al behoorlijk op leeftijd was toen hij geboren werd, doorkruiste gedurende zijn jeugd het halve continent. Hij voelde zich goed als kosmopoliet en polyglot, beheerste het Engels en het Spaans voldoende om eruit te vertalen, in beide talen publiceerde hij ook artikelen (al beschouwde hij die zelf als secundair spul). Hij schreef gedichten, proza, vertaalde en essayeerde. Zijn mooie kostschoolroman Fermina Márquez (1911) werd door E. du Perron – met wie hij gecorrespondeerd heeft – in prachtig Nederlands vertaald. Een deel van zijn verhalen is vertaald, maar het blijft wachten op een vertaling van de verhalenbundel Enfantines (1918) waarin een van de mooiste verhalen over kalverliefde staat dat ik ken: ‘Le couperet’ (Het koksbijltje).

Vertalingen van zijn poëzie in het Nederlands zijn voor zover ik weet tot voor kort beperkt gebleven tot losse publicaties in literaire tijdschriften. Dankzij Uitgeverij Vleugels is daar verandering in gebracht. Vleugels heeft een mooie tweetalige uitgave verzorgd met een dozijn gedichten van Larbaud in de vertaling van Paul Claes. Alle twaalf gedichten zijn door Claes voorzien van een kort en zeer ter zake doend commentaar. Voor wie de dichter niet kent heeft Claes de moeite genomen om een op prettig losse manier geschreven levensschets op te stellen. Ook is er als geste aan de nieuwsgierige lezer een bibliografie opgenomen.

Op het laatste gedicht na, zonder meer het meest spectaculaire dat Larbaud heeft geschreven (ik kom er nog op terug), zijn alle gedichten afkomstig uit het in 1908 gepubliceerde Poèmes par un riche amateur. Larbaud bracht deze tekst uit op zijn zevenentwintigste onder het heteroniem A.O. Barnabooth, waarmee hij de vlucht naar voren had genomen. Beschikte hij zelf al over een flink vermogen, zijn alter ego was ‘colossalement riche’. Later zou onder dezelfde schuilnaam een Journal intime verschijnen, in het Nederlands vertaald als Dagboek van een miljardair. De kosten voor de publicatie van de Poèmes droeg Larbaud zelf. Ze verschenen in een oplage van zo’n honderd stuks waarin hij ‘les oeuvres françaises de M. Barnabooth’ bijeenbracht. Behalve gedichten nam hij het korte verhaal ‘Le pauvre chemisier’ op (eveneens vertaald door Du Perron onder de titel De arme hemdenmaker).

Larbaud diepte de mystificatie uit door een twintig pagina’s tellende levensbeschrijving van Barnabooth op te nemen, geschreven door de eveneens zeer fictieve figuur X.M. Tournier de Zamble. Het is een hoop vrolijke onzin waaruit moet blijken dat de zeer vroeg wees geworden Barnabooth een verwende, aanstellerige kwibus is, maar toch ook een gevoelige en sympathieke ziel. Zijn afschuw van de moraal, die gepaard gaat met cynisme, verveling en spleen, verbindt hem met Charles Baudelaire, maar in tegenstelling tot Baudelaire beschikt Barnabooth over het verrukkelijke vangnet van een John D. Rockefeller-achtig fortuin. Ook houdt hij – Claes wijst er op – erg van Walt Whitman. Het mag voor zich spreken dat de schrijvers die Barnabooth hoogachtte overeenkwamen met die van Larbaud .

Barnabooth hunkert er lekker op los, verlangt ‘éternellement’ naar ‘des choses vagues’, naar de mooie uitzichten die hij tijdens het reizen heeft opgedaan, en – uiteraard! – naar contact: ‘Ach, mocht een lezer, mijn broer, tot wie ik spreek / Door dit bleke, glanzende masker / dan een zware, trage kus drukken…’. Hij is een soms verlegen buitenstaander, luistert naar meisjes die muziek maken (in een Algerijns dorp) en kijkt naar meisjes die afscheid van elkaar nemen (in Rotterdam). Hij is zich tevens erg bewust van zijn nietigheid (‘Oh, comme on est petit, comme on est à genoux’), en van de vergankelijkheid van alles (‘Als ik een aantal jaren zal zijn overleden’, ‘Als ik dood ben, als ik behoor tot onze geliefde doden’).

