cover big

Lof van de dwaling

Katelijne De Vuyst

Over Vindersloon. Een keuze uit haar gedichten van Kikí Dimoulá (vert. Hero Hokwerda)

Ta Grammata, Groningen, 2017,
ISBN 9789082735604 / 298p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 01-03-2018

Bookmark and Share

In de dankrede voor het eredoctoraat dat Kikí Dimoulá in 2015 ontving van de Aristoteles universiteit van Thessaloniki had de dichteres het uitgebreid over de dwaling, die bij haar wordt verbonden met de droom. De droom zorgt ervoor dat het onmogelijke mogelijk wordt: je komt er over de vloer bij mensen die allang verdwenen zijn en soms wordt de illusie werkelijkheid. Maar terwijl de droom alleen tijdens de slaap optreedt, is de dwaling op elk moment van het leven actief. En, belangrijk, vaak is ze meedogender voor de mens dan ‘de gestrengheid van het juiste’. Dimoulá verduidelijkt dat ze het niet heeft over de dwaling ‘die als moeder de onoplettendheid heeft, als zuster de haastige oppervlakkigheid en als stiefzuster de pech’. Ze heeft het over een gewilde, scheppende dwaling, die het gebrekkige menselijke bestaan mooier en vollediger kan maken; over het tasten, het zoeken, het dwalen van de mens tijdens zijn zoektocht naar schoonheid, eeuwigheid, zingeving.

Dimoulá past haar geloof in de dwaling toe op de poëzie, die zelf zoekende is, nooit zeker weet welke van haar woorden ‘lijden aan sterfelijke oppervlakkigheid en welke begiftigd zijn met opeenvolgende lagen van latente zin’. Wel weet ze dat de poëzie blijft graven, steeds hartstochtelijker blijft streven naar een onbereikbaar ideaal. Daarom is de dichtkunst voor haar een gevleugeld ‘als’ – het ‘als’ van de vergelijking en van de voorwaardelijke wijs, waardoor ze onvermoeibaar heen en weer reist tussen wat mogelijk is en wat onmogelijk is, wat dichtbij is en wat ver weg staat. Daarbij beseft Dimoulá goed dat heel wat versregels gedoemd zijn om in de vergetelheid weg te zinken en dat er maar weinige zijn die als bij wonder ‘over de golven lopen’. Wat haar brengt bij haar godsgedachte, een God die zich in haar dromen aan haar laat zien, die begrip heeft voor het feilen en falen van de mens, die ze in haar slaap ettelijke keren heeft geïnterviewd, aan wie ze vragen heeft gesteld over de dood (de definitieve grote stilte), over de onvervulde aard van de droom. Ook al richt ze heel wat verwijten tot Hem, ze weet dat Hij weet dat ze Zijn schepping niet in twijfel trekt en dat God in haar gelooft, zodat ze het recht heeft haar klachten tot Hem te richten. Want hoe ontoegankelijker het goddelijke blijft, hoe dichter we het naar ons toe halen, of dat proberen.

Dimoulá werd in 1931 in Athene geboren als Vasiliki Radou. Na de middelbare school ging ze vanaf 1949 aan de slag bij de Griekse Nationale Bank, waar ze een kwarteeuw zou blijven, om zich daarna uitsluitend aan haar dichtkunst te wijden. Ze trouwde in 1952 met Athos Dimoulas, zelf een dichter, met wie ze een zoon en een dochter kreeg. Tot op heden publiceerde ze veertien bundels, waarvan verschillende werden bekroond. Zo won ze tweemaal – voor Het weinige van de wereld (1971) en voor Wees nooit gegroet (1988) – de Staatsprijs voor Poëzie, ontving ze in 2001 de Aristeionprijs van de Academie van Athene, kreeg ze in 2009 de Europese Literatuurprijs en werd haar in 2011 de Grote Prijs van de Griekse Letterkunde toegekend voor haar volledige oeuvre. Dimoulá geldt in Griekenland als de grande dame van de literatuur en bij velen als de beste nog levende dichter. Haar werk wordt in één adem vermeld met dat van Kavafis, Seferis en Elytis, de absolute groten uit de Griekse moderne poëzie. Het valt dan ook ten zeerste toe te juichen dat er sinds kort een ruime bloemlezing uit het werk van de dichteres in het Nederlands beschikbaar is, tweetalig bovendien. Dit is de niet geringe verdienste van vertaler Hero Hokwerda (1949), die de bundel bovendien voorzag van een goed gedocumenteerd nawoord, waarbij hij ingaat op het leven van de dichteres, haar plaats in de Griekse literaire traditie, haar poëtica en de grote thema’s in haar werk. De uitgave wordt aangevuld met het gedeelte uit Dimoulá’s dankrede, dat een toelichting vormt bij haar kijk op de dichtkunst.

