cover big

In het spiegelpaleis

Erik de Smedt

Over Kleine Vlaamse mythologieën van Jan Baetens, Karel Vanhaesebrouck en Brecht Van Maele

het balanseer, Aalst, 2014,
ISBN 9789079202256 / 160p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 20-05-2014

Bookmark and Share

Toen in 2007, een halve eeuw na het verschijnen van Roland Barthes’ Mythologies (1957), een update ervan uitkwam onder de titel Nouvelles Mythologies (onder redactie van Jérôme Garcin), bleek het verschil met het model groot. Beschreef en analyseerde Barthes objecten, figuren en verschijnselen die typisch waren voor het burgerlijke Frankrijk van de jaren vijftig, dan hield de nieuwe bundel zich voor het grootste gedeelte bezig met onderwerpen als de gps, het mobieltje, de Poolse loodgieter, sushi, de Star Academy, botox, sms, 9/11, Google, het blog, de Smart en de euro. Kortom: producten van de globalisering, die geen halt houdt voor landsgrenzen en nauwelijks iets heel laat van een nationale identiteit. Als dat voor Frankrijk geldt, een land met toch zo kenmerkende gewoonten en tradities, op het chauvinistische af, hoeveel te meer moet dit dan niet het geval zijn voor het kleine Vlaams-België, altijd al een hybride landstreek op het kruispunt van culturen? Sommige partijen willen van de weeromstuit het fiere Vlaanderen in ere herstellen door te hameren op een Vlaamse identiteit, ‘een verbeelde gemeenschap’, zoals ze zelf toegeven, maar een waaraan elke dag met enthousiasme moet worden gewerkt. Het beklemtoont vooral hoe het nationale schip onvermijdelijk lekt. De ideologie probeert overeind te houden – Barthes zou hebben gezegd: als natuurlijk en eeuwig te laten overkomen – wat cultureel bepaald en dus per definitie voorbijgaand is, al is het de sterke uitdrukking van een ‘wil tot macht’.

Als de cultuurwetenschappers Jan Baetens (1957) en Karel Vanhaesebrouck (1978) samen met de fotograaf Brecht Van Maele hun vestzakboekje Kleine Vlaamse mythologieën noemen, lijkt dat met het ‘Vlaamse’ erbij een titel tegen beter weten in – of een uiting van milde ironie. De foto op de voor- en achterkant zet het probleem dik in de verf. Hij toont een typisch stuk Vlaamse halflandelijkheid, een rommelig terreintje naast een oude bakstenen schuur. Links staan twee forse meiden in carnavalskostuum te pronken, de ene uitgedost als Superwoman, de andere als Batwoman, volop veramerikaniseerd dus. De kleuren zijn overwegend zwart, geel… en rood, als het Vlaamse verdriet van België. Rechts zit een wat slungelige jongen in jeans met een smartphone in zijn hand. Daar kijkt hij echter niet naar, en al evenmin naar de lachende meisjes. Hij houdt, met lichtjes afgewend hoofd, zijn andere hand voor zijn ogen, alsof het geboden spektakel hem te veel wordt. Misschien is het ook voor hem niet om aan te zien: de zelfgenoegzame lelijkheid van mensen én omgeving. En dan is er nog dat grappige beeldelement, het verkeersteken ‘verboden voor voertuigen van meer dan 3,5 ton’, op een plek waar geen weg meer loopt totaal overbodig, zoals wel vaker het geval is met verkeersborden in Vlaanderen.

De auteurs problematiseren dus (het vatten van) de Vlaamse identiteit anno 2014. In het woord vooraf schrijven ze:

[…] er is ook niet langer het geloof dat het mogelijk is ‘de’ samenleving in een model te vatten, zelfs al lijkt het heel Vlaams om dat nu net wél te denken. Redenen genoeg dus om even te kijken hoe Vlaanderen zijn eigen mythes maakt, onderhoudt en over de hele wereld probeert uit te sturen, met een liefdevolle maar ook kritische blik, soms vol ergernis, soms met verwondering.

Het format van de ‘mythologie’ in de traditie van Barthes houdt het midden tussen een satirische column vol concrete, in het beste geval niet eerder gedane observaties, en een aanzet tot ideologiekritische analyse in de geest van de cultural studies, dus met evenveel aandacht voor de zogeheten ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur. Onderwerp kan om het even wat zijn, op voorwaarde dat het enige representativiteit bezit: uitdrukkingen als ‘Vanwaarzijdegij?’ of ‘’t Is ienen van ongs’, historische mythes funderende illustraties als die van Jean-Léon Huens in de populaire plakboeken ’s Lands Glorie of de jeugdromanreeks over De Rode Ridder van Leopold Vermeiren, mediaverschijnselen als de verkiezing van de Grootste Belg of de populaire seksuologe Goedele Liekens, het met zijn tijd meegaande, in elk huishouden te vinden Ons Kookboek van de KVLV of Boerinnenbond, de Vlaamse wielersport en de eigenaardigheden van (het gebrek aan) woonarchitectuur en ruimtelijke ordening.