Een toerist dus, deze Barnabooth, zoals er destijds maar weinig waren, en momenteel te veel.

3.

Van Barnabooths nationaliteit heeft Larbaud een nogal ingewikkelde zaak gemaakt: hij werd geboren in 1883 (twee jaar na Larbaud zelf) in Zuid-Amerika, in het plaatsje Campamento, gelegen in de provincie Arequipa. Ten tijde van publicatie lag het in Chili, maar momenteel in Peru. De Zamble merkt op dat dit gebied op het moment van Barnabooths geboorte bevochten werd door de legers van Chili, Peru en Bolivia. Volgens De Zamble had Barnabooth daarom niet geheel ongelijk dat hij zichzelf als stateloos (‘sans-patrie’) beschouwde. Hij heeft zich echter laten naturaliseren tot burger van de staat New York (‘citoyen de l’État de New York) en werd dus een soort Amerikaan. Het internationalistische, grensoverschrijdende zit er meteen goed in. Ook Barnabooths afkomst kenmerkt zich door veel gereis. Zijn stamvader was een Fin genaamd Olsson die eerst naar Zweden verhuisde en vervolgens de Atlantische Oceaan overstak om zich te vestigen in een gebied in de buurt van de Hudson.

Barnabooth beheerste het Engels en het Spaans als moedertaal maar schreef in het Frans uit liefde (‘dilection’) voor die taal. De merkwaardige, vals-Engels klinkende achternaam is volgens Robert Mallet, die bevriend was met Larbaud en het voorwoord schreef bij een uitgave van de Poèmes in 1966, een samentrekking van de woorden ‘Barnes’ (tegenwoordig een district van zuidwest Londen) en ‘Booth’, een woord dat op het uithangbord hing van een Engelse keten van apothekers. Waarom Larbaud voor ‘Barnes’ koos weet ik niet, maar je kunt er in elk geval uit opmaken dat de in de Auvergne opgegroeide Larbaud zich met ‘Barnabooth’ een grootsteeds en internationaal zelf aanmat.

Net als Barnabooth beheerste Larbaud drie Europese talen vloeiend (uiteraard spreekt Barnabooth nog veel meer talen, waaronder het Nieuwgrieks, het Italiaans en het Duits). Hij zou tegenwoordig de ideale Euroburger zijn, zeker als je bedenkt dat vanaf de jaren zestig de Raad van Europa (niet te verwarren met de Europese Raad en de Raad van de Europese Unie) een actieve taalpolitiek voert die er volgens Francis Staatsen, zo schrijft zij in Moderne vreemde talen in de onderbouw (2009), toe moest leiden dat ‘elke Europese burger naast zijn moedertaal vlot kan communiceren in twee andere talen’. Deze taalpolitiek was/is erop gericht bij te dragen aan de eenheid tussen lidstaten, een Europese identiteit mede vorm te geven, culturele en talige diversiteit te bevorderen met inachtneming van de kleinere landen en culturen, en – finalement – hoogwaardig taalonderwijs te creëren, dat laatste ‘met het oog op de toegenomen mobiliteit van haar lerende en werkende burgers’. Zo bezien zou je bijna denken dat Larbaud voor de Raad van Europa als proto-EU-burger heeft gediend.

4.

Hoe ziet het Europa van Barnabooth/Larbaud er zoal uit? Zoals opgemerkt, wordt het continent getoond door de ogen van een toerist die het breed laat hangen. Geld uitgeven, spulletjes kopen, consumeren is het devies, al wordt dit niet zonder ironie genoteerd.