In Vindersloon bracht Hokwerda een zestigtal gedichten bijeen, die representatief zijn voor Dimoulá’s oeuvre. Hij liet zich niet alleen leiden door zijn persoonlijke voorkeur, maar ook door de vertaalbaarheid van de gedichten, want ook al heeft de dichteres het in haar verzen vaak over de simpele, gewone dingen van het leven, haar kijk op deze ‘alledaagsheden’ is nooit alledaags. Ik zet het woord bewust tussen aanhalingstekens omdat Dimoulá – zoals de vertaler in zijn nawoord opmerkt – er niet voor terugdeinst op basis van gewone adjectieven en werkwoorden nieuwe, abstracte substantieven te verzinnen als ‘mooiheden’, ‘lelijkheden’ en dies meer. Hokwerda schrijft dat hij aanvankelijk geneigd was om die naamwoorden te normaliseren en dat hij het vervreemdende taalgebruik pas in de eindfase van de vertaling in ere heeft hersteld. Een terechte keuze, die hij heeft doorgetrokken naar de vaak eigenzinnige zinsbouw en interpunctie. Opvallend is ook de vermenging van een nuchter, zakelijk register, waarvan de woordenschat niet zelden is ontleend aan de wereld van het bankwezen en de economie, en een beeldende, fantasierijke taal die de verzen hun lyrische kracht geeft. Zo wordt een bloem door Dimoulá ‘een horloge van vlinderleven’ genoemd, ziet ze de sterren als punaises die het firmament vastpinnen, en is de zon ‘een rood schoonheidsvlekje op de wang van de millennia’.

Hoewel Dimoulá steevast vertrekt van de haar omgevende werkelijkheid, is haar kijk erop helemaal niet doordeweeks en weet ze keer op keer te verrassen met een originele invalshoek. Vaak draait ze daarbij een clichématig beeld om, zodat het opnieuw intrigerend wordt en je verplicht met andere ogen te gaan kijken. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘Witte donderdag’ uit Wees nooit gegroet:

Openluchtweer.
Een paar olijfbomen gaan helling plukken.
Volgeladen.
De vrucht is verhoord het laat mij voorbijgaan niet.
Ook dit jaar zullen onze kleinmoedigheden
weer geen biechtvaders opstrijken.

Onaf het schilderij.
Laat ik een nieuwe poging wagen.
Een paar olijfbomen gaan helling plukken.
Op hun zilveren blaadjes aast
de stralende zuiverheid van het landschap.
Van nature verklikster is de onschuld.
Was zij het niet die ons
voor maar heel weinig onvervulde zilverlingen
overleverde aan haar verlies?
Laat ik ertegenover wat farizeeër aanzetten.
De zee.

De verzen bevatten alle ingrediënten van Dimoulá’s poëzie: de omkering van het beeld van de olijfbomen die als bloemen op de heuvel staan, niet geplukt worden, maar zelf de helling plukken, de bevreemdende woorden en combinaties ervan – openluchtweer, kleinmoedigheden, onvervulde zilverlingen – de onschuld die wordt verraden en daardoor van nature als verklikster wordt bestempeld, het zilver van de olijfblaadjes dat de zilverlingen voor het verraad van Judas oproept, de onvermeld gebleven Pilatus die zijn handen in onschuld wast, die onschuld die in verband wordt gebracht met de zuiverheid van dat landschap en Christus, van wie de uitspraak ‘Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker aan mij voorbijgaan’ wordt geparafraseerd. Het illustreert Dimoulá’s strategie om dingen vanuit de banale realiteit op te tillen naar een meditatief, metafysisch niveau. Mooi is hier dat het laatste vers, uitsluitend in de vertaling, want in de originele tekst is dat niet het geval, als een echo weergalmt van het voorlaatste vers: farizeeër – zee. Vertalen hoeft niet altijd verlies te betekenen.