Wij trekken ons plan

Behalve de laatste drie thema’s zijn deze onderwerpen niet de meest voor de hand liggende, wat het genre ook vereist; het moet immers iets reveleren van waar tot nog toe achteloos aan voorbij is gegaan en dat vervolgens van zijn vanzelfsprekendheid ontdoen. Dat kan ook door heel hedendaagse verschijnselen te behandelen: het stukje ‘Aan de fles’ heeft het niet over al dan niet verborgen alcoholisme (de volkscafés krijgen elders aandacht), maar over een verschijnsel dat je in de jaren negentig in Amerika en vervolgens in de Parijse metro kon zien opduiken.

De moderne Vlaming begeeft zich niet meer buiten zonder zijn draadloze baxter (de term ‘infuus’ raakt moeilijker ingeburgerd): zijn fles water. In de klas, op het werk, in de trein, in de filmzaal, overal is de fles binnen handbereik. Terwijl vroeger enkel de echte flandrien een met druivensuiker aangedikte ‘bidon’ op zijn frame meezeulde, is vandaag het drinken van water in de openbare ruimte een wijdverspreid ritueel geworden.

Het stukje legt (uiteraard) de link met de gezondheidsindustrie, maar gaat vooral in op de opmerkelijke esthetische ontwikkeling van het flesje (van ‘form follows function’ naar ‘form follows fun’). Daarnaast wordt aandacht besteed aan het flesje als sociaal distinctief kenmerk en het opduiken ervan op een plek waar je het niet verwacht: het zwembad. Zo wordt de wat badinerende en concreet beschrijvende aanzet cultuur- en maatschappijkritisch uitgediept:

Men poot zijn fles neer als teken dat men zelfbewust mee stapt in de gezondheidsrage, waarachter zich een productiviteitsrage schuilhoudt (overigens is schuilhouden niet de juiste term: de Vlaming is trots op zijn mythische werkkracht).

Een uitweiding over het neoliberalisme, dat ook van ontspanning een inspanning maakt, en naar het afgezworen geloof in de cartesiaanse tweedeling van lichaam en ziel, waardoor onze lijfmachine niet minder zwaar om te torsen is, wordt gevolgd door een ‘opheffende’ dialectische conclusie, die de fles ziet als

[…] een compensatie voor de fundamentele onmacht die we voelen tegenover een wereld die ons ontsnapt, zeker als die wereld luistert naar de naam van ‘de markt’. De Vlaming met zijn fles is geen gezondheidsbewuste waterdrinker, maar een moderne alcoholist, die wegvlucht in de drank om beter zijn ogen te kunnen sluiten voor wat hij niet aankan of aandurft: zich verzetten tegen een systeem dat niet alleen voor zijn geest maar ook voor zijn lichaam misschien niet het beste is.

Door ’t een en ’t ander ’t arrangeren

Vergeleken met dit stukje en dat over het graag backstage vertoeven bij festivals of de obsessie met toptalent, zijn andere essaytjes (en hun onderwerp) traditioneler, maar daarom nog niet voorspelbaar. ‘Doe ze nog eens vol!’ evoceert met verve het volkscafé, niet zonder er een uiting van nostalgie in te onderkennen en oog te hebben voor de zielige opvolger, de ‘wanstaltige taverne’ – ‘prefab-authenticiteit die uiting probeert te geven aan een ruraal verlangen dat er al lang niet meer is, aan een baldadige volksgeest die men eigenlijk verwerpt maar steeds ook romantiseert.’ Van hier is de stap klein naar de geliefde ‘fermette’ (‘boerderette’ voor de Nederlanders), een antwoord op het verlangen naar identiteit en continuïteit maar vooral een uitwas van ‘het consumentengedrag van de bouwheer: die hoopt zich met zijn huis een kant-en-klare authentieke levensstijl te verwerven’. Evenals de opvolger in pastoriestijl (als ruimte schaarser wordt, bouwt men in de hoogte) is de fermette ‘een oase waarin het Vlaamse gezin zich tegoed kan doen aan het groen van het platteland dat er niet meer is (dan moet het maar met de coniferen) en zich veilig kan verschansen achter zijn duur betaalde Bekaert-draad’. Beide woonvormen zijn ook de uiting van een capsulaire maatschappij: ‘eilanden van orde en bucolische rust in een zee van chaos en wanorde’.

