cover big cover big

Literaire tijdschriften

Xavier Roelens

Over Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift 129 van diverse auteurs

Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift vzw, Antwerpen, 2015,
ISBN / 94p.

Over Kluger Hans 28 van diverse auteurs

Kluger Hans vzw, Gent, 2015,
ISBN 2032-0426 / 72p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 16-05-2016

Bookmark and Share

Twee literaire tijdschriften werken samen. Dat klinkt waarschijnlijk als een verrassing voor wie tijdschriften enkel uit de literaire geschiedenisboeken kent. Daarin zijn ze tijdelijke bastions van gelijkgezinden die in pamfletten en polemieken hun visie op de letteren en de wereld verabsoluteerden – vaak als reactie op eerdere schotschriften in andere literatuurperiodieken.

Maar zoals Laurens Ham beschrijft in zijn bespreking van biografieën van W.F. Hermans en Harry Mulisch, ‘begon het vanaf de jaren zeventig te draaien om boekenbijlagen, televisie-interviews en columns, in plaats van om literaire tijdschriften, polemieken en essayistiek.’ Die verschuiving verandert ook het debat. In de polemiek spreekt een stem ook in naam van geestverwanten. Het format van het interview isoleert de auteur. Zijn of haar mening wordt particulier, moet nog een publiek, een groep voor zich winnen. Pogingen tot discussie worden vandaag al te gemakkelijk aan de kant geschoven als de ochtendlijke oprisping van een individu.

Ondertussen hollen literaire tijdschriften de verschuiving achterna. In hun nog altijd aanwezige aandacht voor poëticale uitspraken treedt evengoed individualisering op. In een recent voorbeeld is het brengen van een poëtica een individueel verhaal geworden. Dat wordt als een meerwaarde gepositioneerd – en de aanvallende toon lijkt mee uitgestorven.

Samenwerken als unique selling proposition

Misschien geven de literaire tijdschriften Kluger Hans en Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift een boeiende nieuwe richting aan door thematisch samen te werken in plaats van een confrontatie aan te gaan. Deze eerste stap is in elk geval nog voorzichtig. De redacties kozen spiegelbeeldige thema’s uit: conformisme bij Kluger Hans, non-conformisme bij Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift. Ze werkten vervolgens het thema onafhankelijk uit; het naast elkaar plaatsen van de resultaten belicht vooral de verschillende redactionele werkwijzen.

Twee brieven verschijnen in beide nummers. Raf De Bie, redacteur bij Kluger Hans, schrijft een brief aan zijn conformistische zelf. Hierin valt conformisme samen met het zich aanpassen aan de literaire traditie, de gekende mimesisgedachte:

[D]rie jaar geleden besliste je dat jouw teksten moeten, of alleszins moeten proberen, bij die van de goede schrijvers te horen. […] Je ging de schrijvers nabootsen die je graag las. Je verhaallijnen, je dialoog, je stijl. Door je op deze manier te conformeren, ben je gaan evolueren.

Voor Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift neemt redacteur Peter De Voecht de honneurs waar met een brief aan zijn non-conformistische zelf. Dit draait om het zo dicht mogelijk bij jezelf blijven:

Voor u staat non-conformisme gelijk met eerlijkheid, oprechtheid. Iedereen die al eens eerlijk is geweest, weet dat dat niet altijd gemakkelijk is. Iedereen wil uniek zijn, maar niemand wil alleen zijn.

Non-conformisme moet je bij jezelf toelaten, omdat het betekent dat je je eigen persoonlijkheid aanvaardt.

De persoonsgebonden benadering van De Voecht blijkt richtinggevend voor de rest van het non-conformismenummer. Ook in de inleiding valt op dat er de hele tijd over ‘non-conformisten’ gesproken wordt. Over mensen met dat label, weliswaar, niet over het label zelf.

Kluger Hans daarentegen waaiert meer uit, biedt een rijkdom aan invalshoeken op het thema. Al in het inleidende essay wordt conformisme anders gedefinieerd dan bij De Bie: als de afwezigheid van perversies, transgressie en het sublieme. Het tijdschrift stelt vanuit de vaststelling dat conformistische literatuur tegenwoordig overheerst – ze noemen daarbij Yannick Dangre, Daan Heerma van Voss en Christophe Van Gerrewey – twee tegengestelde vragen:

Misschien leven we in een periode waarin weinig nood is aan excessieve, levensbevestigende uitspattingen? Of misschien hebben we er meer nood aan dan ooit, maar gaat de hedendaagse schrijver gebukt onder de angst zichzelf te verliezen in de tekst?

Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift stelt geen vragen en legt evenmin dilemma’s voor, maar komt op voor zijn non-conformisten.

