cover big cover big

Literaire tijdschriften

Xavier Roelens

Over Het liegend konijn 2016/1 van diverse auteurs

Polis, Antwerpen, 2016,
ISBN 9789463101431 / 232p.

Over Tortuca 37 van diverse auteurs

Stichting Tortuca, Rotterdam, 2015,
ISBN 1385-4968 / 72p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 18-12-2016

Bookmark and Share

Het liegend konijn en Tortuca wekken al jarenlang (dertien in het geval van Het liegend konijn, twintig bij Tortuca) een gevoel van eenheid bij de lezer door het gebruik van een uniforme cover. Alleen de kleur verandert per nummer. Het liegend konijn is daar bij de start van de veertiende jaargang wel van afgestapt. Met de overstap naar een nieuwe uitgeverij (van Van Halewyck naar Polis, beide onderdeel van het Pelckmans-concern) kreeg de cover een make-over. Bij dit eerste nummer start de redactie met een witte cover en blauwe letters.

Gedwongen tot diversiteit

Inhoudelijk blijft Het liegend konijn echter zijn vertrouwde formule volgen. Poëzie en enkel poëzie komt aan bod. De auteursbiografieën zijn ultrakort, de inleiding is tot een minimum beperkt en er wordt niet over poëtica’s geredekaveld. Integendeel, de hoofdredacteur en enige samensteller, Jozef Deleu (1937), gaat er prat op dat alle poëtica’s aan bod komen. Het tijdschrift drijft op prestige: beginnende dichters dromen ervan om in dit tijdschrift te staan en al gepubliceerde dichters plaatsen er maar wat graag een voorpublicatie uit een nieuwe bundel. Zelfs met ondertussen gemiddeld dertig dichters per nummer blijft een publicatie aanvoelen als een uitverkorenheid.

Het aanzien van het tijdschrift komt ook terug in de receptie ervan: elk nummer wordt wel ergens in een dag- of weekblad besproken, wat uitzonderlijk is voor een literair tijdschrift. Het immense netwerk en het krediet dat Deleu heeft opgebouwd door zijn inzet voor de poëzie, zijn gevoel voor kwaliteit en aandacht voor een brede waaier aan poëziesoorten, samen met zijn milde maar insisterende overtuigingskracht, geeft deze niet-aflatende, telkens positieve aandacht voor het tijdschrift een georkestreerde aanblik. Andere tijdschriftenmakers zijn vast en zeker jaloers, zeker ook omdat er vaak weinig inhoudelijks over een nummer van Het liegend konijn te zeggen valt. Recensenten onderscheiden zich hoofdzakelijk van elkaar door de keuze van dichters die ze citeren. Omdat er altijd wel pareltjes te vinden zijn, durven ze niet of nauwelijks op te merken dat het niveau wisselend is of dat een strengere selectie een sterker geheel zou kunnen opleveren. De recensies vervallen opvallend vaak in nietszeggende promopraatjes.

‘Een dikke lome vis’

Ongewild presenteren dergelijke recensies het tijdschrift als een grote vogelkooi met fluiters, kwelend om de aandacht van de lezer met elk hun eigen stem. Terwijl het lezen van een diversiteit pas verrijkend is in het opzoeken van de confrontatie. Laat me om dat duidelijk te maken twee dichters tegenover elkaar zetten. In haar gedicht ‘Afkomst’ schrijft Maria Barnas:

Daar dommelt een dikke lome vis die zwart is van ontbreken.

En Claude van de Berge in ‘Roepsteen 3’:

De betovering van ondoordringbare duisterheid als zich
leegten openen in ons en wij hun aanwezigheid zijn.

Op zekere hoogte wordt hier twee keer hetzelfde gezegd, de ene keer met het concrete beeld van een vis erbij, de andere keer in abstracte bewoordingen. Barnas’ regel is een mooie opener van haar tweeluik ‘Afkomst / Toekomst’ dat filosofeert over de tijd en het onvatbare. Het tweeluik spiegelt elkaar maar op een imperfecte manier en in die onvolkomenheid worden de gedichten ook ongrijpbaar. Waar in het eerste gedicht sprake is van ‘Het doffe zwart dat ik in de spiegel tref’, lezen we in het tweede ‘de toekomst is een dofzwarte spiegel’. Hier staat niet tweemaal hetzelfde, maar net door het woordrijm vallen de verschillen, de ongerijmdheden extra op. Het gedicht, die dikke lome vis, heeft een afkomst én een toekomst die ons blijft ontglippen.