De analyses van de kort gehouden gazons (‘Il faut cultiver sa pelouse’), de verkaveling, de lintbebouwing en de zonevreemde woning sluiten hier naadloos bij aan, mede omdat ze meer doen dan die verschijnselen te verbinden met de clichés burgerlijkheid, individualisme en lak aan overheidsbemoeienis. De bekommernis om te actualiseren is een van de troeven van deze mythologieën. ‘De koers’, volgens de meeste Vlamingen hét typisch Vlaamse tijdverdrijf bij uitstek, wordt als traditioneel verschijnsel tegen een hedendaags licht gehouden door erop te wijzen dat deze volkssport haar anti-elitaire karakter steeds meer verliest. De amateur-wielersport wordt professioneler, de ingesteldheid competitiever, neomanagers en politici ‘snoeven met hun scherpe tijden, meten hun hartslag bij elke inspanning en doen ook op de fiets aan “netwerking”’.

Hoezeer deze observaties hout snijden, werd onlangs in het nieuws bevestigd, toen bekend werd dat vooral oudere wielertoeristen doping gebruiken, via internet betrokken uit China. De hier geschetste ruimtevretende woonvormen zullen, zo blijkt uit andere berichten, in de toekomst plaatsmaken voor een ecologisch verantwoord gebruik van de ruimte, centraal wonen, appartementisering en collectivisering in Vlaanderens suburbia.

Bij sommige stukjes vraag je je op het eerste gezicht af of ze niet te zeer op het verleden gericht zijn en een Vlaanderen beschrijven uit de kinderjaren van wie nu vijftig of zestig is. Dat geldt voor de prentjes van de verzamelalbums ’s Lands Glorie, al wordt een poging gedaan om de illustraties, die een eigen leven gingen leiden, te zien als een vroeg kantelmoment van tekst- naar beeldcultuur. In het geval van de jeugdschrijver Leopold Vermeiren, eveneens vooral een relict uit de jaren zestig tot tachtig, wordt toegegeven dat zijn jongensachtige verbeelding ouderwets en nu vooral eendimensionaal overkomt: ‘elke Arabier [is] per definitie een onbetrouwbaar sujet, een messenslijper en een vrouwenhater’. Feit is dat ze het wereldbeeld van de destijds jonge Vlamingen hebben gekleurd (begin jaren tachtig één miljoen verkochte exemplaren!). Dit had zeker ook kunnen worden gezegd van de in het onderwijs en de zuilen lange tijd zo sterk aanwezige katholieke kerk, die in deze bundel vreemd genoeg ontbreekt.

Dat gaat niemand nie an

Exhaustief wilden Baetens en Vanhaesebrouck zeker niet zijn. Dit vestzakboekje doet niet meer dan een greep, maar wel één met effect en diepgang. Toch vraag ik me af of Kleine Vlaamse mythologieën vandaag de dag representatief kan zijn zonder in te gaan op de rol van de media: niet alleen N-VA-kopstuk en ex-tv-journalist Siegfried Bracke beschouwt de Vlaamse televisiezenders, inclusief de commerciële, als een van de pijlers van de ‘Vlaamse identiteit’. Daarmee samenhangend: het verschijnsel van de Bekende Vlamingen, met een zo wijd spectrum van strafpleiter Jef Vermassen en filosoof Etienne Vermeersch tot loutere ‘mediafiguren’ als Lesley-Ann Poppe en de familie Pfaff. Misschien had het ook een opstapje kunnen zijn om (toegegeven: een glibberig terrein) de ‘volkspsychologie’ van ‘de’ Vlaming verder uit te diepen. Nog in een recente roman als Marc Reugebrinks Het Belgisch huwelijk (2014) komen trekken ter sprake als geslotenheid (of achterbaksheid), lompheid (‘Boeren zijn het. Aangeklede boeren soms, maar boeren’), argwaan tegenover vreemdelingen en onberekenbare omgang met regels. En, om ook een positieve eigenschap te noemen, het vermogen tot relativeren en zelfspot, ook met de plompe vedetterage, waardoor zelfs een commerciële tv-zender als VTM (Tegen de Sterren op) tot metasatire in staat blijkt.

