cover big

Luchtig vluchtig over zelfmoord

Jeroen Brouwers

Over Gedachten over zelfdoding van Simon Critchley (vert. Leon Otto de Vries)

Klement, Zoetermeer, 2016,
ISBN 9789086871841 / 108p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 04-01-2017

Bookmark and Share

De Britse filosoof Simon Critchley (1960) publiceerde in 2015 een kort referaat over zelfmoord, tamelijk vrijblijvend getiteld Notes on Suicide, in de Nederlandse vertaling van Leon Otto de Vries getiteld Gedachten over zelfdoding (2016). Het lijkt een bundeling van vier colleges die hij voordroeg als hoogleraar filosofie aan de New School for Social Research in New York. Hij formuleerde zijn ‘notities’ een jaar eerder in een hotelkamer in een achteraf gelegen kustdorp in Engeland, met uitzicht op constant neerplenzende herfstregens, snelvallend duister en een somber brommende, bruinkleurige zee, onder muren van mist. Een geschikt decor voor zelfmoord: indien al niet om er subiet daadwerkelijk toe over te gaan, dan wel om er een essay aan te wijden.

Critchley begint zijn betoog met de verzekering: ‘Dit boek is geen zelfmoordbrief.’ Waar hij aan toevoegt:

Laat ik op het gevaar af de lezer teleur te stellen, maar meteen zeggen dat ik niet van plan ben mezelf van kant te maken… althans nog niet.

De drie puntjes en de drie erop volgende woorden zouden aanleidingen tot bezorgdheid kunnen zijn: er zijn meer schrijvers over zelfmoord geweest die hetzelfde hebben beweerd, om vervolgens toch de ultieme daad aan zichzelf te voltrekken.

Ook heeft Critchley niet de behoefte, benadrukt hij, om mee te tjilpen in het miljoenenkoor van degenen die zelfmoord uitdrukkelijk afwijzen door te betogen dat wie ertoe overgaat onverantwoordelijk en zelfzuchtig is en zijn besluit lafhartig en schandelijk, want een mens dient koste wat kost in leven zien te blijven. In Critchleys ogen is zelfmoord geen juridisch noch moreel vergrijp en zou ook niet als zodanig moeten worden beschouwd. En of een mens verplicht is om te leven, mag gelden als een filosofische kwestie, eerder opgeworpen en naar hij meende afdoende opgelost door Albert Camus in De mythe van Sisyphus (1942).

Is het leven al dan niet de moeite waard om geleefd te worden, moet ik leven al zie ik er de zin niet van in en heb ik er zelf ook geen zin in? Om met Hamlet te spreken: moet ik zijn of mag ik ook niet zijn? That’s the question.

God

Wij zijn gegijzeld door een christelijke metafysica, zegt Critchley. Deze houdt ons voor dat het verkeerd is jezelf het leven te benemen, want het leven is een geschenk van God. Door zichzelf te doden, aldus christelijke theologen, meet de mens zich macht over zijn bestaan toe die alleen aan God toekomt. Dus is zelfmoord een diepe zonde. Van hoogmoed, alsook tegen het zoveelste van de tien geboden: gij zult niet doden.

Als God liefde is, naar mondgemeen wordt beweerd, waarom staat hij in zijn volmaakte liefde dan niet toe dat schepselen zelfmoord begaan als hun lijden zo zwaar is geworden dat het niet meer is te dragen? Critchley: ‘Wie eist om in zulk lijden te volharden, verwart liefde met de pure dwang van een gebod.’

Beschikt de mens dan niet over vrije wil, die ook behoort tot dat van God gekregen geschenk? Zeker wel, mits die niet ingaat tegen de wil van God. Menselijk zijn is in staat zijn om dingen te doen die in strijd zijn met Gods wil, maar wie zulke dingen doet kan rekenen op Zijn toorn: denk aan de zondeval en de verdrijving uit het paradijs.

Hoezo eigenlijk, vraagt Critchley zich af, is het leven een door God liefdevol gegeven geschenk? Een geschenk is iets wat men zelf uit handen geeft, doorgaans met de bedoeling een ander er een plezier mee te doen. Wie het geschenk ontvangt is er de eigenaar van en mag er naar eigen believen mee doen wat hij wil, bijvoorbeeld beslissen dat hij er allerminst blij mee is. Gooit hij het weg, zou God in zijn eindeloze liefde hierover de ogen kunnen sluiten, zo niet, poneert Critchley, ‘vervalt Gods liefde in tirannie’. Dus, zo filosofeert hij verder:

als het verbod op zelfmoord gebaseerd is op het idee dat het leven een geschenk van God is, dan blijkt het leven een geschenk te zijn waaraan nogal wat voorwaarden verbonden zijn, hetgeen inhoudt dat het niet langer een geschenk is. Een geschenk dat we niet kunnen weigeren is namelijk helemaal geen geschenk. Om een geschenk te zijn moet het leven kunnen worden geweigerd. [...] Als het leven een geschenk van God is, dan moet God de mogelijkheid van zelfmoord toestaan als zijnde de weigering van dat geschenk. Op basis van dit argument kan zelfmoord niet worden veroordeeld.