Door het toeval van het alfabet krijg je onmiddellijk hierna de gedichten van Van de Berge, gekenmerkt door een sterk abstracte zegging. Maar juist de confrontatie met Barnas’ werk helpt mij alvast om voorbij het zweverige en de grote woorden (het aanwezige, oneindigheid, het naamloze, het onzichtbare – alle afkomstig uit ‘De verhevenheid van de stilte 2’) de verzwegen grond te voelen waarin deze gedichten ook geworteld zijn. En ook hier leveren spiegels niet helemaal de verheldering op die je er misschien van verwacht: ‘De verte leidt ons binnen in haar spiegels alsof zijzelf / een spiegel is of een spiegel in een onzichtbare spiegel.’ (‘Roepsteen 1’) Als Van de Berge schrijft: ‘Onze verbondenheid met het onbekende is onbekend’, dan lijkt hij het effect van Barnas’ tweeluik het beste samen te vatten.

Het tijdschrift zet daar niet bewust op in, maar een confrontatie van esthetica’s kan tot een beter begrip leiden. In dit geval helpt Barnas me om respect op te brengen voor Van de Berge.

Een confrontatie kan ook van ethische aard zijn. Neem het volgende fragment van Lucas Hirsch uit ‘Gentrificatiepacificatie’:

Aan de reclamelui die het credo creatief kaapten, verkrachtten, het als een gevangene van religieuze fanatici de kop afhakten, en het product als botergeile cultuur over de globe uitsmeerden daarbij kunstenaars verstikkend achterlatend tot wanhoop dreven, vraag ik: wat ben je zonder MacBook Pro? Haal eens adem.

In ‘Gaan met die banaan’ dicht Philip Hoorne:

jawohl ons denken is plat en is dat altijd al geweest
maar was het eigenlijk ooit echt van tel?

wie daarom maalt kan zich maar beter laten glijden
schuddebuikend van schil naar schil

Hirsch’ prozagedicht is een anderhalve pagina lange aanklacht tegen het platte denken, terwijl bij Hoorne elk verzet een vechten tegen de bierkaai is. Je kunt volgens hem maar beter schuddebuikend ten onder gaan. Beide houdingen, hoewel herkenbaar, zijn onverenigbaar in de daden. Deze twee fragmenten naast elkaar helpen me te verklaren waarom ik Hirsch verkies boven Hoorne: zijn positie in het leven ligt me nader aan het hart.

Op een algemener vlak zorgt de plicht om te kiezen die ik me als lezer opleg ervoor dat ik een verlangen expliciteer dat meestal slechts onderhuids leeft. Die plicht kan een individuele bundel maar moeilijk oproepen: of hij vertelt maar één kant van het verhaal, of, als beide voorkomen, worden ze gelezen als de herkenbare twijfel binnen één persoon, zonder dat je als lezer per se een eigen standpunt hoeft in te nemen. Een tijdschrift (of bloemlezing) kan de zaken veel meer op scherp stellen, omdat het radicaal vanuit een diversiteit vertrekt. Maar de lezer moet ook wel porren in de juiste richting krijgen.

‘De eenheid overvleugelt’

Waar Het liegend konijn kiest voor poëzie in zijn traditionele strikt-literaire betekenis – als een genre dat vervolgens in zijn reële emanaties een grote, soms onverenigbare diversiteit uitstraalt – gaat het bij Tortuca om poëzie in een vergeestelijkte, meer filosofische zin van het woord. De redactie kiest teksten en beelden waar mensen graag het adjectief ‘poëtisch’ voor gebruiken en die het hele palet van verwondering tot vervreemding kunnen bespelen.

Het korte verhaal ‘Een gesprek met mijn vader’ van Grace Paley illustreert goed wat ik bedoel. De ik-persoon, een auteur, heeft een gesprek met haar zesentachtig jaar oude, aan een zuurstoftank levende vader. Hij vraagt haar:

‘Ik zou willen dat je nog een keer een eenvoudig verhaal schrijft, […] zoals Maupassant of Tsjechov, zoals jij vroeger schreef. Herkenbare mensen en dan gewoon opschrijven wat er gebeurt.’