In de helaas ongemotiveerde, maar niettemin representatieve selectie gedichten die Claes heeft vertaald, komen allerlei verwijzingen voor naar landen (Bulgarije, Servië), steden (Wenen, Budapest, Londen en Rome, maar ook Scheveningen en Rotterdam, opgenomen ongetwijfeld om de laaglandse lezer een plezier te doen), meren (Starnberger See), baaien (de baai van Gravosa, het huidige Gruž, dat deel uitmaakt van Dubrovnik) en streken (Castillië). Soms worden de geografische grenzen overschreden, zoals in het gedicht ‘Mers-el-Kébir’ (Algerije), maar ook dan is Europa nabij: ‘En ik houd van de herberg, want de diensters op de binnenplaats / Zingen in de vredige avond de zo welluidende melodie / van ‘La Paloma’. Europa was overal, een beetje zoals de Verenigde Staten nu.

Wat mij in eerste instantie vooral trof, is dat het gemak waarmee de miljardair zich aan het begin van de twintigste eeuw verplaatste inmiddels gemeengoed geworden is. Deze poëzie wrijft het er eens even goed in: Europa is volslagen decadent geworden. Momenteel verplaatst iedereen zich als een vroeg-twintigste-eeuwse miljardair, voornamelijk tijdens de zomervakantie, maar wel met het vliegtuig (de kosten hiervoor zullen, zo weet iedereen, door toekomstige generaties worden gedragen).

Mobiliteit kenmerkt Europa! Het is daarom sterk dat Claes de bundel laat openen met het gedicht ‘Ode’, een ode aan de ‘luxetrein’ die, zo neem ik aan, die Europese steden en hoofdsteden, met hun geschiedenis en cultuur, toen al behoorlijk netjes met elkaar verbond. Barnabooth neemt graag de trein, deze ‘Harmonika-Zug’, maar ook de ‘Nord-Express’ en de ‘Oriënt-Express’.

Larbaud kan Barnabooth enkele jaren voor de Eerste Wereldoorlog nog onbekommerd laten geloven in de Vooruitgang en de wonderen die de technologische ontwikkeling bracht: ‘J’ai senti pour la première fois toute la douceur de vivre, / Dans une cabine du Nord-Espress, entre Wirballen et Pskow.’ (‘Ik voelde voor het eerst hoe vredig het leven kan zijn / In een coupé van de Nord-Espress, tussen Wirballen en Pskov.’).

In hedendaagse oren klinkt dit mogelijk wat overspannen, maar wat ik hieraan waardeer is de verbondenheid die eruit spreekt met al die verschillende landen die hij bezoekt, en de dankbaarheid voor de opgedane ervaringen. Barnabooths geprivilegieerde reizigersleven roept trouwens een andere illustere dichter-reiziger in herinnering: Lord Byron. Maar Barnabooth, die geen adellijke titel heeft, is ondanks zijn weemoed uiteindelijk een stuk vrolijker dan de byroniaanse held. Hij bezingt opgewekt de steden en kusten die hij bezoekt: ‘Et vous, ports de l’Ístrie en de la Croatie, / Et rivages dalmates, vert et gris en blanc pur!’ Eerder dan een avonturier en een outcast die zich voor een onafhankelijkheidsstrijd inzet, is Barnabooth iemand die erg van vakantie houdt.

5.

Het is jammer dat Claes niet ook iets uit de lange, uit elf gedichten bestaande afdeling ‘Europe’ heeft opgenomen, het sluitstuk van de Poèmes, behalve de regels die hij als motto aan deze uitgave meegaf: ‘Oh! tout apprendre, oh! tout savoir, toutes les langues! / Avoir lu tous les livres et tous les commentaires…’ (‘Och, alles leren, och, alles kennen, alle talen! / Alle boeken en alle commentaren gelezen hebben…’). Het Europa van Barnabooth/Larbaud is vooral het Europa van de steden, niet zozeer dat van de landschappen die hij graag aanschouwt wanneer hij onderweg is van de ene naar de andere stad, bolwerken van cultuur en geschiedenis: ‘Ik bezing Europa, zijn spoorwegen en zijn theaters / en zijn gesternten van steden…’

Die steden bevinden zich onder meer in Polen, Kroatië, Spanje, Italië, Duitsland, Zweden, Nederland en Engeland: ‘Pour moi, / L’Europe est comme une seule grande ville / Pleine de provisions et de tous les plaisirs urbains’. Aan de natuur (waar de menselijke orde afwezig is) wijdt hij opvallend weinig woorden. Wel krijgt de zee wat aandacht. Zij wordt gepersonifieerd als de intieme getuige van Barnabooths reizen, als een spirituele aanwezigheid die hem tijdens zijn tochten begeleid heeft.