De interpretatie van het gebod niet te doden, als zou dit ook het doden van zichzelf impliceren, is aanvechtbaar, oordeelt Critchley. Het verbod op het vermoorden van anderen, ‘een volkomen legitieme aspiratie’, zou noodzakelijk ook een verbod inhouden op het vermoorden van zichzelf? Of het in lijdzaamheid laten vermoorden van zichzelf, zoals de martelaren in de vroege dagen van het christendom? Als alle leven een Godsgeschenk is, onaantastbaar en heilig, moet de doodstraf worden afgeschaft, evenals oorlogvoeren, evenals zelfverdediging tegen een gewapende aanvaller. Nog verder doorredenerend hoort bij de heilige onaantastbaarheid van alle leven ook dat van koeien, schapen, kippen en vissen. En zijn vruchten, groenten, tarwe, gras niet ook levende groeisels?

Een geloof in de onaantastbaarheid van het leven vereist een heiligheid waartoe zelfs de heilige Franciscus niet in staat was, laat staan zijn titelopvolger in het Vaticaan.

Het ‘binnenweefsel’ van dergelijk geloof, concludeert Critchley, ‘ziet er tamelijk haveloos, lelijk en intolerant uit.’ Waarom zou iemand zich niet van het leven mogen ontdoen, als hij door welke oorzaak van lichamelijke of mentale wanorde dan ook besluit dat hij het niet langer wil?

In de Bijbel, het boek van Gods Woord, komt niet één passage voor die zelfmoord uitdrukkelijk verbiedt. Volgens sommigen is de kruisiging van Christus een quasi suïcidale daad.

Wind

Mogelijk is het nuttig dit alles nog eens in de etalage tentoon te leggen, maar iets nieuws is er niet tussen te vinden. Critchley recycleert wat hij in boeken van soms eeuwen her heeft aangetroffen. Los van enige religieuze connotatie, mistig, onsamenhangend en verwarrend, kan de vraag worden opgeworpen of de mens werkelijk de volledige autoriteit en soevereiniteit bezit over ‘het geschenk van het leven’, waarmee hij in elk geval door zijn ouders is opgescheept. De woorden ‘mistig’ en ‘verwarrend’ komen dikwijls voor in Critchleys notities: is er al niets helder en duidelijk aan zelfmoord, argumentaties ertegen zijn minstens zo troebel.

De mens ‘bezit’ zichzelf niet, zoals hij denkt bijvoorbeeld een koelkast te bezitten. Zoals een koelkast, al heeft men die zelf betaald, ook het bezit is van alle huisbewoners die er gebruik van maken, zo leeft de mens, legt Critchley uit, in een gemeenschap waarvan hij evenzeer een ‘bezit’ is: partner, kinderen, vrienden, andere dierbaren en naasten en zelfs betrokkenen van wie hij geen weet heeft. In deze gemeenschap leeft hij met evenveel plichten als hij er rechten heeft. Meet hij zichzelf het recht tot zelfmoord toe, dan verzaakt hij zijn plichten tegenover de samenleving. Maar (Critchley:)

wat is dat eigenlijk voor een ‘gemeenschap’ die haar leden dwingt in leven te blijven als ze dat niet willen? Mensen kiezen er niet voor waar ze geboren worden en doorgaans ook niet waar ze hun leven doorbrengen. Welke verplichting hebben we ten opzichte van iets waarvoor we niet gekozen hebben?

En als die ‘gemeenschap’ of de maatschappij mensen de plicht oplegt zichzelf niet van kant te maken, dan zou de maatschappij de wederkerige plicht moeten eerbiedigen mensen niet op de elektrische stoel te laten plaatsnemen of onder de wapenen te roepen met de kans dat ze toch wel het loodje zullen leggen. Een dergelijke door en door pacifistische maatschappij is even metafysisch als dat ‘liefdegeschenk van God’, waaraan dezelfde plichten zouden zijn verbonden als de ‘gemeenschap’ van het mensdom dat eist.

Is dit een origineel filosofisch inzicht?

In die hotelkamer met ongezellig uitzicht concludeerde de filosoof mismoedig als wel zeer terecht: ‘De bekende aanspraken over en weer met betrekking tot zelfdoding neigen ertoe zich op te lossen in een zeemist die bij kerend tij in de lucht verdampt.’