Ze zegt het te willen proberen, al heeft ze het niet op met ‘een plot, de absolute lijn tussen twee punten waar ik altijd een hekel aan heb gehad. Niet om literaire redenen, maar omdat hij iedere hoop wegneemt. Iedereen, echt of verzonnen, verdient de open bestemming van het leven.’

Die literaire tweespalt wordt, ondanks haar pogingen om aan de vraag van haar vader te voldoen, alleen maar verder op de spits gedreven. Het wordt een persoonlijke tweespalt tussen een vrouw in het midden van haar leven die hoopt nog toekomstperspectieven te hebben en een man die aan het einde van zijn leven staat en alleen nog maar de tragiek van de dood voor ogen heeft. Daarbovenop laat het verhaal ook de onoverbrugbare kloof tussen twee levensvisies voelen. Allebei roepen ze de ander op om tot inzicht te komen; beiden klampen ze zich vast aan hun visie van de waarheid en zijn ze blind voor de andere mogelijkheid.

Die tweedeling valt samen met een prozaïsche en een poëtische visie op het leven, waarbij de poëzie het uiteindelijk haalt. Poëzie is het openlaten en exploreren van mogelijkheden, maar ook de verschillende mogelijkheden laten zien en naast elkaar plaatsen. Daarin zit het verschil tussen de ik-persoon en de auteur: de ik-persoon verdedigt haar visie, de auteur schrijft beide visies naast elkaar op en geeft ze allebei evenveel bestaansrecht. Tragiek en hoop worden aan elkaar geslagen tot twee kanten van dezelfde medaille. De daad van het schrijven van de auteur bevat een liefde waarvan de ik-persoon moeite heeft om die aan haar vader te schenken:

Ik had de familie beloofd hem altijd het laatste woord te gunnen als er discussie ontstond, maar in dit geval had ik een andere verantwoordelijkheid. Die vrouw [uit het verhaal dat ze haar vader vertelt, XR] is mijn kennis en mijn creatie. Ik heb met haar te doen. Ik laat haar niet huilend in dat huis achter.

De auteur daarentegen geeft de vader wel het laatste woord.

Gedwongen tot aandachtig lezen

De redactie geeft zelf een dunne rode draad in het nummer aan, die niet door alle bijdragen loopt bijdragen, maar die wel interessant is om te citeren:

Een kunstenaar kan zich door de natuur laten inspireren, door de stad, of door beide. In alle gevallen laat hij/zij ons op een nieuwe en verrassende manier naar de werkelijkheid kijken. Wat vanzelfsprekend leek, blijkt hoogst opmerkelijk.

Of dat ‘in alle gevallen’ werkelijk zo is, blijft de vraag. Wel schemert in die stelligheid de poëtica van de redactie door. Deze emoties vertellen echter nog niet hoe de auteur of beeldend kunstenaar ons dwingt om anders naar de werkelijkheid te kijken.

Zo bevat het nummer de schilderijenreeks ‘Geranium meteoor’ van Jorn van Leeuwen. De geraniums zijn losgemaakt van de aarde – je ziet meestal ook de wortels – en ze worden ’s nachts getoond, soms met sterren op de achtergrond. Er ontstaat een spanningsveld tussen de organische plant en een gevoel van wiskundige compositie. Je kijkt niet zomaar ‘op een nieuwe en verrassende manier’, je kijkt aandachtiger, toegewijder, herhaaldelijker, want geraakt door schoonheid.

In de literatuur wek je die toewijding op met talige ingrepen. Zo laat de Roemeen Daniel Bănulescu in ‘De tuin Cişmigiu’ semantische velden met elkaar botsen. De ‘jij en je hallucinante schoonheid’ zullen na tweehonderd jaar ‘eruit gaan zien als veestende apen’. En: ‘Je gezicht bootst almaar krampachtiger het lot van een lap slecht gevild leer na.’ Maar aan het einde smeekt hij toch tot God dat ‘mocht het onverwachts gebeuren dat ze op Jouw terrein valt. Alsjeblieft gooi haar dan naar mij terug.’ Hard en liefdevol verhevigen elkaar.