Stelligheid met een vleugje nostalgie

Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift grijpt in zijn stelligheid opvallend vaak naar het verleden terug. Zowel in artikels over Gust Gils, Jan Arends en J.M.H. Berckmans als in de vertaling van Hans Magnus Enzensberger (ook in zijn essay over George Orwell) en de Franstalige Antwerpenaar Alain Germoz komen ‘non-conformisten’ van vroeger aan bod. Verder opent het themagedeelte met een getuigenis van Guido Belcanto, die zo de laatste der non-conformisten wordt:

In de ogen van de anderen ben ik waarschijnlijk een non-conformist, tenminste als ik de commentaren mag geloven die door de jaren heen over mijn persoon en mijn werk zijn verschenen. Kwalificaties als ‘een uniek oeuvre’, ‘geheel oorspronkelijk’, ‘een stroming op zich’, ‘een éénmansbeweging’ (sic) worden over mij heen gestrooid als zoete manna en ja, wat kan ik daar tegenin brengen?

Individuen staan voorop. Door ze ‘non-conformisten’ en een enkele keer ‘lunatiekers’ (bij Gils en Germoz) te noemen, raakt het non-conformisme als stroming uit beeld. Het wordt een individueel verhaal van uitzonderingen, een statistisch ongevaarlijke afwijking en uiteindelijk ook een marktconform beeld van het non-conformisme. Buiten de radar blijven de hedendaagse straatprotesten. Van halfzachte muziekfeestjes voor een goed doel over meer onderbouwde Hart boven Hard-manifestaties en Occupy-bewegingen tot parasitaire Syriëstrijders: allemaal hedendaagse non-conformistische bewegingen die in dit nummer geen stem krijgen.

Ook in de literaire verhalen overheerst het individu dat zich losscheurt van zijn omgeving en een vrijheid claimt, maar enkel voor zichzelf. Bij Igor Daems bijvoorbeeld kijkt een oudere man met een vlieger (en niet de kale, coole jongeling op de begeleidende tekening, een van de vele kleine foutjes die de lectuur nu en dan storen) elke dag aan de Schelde naar de cruiseboten, wachtend tot zijn vrouw terug voorbijvaart. Bij Bram De Ridder treedt een persoon na een ‘voorval’ in het klooster, niemand weet voor hoe lang. Hij schrijft brieven over het leven in het klooster:

Het gaat nooit over particuliere emoties hier. We hechten niet aan elkaar. We geven niet echt om elkaar, niet op een gehechte manier. Wij zijn niet verbonden. We zijn hier misschien zelfs individualistischer dan buiten de muren, ook al is het een zogenaamde gemeenschap. Er wordt zelden iets persoonlijks gedeeld.

Een soortgelijke onverbondenheid krijg ik ook bij het nummer: de mensen staan samen op basis van één gedeeld kenmerk – het non-conformisme – maar net als in het citaat van Belcanto hierboven blijft het een label. De uitwerking mist diepgang.

Eén poëziebijdrage diept wel het non-conformisme in haar taal uit. Dominique De Groen combineert een niet-poëtische woordenschat – met termen als ‘non-consecutiviteit’, ‘noodzakelijke inefficiëntie’, ‘gecommodificeerd’ – met een spreektalige eenvoud. Ze hoort thuis in een rijtje hedendaagse Nederlandse dichters, zoals Frank Keizer en Maarten van der Graaff, die in een hyperpersoonlijke toon de taal oprekken om hun positie in de wereld te bevragen. Vreemd genoeg vertellen haar gedichten eerder hoe men conformeert, door te schrijven in de wij-vorm of door een werkende ik aan het woord te laten: ‘Dit is mijn betaalde zone / tussen 9 in de ochtend en 6 in de avond / […] / in de betaalde zone ben ik veilig.’ Zij heeft het ook expliciet over de markt, zoekt niet het verzet op, maar overlevingsstrategieën:

Nu de wereld één grote marktplaats is
bestaat de truc erin steeds rond te lopen
met een lang gezicht dat zegt: “Ik ben al in het zak gezet.”

Eerder dan op te roepen tot een alternatief verwoordt ze de positie van de gewone mens: ‘Onze rol in de wereld mag klein zijn / maar hij blinkt uit in morele ambiguïteit.’ In die zin had deze bijdrage inhoudelijk en vormelijk eerder in Kluger Hans thuisgehoord.

Na zestig bladzijden is er een cesuur in het nummer. Het themanummer is afgehandeld. In de volgende vijfentwintig bladzijden brengt de redactie een selectie uit de vrije inzendingen: in totaal dertien auteurs kregen een plaatsje. Met deze gulle schaal aan proevertjes bewijst Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift bovenal zijn noodzaak van bestaan. Ze geven schrijvers die een aanvaardbaar tot goed niveau halen, de kans om, vaak voor de eerste keer, te publiceren en zo op te vallen bij een publiek – en wie weet een uitgever.