Niet toevallig wordt in de gedichten vaak aan foto’s gerefereerd. Dimoulá ziet ze als ‘kunstgrepen van de dwaling’. Ze leeft ermee samen, blijft zich ermee omringen omdat ze, door hardnekkig de afgebeelde persoon aanwezig te houden, de veranderingen, gebeurtenissen of verdwijningen verhullen die zich in de loop der tijd hebben voorgedaan. Ze helpen haar het verlies te bezweren van haar geliefden – haar man, haar moeder… Of de prille jeugd van haar kinderen, in het gedicht ‘Stof’ (uit Mijn laatste lichaam):

Op de brave foto van mijn kinderen
toen die me om de hals droegen
als een ronde witte gesteven Moeder
met heimelijke ruime steken
losjes vanbinnen vastgenaaid
boven aan hun schooluniform.

Ook hier verrast het beeld door zijn gevatte bondigheid, waarbij niet alleen de kinderen worden geëvoceerd, maar in een beweging ook de (over?)beschermende moeder die als een wit gesteven kraagje letterlijk aan hun lichaam vastgenaaid zit. Elk gedicht bevat rake metaforen, die de ontregelende kijk van de dichteres op leven en werkelijkheid illustreren.

‘Een zwevende dame’ uit Op het spoor:

Het regent…
Een dame steekt uit in de regen
Alleen
op een stuurloos balkon.
En de regen is als deernis
en deze dame is
als een barst in de glazen regen

‘Stem in lege regenstraten’ uit Mijn laatste lichaam:

Mijn stem is een krukje
voor vermoeide woorden,
voor verslagen conclusies die terugkeren.
Mijn stem is een geruisloze wandeling
van eenzaam schrift
in lege regenstraten.

‘Onverwachtingen’ uit Wees nooit gegroet:

Mijn God wat staat ons niet nog te wachten.

Ik zit hier maar en zit.
Het regent zonder te regenen
zoals wanneer we van schaduw
lichaam terugkrijgen.

De beelden, die ik niet surrealistisch zou noemen maar lichtjes ontwrichtend, alsof ze door de ogen van een kind werden gezien, geven gestalte aan de grote thema’s waar Dimoulá’s oeuvre om draait: leven en dood, vergankelijkheid en afscheid, de verstrijkende tijd, het verleden, vaak opgeroepen door de straten van Athene, waar je haast op elke hoek aan de geschiedenis wordt herinnerd… Hoewel de hoofdtoon weemoedig is, wordt de melancholie op een afstand gehouden door humor en (zelf)relativerende ironie. Net als in de films van haar generatiegenoot, de in 2012 overleden Griekse cineast Theo Angelopoulos, maker van onder meer De komedianten, De blik van Odysseus, De eeuwigheid en één dag, regent het dikwijls in de gedichten van Kikí Dimoulá, en baden de landschappen in een poëtische nevel die de zichtbare dingen zowel toedekt als verfraait. Haar lezers vertellen haar dat ze troost putten uit haar gedichten, vooral nu de Griekse crisis zo ongenadig tekeergaat. Zelf is ze opstandig, verbitterd zelfs over de uitzichtloze situatie waarin haar landgenoten sinds 2008 zijn beland, door de schuld van een paar honderd apparatsjiks uit de gevestigde partijen Nea Demokratia en Pasok, en mét de medeplichtigheid van Europa. Het verbaast de dichteres dat ze de pijn van haar lezers kan verzachten. Ze vraagt zich dan ook af: ‘Hoe zou ik hen kunnen troosten, want zelf ben ik ontroostbaar.’

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?