6.

Het stedelijke eurocentrisme wordt echter zeer problematisch als je leest hoe Barnabooth/Larbaud Europa laat contrasteren met de rest van de wereld. Een regel als ‘De muze die mij inspireert is een creoolse dame’ (in ‘Mijn muze’) getuigt van een ouderwets kolonialistische attitude. De hierboven aangehaalde regels gaan daarnaast als volgt verder: ‘Et le reste du monde / M’est la campagne ouverte où, sans chapeau, / Je cours contre le vent en poussant des cris sauvages!’ Hier zie ik, mede dankzij Leerssen, dat het stereotiepe beeld wordt gereproduceerd van Europa als oord van civilisatie en van het intellect, waarbuiten het een grote primitieve bende is. De taal is er afwezig, je mag je er uitleven aan wild geschreeuw.

Het meest problematisch wordt dit superioriteitsgevoel verwoord in het tweede gedicht van ‘Europe’:

Fi des pays coloniaux, qui n’ont pour eux
Que les merveilles de la nature, et n’ont pas su
Même se procurer un Théocrite,
En vêtements de toile, dans des villes sans boutiques:
Dégoût des chasses aux bêtes fauves, des résidences
Royales des Indes et des cités d’Australasie,
Où l’on ne fait que penser à toi, Europe.
Car là, dans le brouillard, sont les bibliothèques!
Oh! tout apprendre, oh! tout savoir, toutes les langues!
Avoir lu tous les livres et tous les commentaires;
Oh, le sanscrit, l’hébreu, le grec et le latin!

Jaap Goedegebuure heeft er ooit in Tirade op gewezen dat in deze passage Whitman doorklinkt vanuit een tegenovergesteld perspectief. Bezong Whitman de nieuwe wereld, Barnabooth/Larbaud sabelt hem neer. Goedegebuure schrijft: ‘In dat verband is de verschijning van Theocritus in de beginregels van het eerder aangehaalde gedicht hoge ironie, want deze Hellenistische poeët en beoefenaar van het meest gekunstelde aller genres dat er toch zo natuurlijk uitziet, de pastorale, is een zuiver vertegenwoordiger van de literaire affectatie en onnatuurlijkheid, en evenals Barnabooth een op zijn kop gezette Whitman.’

Ik volg Goedegebuure graag in zijn analyse die mooi laat zien hoe glibberig de boel hier wordt. Maar de ‘hoge ironie’ neemt niet weg dat er toch maar gewoon staat dat de koloniën geen noemenswaardige dichters hebben voortgebracht. En de bibliotheken (als verzamelplaats van kennis en als archief van de menselijke geschiedenis en vooruitgang), bevinden zich louter in Europa, verborgen in de mist. Goedegebuure wijst erop dat het snobisme van Barnabooth wordt geridiculiseerd door zo’n verwijzing naar Theocritus, ‘waarmee Laurbaud zelf ongetwijfeld eigen – doorziene – preoccupaties onschadelijk trachtte te maken.’ Maar deze psychologiserende u-turn overtuigt me niet zo. Dit mag allemaal erg ironisch zijn, helemaal ongemeend komt het me niet over.