Voor wie wel meer boeken over zelfmoord leest, vooral filosofische, bevat het dunne boekje van Critchley onthutsend weinig dat hij nog niet wist. Mogelijk daarom is aan het uitgaafje de beschouwing Of suicide (Over zelfdoding) toegevoegd, van de achttiende-eeuwse filosoof David Hume (1711-1776). Ook daarin staat dat zelfmoord een daad is, ‘vrij van elk spoor van schuld of zonde’. Ook Hume was van mening dat God, geloof en bijgeloof buiten beschouwing kunnen blijven bij iemands besluit het leven op te geven vanwege ondraaglijk lijden van welke aard dan ook. Hume geloofde niet dat er ooit een mens heeft bestaan die een leven dat de moeite waard is, door eigen toedoen heeft vernietigd. Ook voor Hume stond het vast dat een zelfmoordenaar de samenleving geen kwaad of nadeel berokkent door zogenaamd zijn ‘plicht’ te verzaken. Van ‘plicht’ is geen sprake, zolang de maatschappij zich er ook aan onttrekt.

Het is mij niet bekend of het essay van Hume, vertaald door Ton Vink, deel uitmaakt van Critchleys oorspronkelijke notities of dat de Nederlandse uitgever het eraan heeft toegevoegd om de amper 60 bladzijden van Critchley wat op te dikken. In elk geval wekt het de indruk alsof Critchley bevestiging van zijn opvattingen ontleent aan precies dezelfde van Hume. Filosofen onder elkaar: ook Hume op zijn beurt citeerde en vond bevestiging bij eerdere collega’s tot in de klassieke oudheid toe.

Critchley gaat met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis van de zelfmoord, ook al vaker gelezen, en brengt er een horde filosofen bij te pas die wat dan ook over het onderwerp hebben opgemerkt, van Sophocles via Immanuel Kant en Friedrich Nietzsche tot Jean Améry en natuurlijk E.M. Cioran. Daarnaast haalt hij tal van moderne schrijvers en andere kunstenaars aan die erover hebben geschreven, om vervolgens al dan (nog) niet de daad aan zichzelf te voltrekken. Enkele keren noemt hij Edouard Levé, een Franse conceptuele schilder, schrijver van een roman met de titel Suicide (2008). Tien dagen nadat Levé het manuscript ervan bij de uitgever had afgeleverd voegde hij de daad bij het woord. David Foster Wallace komt ter sprake met diens beroemd geworden lezing over de reden waarom door depressies getergde mensen die zelfmoord begaan met een vuurwapen zich bij voorkeur door het hoofd schieten en niet door het hart. Het brein is een goede dienaar, maar een despotische meester, de zelfmoordenaar vermoordt de meester. Zelf koos Wallace voor de strop. Of de dood van de gevierde schrijver en ‘gonzo’-journalist Hunter S. Thompson door zelfmoord werd veroorzaakt, is onzeker. Voor Critchley niet. Zo ook beweert hij over Dorothy Parker dat zij over haar eigen lot zou hebben beslist, maar deze schrijfster overleed niet bij de minstens vijf zelfmoordpogingen die ze ondernam (‘You might as well live’, schreef ze in een gedicht, je kunt net zo goed blijven leven), maar aan een hartattaque op haar drieënzeventigste. De zelfveroorzaakte levenseinden van Robin Williams en Philip Seymour Hoffman komen terloops aan bod, evenals hapsnap dat van Adolf Hitler, Hermann Göring en nog tal van anderen, zoals eigenlijk alles terloops en hapsnap blijft in dit betoogje, waarin geen nieuwe filosofische gedachten zijn te bespeuren en zo goed als louter bekende opvattingen, feiten en geruchten worden opgedist.

Critchley schrijft luchtig, vluchtig, onderhoudend over het beladen onderwerp, hier en daar min of meer ironisch naar het voorbeeld van Hume. Soms reproduceert hij passages uit een eerder boek van zijn hand: The Book of Dead Philosophers (2008, in Nederlandse vertaling door Fred Mathijsen Over mijn lijk. Wat filosofen en hun dood ons leren). Onder meer doet hij dit waar hij het heeft over zowel Hume als de minder bekende, Italiaanse filosoof Passerano (1698-1737), als vrijdenker en ‘ketter’ een zelfmoordapologeet als Critchley zelf zoveel eeuwen later: er is niets laakbaar aan zelfmoord.

Flauwekul

De schokkende dood van Kurt Cobain brengt de schrijver terug naar de eerste zin van zijn geschrift: dat het geen zelfmoordbrief is. Cobain liet er wel zo een achter, waarin hij verduidelijkte waarom hij het leven verliet, wat hij deed met een schot uit een hagelgeweer. Virginia Woolf schreef ook een afscheidsbrief voordat ze, haar jaszakken gevuld met stenen, het water inliep. Uit zo’n brief, niet iedere zelfmoordenaar brengt er de energie nog voor op, kan soms (ook niet altijd) de reden worden gedestilleerd van het voortijdige vaarwel.