Sommige bijdragen hadden wel in het thema gepast. ‘De vlucht’ van Dieuwke van Tuerenhout brengt evengoed een individu dat zich losscheurt uit een persoonlijke cel, meer bepaald een ongelukkige relatie. De zoekende eenling in de gedichten van Erick Kila zou binnen het thema een sterkere ironie meekrijgen: ‘In de donkere kamer bleef de man geloven in zijn zoektocht. Hij kwam bij een herinnering. / Ach ja, de maan…, lachte hij, ik mis hem niet, het is eerlijk om niets te missen.’ En de luchtige uitsmijter ‘Elektrische stoel’ van Kamiel Choi waarin Socrates op alternatieve manieren en in rijmende gedichten ter dood wordt gebracht (strop, elektrische stoel, vuurpeloton), was even sterk geweest als ludiek slot van het themanummer:

Voel ik het stijgende voltage kriebelen aan mijn billen?
is het hoogspanning, waar verder niemand aan mag komen?
zal de gloeilamp die hier hangt, net iets harder trillen?
Sterft men eigenlijk ineens, of gaat dat zo bij vlagen?
is de stoel voldoende geveerd, om doorzitten te voorkomen?
tot in het hart van uw dromen hoort u mij vragen en wedervragen

Netwerkdenken

Ik wees er bij De Groen al op dat je ook stilistisch non-conformistisch kunt zijn. Deze benadering vind je volop in Kluger Hans. Het openingsgedicht blaast je al meteen van de sokken. Het drie pagina’s lange gedicht ‘Na het einde’ van Anton Steen vertelt over de zoektocht naar de dood van twee jonge vrouwen, maar de afgehakte taal en de imperatiefzinnen (bijvoorbeeld vers 3: ‘wachten voor het voetgangerslicht aub de tijd heelt niet alle’) confronteert ons met twee instanties die ons tot luisteren (conformeren) dwingen: het rechtsstelsel en de taal. De juridische en taalwetten zijn zelfs zo geïnternaliseerd dat we ze naadloos aanvullen (in het voorbeeldvers met ‘wonden’). Het thema werkt in dit en veel andere gevallen alleen maar versterkend. De lezer moet actiever zijn, maar wordt daar ook voor beloond.

Kluger Hans houdt ons een spiegel voor. Zoals Rat in de fabel van Nienke Pool opmerkt: ‘Wij passen ons aan en varen er wel bij.’ Alleen al door dit op te schrijven in een literaire context ontstaat de vraag of het wel waar is. Is conformeren echt zo goed? Of is het eerder zoals Peter Mangel Schots zegt: ‘Wij zijn altijd wij / tot ik opeens het kortste eind.’ Kluger Hans slaagt er wonderwel in de door De Groen aangehaalde morele ambiguïteit te laten voelen. Marieke Rijneveld beschrijft die bijvoorbeeld als volgt:

Ook als we niet met de massa mee gaan, zijn we nog altijd conformistisch in het niet mee willen gaan: er is geen manier meer om je te onderscheiden, om een ander sjabloon toe te passen, we kunnen alleen onze gedachten veranderen en ons afvragen: hoeveel gras verteer ik sneller als ik niet langer meer datgene herkauw wat al voorgekauwd is, de boer met zijn fluitsignaal negeer, de sterrenhemel helemaal voor mij alleen beschouw: non-conformisme is vergeten dat alles wat je doet al is gedaan, alles wat je laat, ooit al is gelaten. Misschien houd ik mezelf nog altijd stug voor dat ik op schaal getekend ben, net als baby’s, en ik me op een dag ontvouw tot mijn ware grootte.

Kluger Hans heeft als voordeel dat het minder bijdragen bevat dan Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift: twintig verspreid over tweeënzeventig kleinere pagina’s tegenover dertig op vierennegentig A4-pagina’s. De redactie slaagt erin het nummer hechter te houden, zonder op het eerste gezicht aan gulheid in te boeten.

Hun geheim is netwerken. Zij lanceerden de samenwerking met Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift. Bij elk nummer roepen ze op hun website en sociale media op om rond het thema te schrijven. In het nummer mengen ze die vrije inzendingen met de bijdragen van mensen die expliciet gevraagd zijn om iets te schrijven. Men kan zich inbeelden dat daardoor een uitstekende tekst sneuvelt die jammer genoeg niet in het thema past, maar dat ziet de lezer niet.

Dit vullen ze verder aan met een selectie uit de bijdragen op De Optimist en Azertyfactor. Deze lijken buiten het thema te vallen, maar krijgen soms nog een extra laag binnen het nummer. Zo toont het persoonlijke essay van Robin Hurkens over haar autisme de grenzen van het conformisme. Of had het eigenlijk in het non-conformismenummer moeten staan?