Het lastige van Larbauds maskerade – een van de door Claes vertaalde gedichten heet ook ‘Het masker’ – is uiteraard dat je nooit precies weet waar je aan toe bent met die Barnabooth. Zoals Robert Mallet het verwoordde: ‘Valery Larbaud fut-il conscient de tout ce qu’il y mettait du plus vrai de lui-même en s’appliquant à créer un personnage qui lui fût dissemblable?’ Omdat je daar niet achter kunt komen, wordt de ironie tijdens het lezen bijzaak. Deze ironie relativeert de ernst van de gewraakte regels wel, maar weerspreekt of weerlegt de boodschap niet. Het gereproduceerde stereotype wordt niet ter discussie gesteld, maar blijft in stand gehouden. Uiteindelijk werkt dit gedicht toe naar een voorstelling van het lezen en het opdoen van kennis als almachtsfantasie: ‘Comme si quelqu’un vous murmurait les mots: “Je te donnerai tout cela”, sur la montagne!’ Zulke gevoelens van euforie zijn geroutineerde lezers niet onbekend. Moet je die dan ook niet helemaal serieus nemen?

Om van de nood een deugd te maken: deze regels hebben wel de verdienste dat ze je als lezer dwingen tot positiebepaling. Want als deze voorstelling van Europa fout is (waar ik van overtuigd ben), wat kan ik daar tegenoverstellen? Nou, in elk geval een Europa waar alle opgeslagen kennis toegankelijk is voor iedereen, en waar de bibliotheken niet verscholen liggen in de mist. En daarnaast een Europa dat wordt gekenmerkt door democratie, solidariteit en diversiteit, van mensen, dieren, culturen, talen, gebruiken, enzovoort. Ook daarom kan Europa (en Angela Merkel heeft dat goed begrepen) zeer gastvrij zijn voor iedereen van buiten, dus niet alleen voor de blasé miljonairs, die er zich, al dan niet noodgedwongen, wil vestigen.

Het mag voor zich spreken dat Larbaud zich niet tegen diversiteit heeft gekeerd, integendeel zelfs. Het laatste gedicht dat Claes heeft vertaald heet ‘De sneeuw’, het is het hoogtepunt van de bundel, en misschien ook wel van Larbauds poëtische oeuvre. Volgens Claes is het geschreven in Bergen op Zoom als ‘veeltalige nieuwjaarswens voor 1935’. De sneeuw die overal in Europa valt en die de dichter in zijn verbeelding volgt, wordt er met behulp van elf talen uit de Indo-Europese taalfamilie bezongen. Zowel de ‘Karpatische hellingen’ als de ‘Esquillijnse heuvel’ figureren erin. De dichter leeft zich uit in een heerlijk taalspel. Hij geniet overduidelijk van de mozaïek aan talen die Europa rijk is, en van de mogelijkheid om allerlei verschillende woorden en klanken bij elkaar te brengen, een hutspot die zich kenmerkt door beheersing. Met deze taalversmelting wordt Europa voor mij nog het mooist door Larbaud verbeeld: een gedicht als een taalcontinent. Het is kortom prachtige poëzie die je dankzij Claes’ vertaling eigenlijk pas echt kunt begrijpen (de Franse vertaling van Larbaud zelf is overigens niet opgenomen).

7.

In het eveneens in 2018 verschenen Gouden vertaalregels heeft Claes tips en trucs bij elkaar gebracht voor vertalers uit het Frans, Engels en Italiaans. Zelf heeft hij het Engels en Frans voor zijn rekening genomen, Italiaans heeft hij overgelaten aan Frans Denissen en Adam Heylen. Voor het Duits wist hij tot zijn eigen verdriet niemand te vinden. Wel heeft hij een kort hoofdstukje gewijd aan het vertalen uit het Latijn en aan het vertalen van gebonden poëzie. De afwezigheid van het Duits mag te betreuren zijn, dat neemt niet weg dat dit een ontzettend leuk en leerzaam boekje is voor iedereen die zich met een van de genoemde drie talen bezighoudt, als vertaler of liefhebber.

Zo merkt Claes op dat Fransen graag ‘een nominale stijl [gebruiken] waarin substantieven in de plaats komen van werkwoorden en adjectieven.’ Een letterlijke vertaling in het Nederlands werkt volgens Claes niet omdat ‘wij nu eenmaal minder abstract formuleren dan Franstaligen.’ Om de onvermijdelijke vertaalproblemen het hoofd te bieden, draagt Claes heel wat oplossingen aan. ‘J’ai voulu décrire la beauté de la région’ wordt: ‘ik heb willen beschrijven hoe mooi de streek is.’