Je kunt in taal niet alleen verschillende werkelijkheden laten botsen, maar ook een geheel nieuwe werkelijkheid maken. Jorge Eduardo Eielson blaast in ‘Doorzichtig lichaam’ en ‘Papieren lichaam’ de metafoor uit de titel echt leven in: ‘Om te leven / Gebruik ik een masker van vlees en bloed’ staat er dan in dat eerste gedicht, waarbij het lichaam van de ik bestaat uit: ‘rook onverschillige materie / Het schittert schittert schittert / En is altijd niets’. In het tweede is het lichaam dan weer van papier: ‘als ik deze lege bladzij / In de kachel gooi / Zouden dan ook mijn twijfels branden / Mijn oren en mijn nagels?’

Ook Roel Weerheijm zet aan het begin van zijn gedicht het lezen meteen op scherp door vanuit een ongewone invalshoek naar Berlijn te kijken: ‘september is een jongen van negen die / voor het laatst deze zomer buiten speelt’. Twee gedichten lang blijft de tijdsaanduiding een fysieke jongen die speelt in de straten van Berlijn.

Tortuca breekt ook op de meest letterlijke, materiële manier in in de werkelijkheid. In hun nummers stoppen ze kleinere boekjes, als hebbedingetjes. Alleen al het ontdekken van zo’n cadeautje wekt een kinderlijk gevoel van verwondering en nieuwsgierigheid. In nummer 37 vindt de lezer bijvoorbeeld een mini-boekje met de cyclus ‘Familieportret’ van Bas Geerts. Deze negen gedichten ontstonden ‘tijdens het maken van de fotoselectie voor het boek Moonshine van Bertien van Manen’. In een afwisseling van cursieve en gewone delen beschrijft hij enerzijds de foto’s en laat hij anderzijds de afgebeelde personen aan het woord:

-1-

een vrouw in een stoel met leren kussens
een man staat rechts schuin achter haar
zijn rechterhand op de rugleuning

        ja god ik heb gewoon
        ontzettende moeite met jou

zij heeft een gestreepte jurk aan
hij een katoenen broek met opgenaaide zakken
een overhemd met korte mouwen

        je drinkt ontzettend
        en je verkracht je kinderen

zij draagt een bril met grote getinte glazen
hij heeft een sigaret in zijn linkerhand
een kwartshorloge om zijn pols

        maar je staat ook zo het aardige
        lieve mannetje te spelen
        het is echt niet te geloven

een klok in een vergulde lijst aan de muur
schots en scheef twee kleine foto’s
half voor het raam een bloemetjesjurk

        toch heeft het ook iets heel ontroerends
        dat je een net overhemd hebt aangetrokken
        we hebben ons alle twee opgedoft
        voor een familieportret

ze kijken aandachtig
alsof iemand iets tegen hen zegt

        je bent zeer fotogeniek
        je ogen hebben iets waanzinnigs

Verschillende grondstromen

Tortuca draagt als ondertitel ‘Literatuur en beeldende kunst’. Dat krijgt de lezer aan de oppervlakte gepresenteerd. Maar onderliggend speelt het poëtische een verbindende rol in de verscheidenheid aan bijdragen, om het even tot welk genre ze behoren. Het tijdschrift is internationaal georiënteerd: het bevat bijdragen van over heel de wereld, vaak door sterke vertalers in het Nederlands vertaald. De stijl gaat heel breed: van de klassiek rijmende en helder te begrijpen kwatrijnen van de Duitser Peter Rühmkorf tot en met de experimentele, op ervaring gerichte poëzie van Peggy Verzett. En in ongeveer elk nummer krijg je een verrassend extraatje. Toch spreekt uit elke keuze een verlangen naar een esthetische ervaring bij de lezer.

Het poëtische als esthetische ervaring komt zeker ook voor in Het liegend konijn. Maar het maakt er niet de echte grondstroom van uit. Eerst en vooral dient het tijdschrift een didactisch doel: het wil de rijkdom van de Nederlandstalige poëzie van vandaag tonen. Het vertaalt die rijkdom zowel in exclusiviteit (de geplaatste gedichten mogen nergens anders gepubliceerd zijn) als in veelheid en het presenteert de dichters als eilandjes naast elkaar. Die diversiteit is alleen leerrijk als de lezer het ook als een leerprogramma opvat, anders blijft het steken in een vrijblijvend laat-duizend-bloemen-bloeien-postmodernisme. En dat is het meest heilloze wat de poëzie zou kunnen overkomen, want dan verdwijnt de urgentie van het lezen.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?