Is het een Vlaams trekje sommige potjes liever gedekt te houden, uit zelfbescherming? In de inleiding geven de auteurs grif toe dat elk portret in dit boek ook een zelfportret is. Soms is dat in de stukjes duidelijk te merken, en het werkt wel eens contraproductief. Het stukje over de berichten voor duivenliefhebbers op de radio (lang verleden tijd) zegt nauwelijks iets over die merkwaardige duivensport, maar baadt in nostalgie over de poëzie van de Franse plaatsnamen en het verdwenen gevoel voor de schoonheid van die taal (hier spreekt de romanist en Franstalige dichter Baetens). ‘Breugelland’ zoekt naar de sporen van volkse anarchie en rebellie in een toneelvoorstelling van Michel de Ghelderode door Abattoir Fermé: ‘een theatrale ervaring waarin lichamelijkheid en sensualiteit centraal staan en letterlijk alles uit zijn voegen barst’. Het is een bevlogen stuk van de theaterwetenschapper Vanhaesebrouck, maar tegelijk gaat hij te licht heen over een verschijnsel als het Aalsterse carnaval (‘een ritueel waarbij elkeen op dezelfde wijze zijn schoenen onderkotst’).

Het genre ‘mythologieën’ neigt door zijn satirische (maar ook door zijn autobiografische) inslag soms naar de karikatuur. Die verhoogt het leesplezier en de intellectuele slagkracht, maar vertekent ook de werkelijkheid. De vraag waarom Bart De Wever zo graag Latijnse citaten gebruikt, wordt slechts half (genretheoretisch) beantwoord, maar veegt onder de mat dat hij daarnaast juist wél veel ‘petites phrases’ of oneliners lanceert (recent verscheen een bloemlezing van 320 bladzijden). Dat de verkiezing van Pater Damiaan tot Grootste Belg er vooral een was voor ‘een van ons’ en dus ‘geen van hen’ is een minder algemeen geldige uitspraak over de Vlamingen dan wordt gesuggereerd. Onlangs verkozen de Vlamingen immers een Waal als hun afgevaardigde naar het Eurovisiesongfestival. En om nog even bij Damiaan te blijven: ‘de interesse voor zowel de figuur als de boodschap heeft de avond van de uitzending op Canvas amper overleefd’ is een wat gemakzuchtige bewering, onheus ook tegenover een initiatief als het thuislozenrestaurant Kamiano (genoemd naar de naam die de inwoners van het eiland Molokaï hun weldoener gaven). Maar ik weet: Barthes had het aan het eind van zijn stuk over Abbé Pierre al over het alibi om ongestraft ‘de tekenen van barmhartigheid in plaats [te] stellen van de werkelijkheid van de rechtvaardigheid’.

Dat de twee schrijvende auteurs beseffen dat elk vastleggen van ‘identiteitskenmerken’ hachelijk is, blijkt overduidelijk uit de ruimte die ze tussen hun stukjes laten voor de derde, de fotograaf Brecht Van Maele. Zijn zwart-witfoto’s zijn geen illustraties, dienen de inzichten in de teksten niet. Ze tonen in hun ogenschijnlijke willekeur, terloopsheid en banaliteit scènes uit het dagelijks leven in Vlaanderen ‘zoals het is’, of in lacaniaanse termen: ze focussen op ‘le Réel’, dat aan woorden ontsnapt en niettemin heel karakteristiek is. Een gesloten café met afbladderende gevel en in het lelijke rijtjeshuis ernaast een open garage waarin een man, hand in de zak, een flesje bier aan zijn mond zet. Het volumineuze achterwerk van een oude vrouw die zich, naast een rollator, bukt in een tuin, gezien vanachter de coniferen, de betonpaaltjes en de draadafspanning van het naburige perceel. Een stuk façade van een pas gebouwde pastoriewoning met de protserige voordeur op ontoegankelijke hoogte omdat de buitentrap nog niet is geïnstalleerd. Een stuk landbouwgrond met een oneindig hoge bewolkte hemel, weidse Vlaamse natuur met toch weer, in de verte, een groot huis. De blinde zijgevel van een reusachtig huis (of een schuur?), een kakofonie van diverse soorten baksteen, betonstenen en eternit-leien, vol littekens van diverse verbouwingen. En, een compensatie voor de afwezige migrant in het tekstgedeelte, een zwarte man die een fietswiel oppompt, hurkend naast een leeg pad met daarop de witgeschilderde markering: voor rolstoelgebruikers. De neiging tot interpreteren is sterk, maar het trio dat deze even bescheiden als onderhoudende en stimulerende Kleine Vlaamse mythologieën heeft samengesteld lijkt unisono te fluisteren: ‘Laat het!’

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?