Aan zijn vertalingen van Larbaud kun je zien dat hij de daad bij het woord voegt. ‘J’ai senti pour la première fois toute la douceur de vivre’ (in ‘Ode’) wordt: ‘Ik voelde voor het eerst hoe vredig het leven kan zijn.’ ‘Chantent dans la douceur du soir cet air si doux’ (in ‘Mers-el-Kébir’) vertaalt Claes als ‘Zingen in de vredige avond de zo welluidende melodie’. ‘Douceur du soir’ wordt vredige avond, omdat de ‘vrede van de avond’ wat geforceerd klinkt. Je zou kunnen opmerken dat het woordspel van ‘douceur’ en ‘doux’ in de vertaling verloren gaat, maar daar staat tegenover dat deze Nederlandse vertalingen ook dienen ter ondersteuning van het origineel. Dankzij de vertaling krijg je oog voor bepaalde subtiliteiten. De slotregel van ‘Ode’ klinkt als volgt in het origineel: ‘Et, plus loin, à travers la Bulgarie pleine de roses…’ Omdat deze constructie in het Nederlands merkwaardig zou klinken heeft Claes volgens mij terecht gekozen voor een toevoeging van het woord ‘land’: ‘En verder nog door Bulgarije, dat land vol rozen…’

Claes’ Larbaud-vertalingen zijn dus heel goed, al valt op de details altijd wel wat te muggenziften. Om een voorbeeldje van te geven van een keuze die de mijne niet zou zijn (zou ik de vertaler recht doen als ik dit na zou laten?): in het beeldgedicht gewijd aan Rotterdam vertaalt Claes de zinsnede ‘au milieu des passants affairés’ met ‘in de drukke passantenstroom’. Dit gedicht beschrijft een ik die twee jonge vrouwen afscheid van elkaar ziet nemen op de Rotterdamse Boompjeskade. In de slotregels wordt de dynamiek opgeroepen van een havenstad aan de hand van personen- en vrachtverkeer. Sleepboten komen ronkend voorbij op de rivier, treinen fluiten over de ijzeren bruggen.

Claes vertaalt ‘manoeuvrer’ in de slotregel met ‘af en aanrijden’, wat een geslaagde vondst is. ‘Passantenstroom’ vind ik echter niet goed, omdat Claes daarmee een weinig bijzondere metafoor toevoegt die het gedicht door de aanwezigheid van de rivier en de drukte van het verkeer sowieso niet nodig heeft. Waarom niet kiezen voor zoiets als ‘tussen de gejaagde / gehaaste voorbijgangers’? Ik vind ‘voorbijganger’ ook een mooier woord dan ‘passant’, misschien omdat het, in tegenstelling tot ‘passant’ geen Latijnse oorsprong heeft, en het me daardoor iets natuurlijker in de oren klinkt. Of omdat de ‘voorbijganger’, in tegenstelling tot het gesubstantiveerde onvoltooide deelwoord ‘passant’, dat een beweging uitdrukt die niet ophoudt, iets melancholisch’ in zich draagt, als een figuur die ‘voorbij gaat’, bezig is met verdwijnen terwijl je hem of haar ziet.

Maar nogmaals, dit zijn kleinigheden die geen afbreuk doen aan het mooie werk dat Claes heeft verzet. Ik hoop dat de vertaling van deze twaalf gedichten van Valery Larbaud ooit nog eens zal leiden tot de vertaling van de hele ‘Europe’. Dan zou het poëtische oeuvre van Larbaud bijna helemaal in het Nederlands vertaald zijn. In een tijd die wordt gekenmerkt door (ultra-)nationalistische revivals, stimuleert deze poëzie tot nadenken over een weerwoord. Zij zet de lezer ertoe aan invulling te geven aan een Europa dat in stelling kan worden gebracht tegen de ingekeerdheid en de valse nationale mythes die al veel te lang circuleren in het politieke debat.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?