Mijn onvermogen om sociaal wenselijk gedrag te vertonen, heb ik getransformeerd tot non-conformisme. Mijn gebrek aan intuïtie compenseer ik door een starre discursieve redeneertrant. Sommige mensen vatten dit op als intelligentie. Alleen ikzelf weet beter. Ik ben een overlevingsmachine.

Tot slot werkt het tijdschrift ook sinds dit nummer samen met het onlangs opgerichte Kortrijkse Letterzetter, waar ze elk nummer een jong talent een eerste publicatiekans zullen schenken, en heeft het eveneens sinds dit nummer een huisschrijver die een jaar lang aan elk nummer een bijdrage mag leveren. Dit jaar opent Karl Muys met drie prozagedichten. Momenten van samenhorigheid – een processie ter ere van Maria, een wandeling in een gevangenis en het applaus voor een artiest – tonen een ‘wij’ in al zijn emotionele complexiteit. De gevangenistekst krijgt daarbij, in het licht van de recente cipierstakingen, een voorspellende waarde:

Zo sluiten wij eensgezind de rangen, kijken met interesse, zij het niet meer dan anders, hoe de bewakers heen en weer lopen tussen de punten waar zij ook gisteren liepen, en de dag daarvoor. Zo gaat het elke dag, tot een van ons zal plooien, onvermijdelijk, en in zijn val ons broze bondgenootschap zal verwoesten.

CODA: heropleving van de polemiek?

Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift geeft aan elke bijdrage een categorienaam mee. Meestal gaat het om een genreaanduiding: verhaal, poëzie, essay. Maar ook ‘evocatie’, ‘voorpublicatie’, ‘kennismaking’ of ‘een belofte’ komt voor, wat de categorieën iets ad hoc geven. En één tekst categoriseren ze als ‘polemiek’. Op die tekst wil ik tot slot nog even dieper ingaan.

In drie delen, verspreid over de nummers 128 tot 130, houdt Alain Delmotte ‘De queeste naar de lezer’. Hierbij stelt hij zich de vraag wat poëzie vandaag nog kan betekenen voor dichter en lezer. Aanleiding is een column van Ann De Craemer, de sparring partners zijn onder andere het Gedichtendagessay van Erik Spinoy en essays van H.C. ten Berge en Osip Mandelstam. Het resultaat is door de aftastende formulering eerder een essay dan een polemiek. Er is niet één boodschap, maar de auteur zoekt hoe hij twee axioma’s in dezelfde denkwereld kan krijgen. Enerzijds ‘is poëzie iets wat zich niet wenst conform te laten maken. Idiosyncrasie is haar krachttoer.’ Anderzijds wil poëzie ook telkens die eenzelvigheid en ongebondenheid doorbreken door een verbond aan te gaan met een lezer. Geplaatst tegenover het autoritaire en verstikkende karakter van de retoriek stelt Delmotte:

Poëzie lijkt me een poging tot open, menselijke taal. Een taal waarmee en waarin men kan ademhalen […]. Wat dichters wensen uit te spreken is niet de taal van de macht.

Toch valt er iets voor te zeggen om dit essay een polemiek te noemen. Het is een verdediging van de broosheid van de poëzie in een tekst die zelf ook met de nodige broosheid geschreven is; een verdediging van het particuliere en de verwoording van het particuliere, zodat ook de lezer – die elke tekst, hoe oud ook, tot tijdgenoot maakt – woorden aangereikt krijgt om zijn lijden ‘onder de tijdsgeest en premissen van de Polis’ uit te drukken.

Dit is een ander soort individualisme dan de polemische krantenstem, het individualisme van wie buiten de macht staat. En zo kom ik weer bij de besproken literaire tijdschriften die net aan wie buiten de macht staat, aandacht schenkt.

Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift is puur kwantitatief de gulste van de twee. Verder heeft het tijdschrift een stelligheid en een helderheid over zich, waardoor elke bijdrage meer op zichzelf staat. Ze verdedigen het particuliere van auteurs en personages, willen meer verhalen vertellen. Kluger Hans is meer ambigue, vragender. De intuïtievere presentatie doet de bijdragen een inhoudelijk samenspel rondom het thema spelen, wat aantrekt om actief te lezen. De redactionele keuze voor aparte stemmen en stijlen geeft het tijdschrift een poëtischere inslag.

Maar onder de verschillen vormen ze beide een verrijking in de breedte door hoofdzakelijk onbekende namen te publiceren. Naamsbekendheid is niet het belangrijkste argument om te gaan lezen. Zin om te ontdekken en je te laten verrassen dan weer wel.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?