Wat brengt iemand tot zelfmoord?

De hoogleraar Critchley kwam op het idee een workshop te organiseren met als thema de ‘zelfmoordbrief’, dit noemt hij ‘het beste deel van het verhaal’. De workshop was ‘ook bedoeld als een manier om wat te kunnen poken in die almaar groeiende ashoop van cursussen creatief schrijven’. In deze zin een sympathiek initiatief. Er kwamen vijftien mensen op af, met een journalist van The New York Times.

De zelfmoordbrief, zegt Critchley, is

een vorm van vertoon, een symptoom van opzettelijk exhibitionisme. En het is waar, voor de lezers ervan zijn zelfmoordbrieven een soort van pornografie. We mogen voor een moment voyeur worden en een blik werpen in een verborgen of verboden gemoedstoestand. Dat wat de suïcidant geschreven heeft, oefent een soort ziekelijke aantrekkingskracht uit.

Ga er maar aan staan, de deelnemers kregen er een kwartier de tijd voor, een dergelijke brief te componeren zonder het voornemen daarna voor de trein te springen of op een andere manier korte metten met zichzelf te maken. De resultaten waren flauw: ‘Het spijt me heel erg, vooral voor mijn hond. Lauren. P.S. Doe me een lol en begraaf me niet in Los Angeles.’ Een ander maakte er ernstiger werk van: ‘Mochten jullie onvermijdelijk dingen ontdekken die ik voor jullie verborgen heb gehouden, laat dit dan alstublieft niet de werkelijkheid noch de grootheid van mijn liefde voor jullie doen afzwakken.’ Van ‘vertoon’ en ‘exhibitionisme’ geen spoor, ook niet van pornografie, en over het waarom of de reden van het finale besluit, waar Critchleys speciale belangstelling op was gefocust, lieten de briefschrijvers het afweten. Hijzelf probeerde ook een brief, ‘maar de woorden wilden bij mij maar niet komen. Ik kreeg domweg niets op papier, ik weet niet waarom.’ Ik wel: omdat hij besefte dat hij bezig was met flauwekul. In de New York Times, zelfs in het Britse boulevardblad Daily Mail, werden hem dan ook behoorlijk de oren gewassen: ‘Filosofieprofessor maakt studenten gek.’ Zijn project werd onzinnig en egocentrisch genoemd, en vooral respectloos ten aanzien van mensen die geleden hebben of nog steeds lijden onder de zelfmoord van hun dierbaren.

Zo teleurstellend als Critchleys beschouwingen zijn, zo ergerniswekkend is de Nederlandse vertaling ervan. Het ‘suicide’ uit de titel van Critchleys ‘notes’, werd versuikerd tot ‘zelfdoding’ daar het publiek anders misschien zou worden afgeschrikt door het enige juiste woord voor het verschijnsel waar het boekje over handelt: zelfmoord. Zou deze concessie nog tot daaraan toe zijn, al denk ik dat Critchley zich ertegen zou hebben verzet als hij het had geweten, ronduit absurd is, in de vertaling van de tekst het woord ‘zelfdoding’ welhaast per regel te zien afgewisseld met het woord ‘zelfmoord’. Op pagina 54 staat: ‘Zelfmoord is moord’. Zo is het, en het is geen ‘-doding’.

Wie iemand doodschiet of vergiftigt begaat een moord, wie dergelijke methoden met voorbedachten rade op zichzelf toepast begaat een moord op zichzelf: een zelfmoord dus. Het laffe woord zelfdoding is verzonnen op de sofa van hedendaagse psychiaters omdat met het woord zelfmoord een negatief waardeoordeel zou worden uitgesproken en het stigmatiserend zou klinken. Weshalve de zielswetenschappers er omstreeks de jaren tachtig van de vorige eeuw het eufemisme zelfdoding voor in de plaats lanceerden, als om de daad minder verschrikkelijk te laten lijken. Sedertdien geldt zelfdoding als een synoniem voor zelfmoord, wat maar weer snel ongedaan moet worden gemaakt. Joost Zwagerman in zijn roman Zes sterren (2002):

Het woord [zelfdoding, JB] verspreidde de weeë geur van compassie en begrip. Weg dus met dat balsemende nikswoord. Zelfmóórd was het, niets anders. Ik bleef gewoon zelfmoord zeggen.

Zoals Critchley het ook deed en de vertaler het consequent en correct had dienen weer te geven.

Is er nog troost of bemoediging? Hier de woorden van een zelfdoder, op een karton geschreven voordat hij het wapen op zichzelf richtte: ‘Leef snel, leef goed, sterf gracieus.’

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?