cover big

Een kameleon in Parijs

Frans Denissen

Over Dagboek van een vreemdeling in Parijs van Curzio Malaparte (vert. Jan van der Haar)

De Arbeiderspers, Amsterdam, 2014,
ISBN 9789029589543 / 304p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 24-11-2014

Bookmark and Share

Curzio Malaparte, vanaf 1925 pseudoniem van Kurt Erich Suckert (1898-1957), loopt na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog – hij is dan amper zestien – weg uit het prestigieuze gymnasium van zijn Toscaanse geboortestad Prato, steekt clandestien de Franse grens over en sluit zich daar aan bij het Vreemdelingenlegioen om mee te kunnen vechten tegen Duitsland, nochtans het geboorteland van zijn vader. Wanneer Italië in mei 1915 eveneens de oorlog verklaart aan het Oostenrijks-Duitse bondgenootschap, keert hij terug en meldt zich meteen als vrijwilliger voor het front. Met het Italiaanse korps van de alpinisten wordt hij gedurende een deel van de krijgsverrichtingen op Frans grondgebied ingezet. Ook in de jaren twintig en dertig, wanneer hij nu eens een fervent aanhanger van het fascisme is en er dan weer mee in aanvaring komt, wijkt hij geregeld voor langere periodes naar Frankrijk uit. Hij publiceert er die boeken welke door de fascistische censuur worden afgewezen en schrijft sommige van zijn werken zelfs rechtstreeks in het Frans (onder meer Techniek van de staatsgreep, 1931). Het is dus niet verwonderlijk dat hij Frankrijk bij verscheidene gelegenheden als zijn ‘tweede vaderland’ beschrijft.

In juni 1947 wordt de grond hem in Italië vanwege de antifascistische zuiveringen te heet onder de voeten. Weliswaar is hij altijd een ‘lastige’ fascist geweest en is hij na de val van Benito Mussolini in juli 1943 net op tijd – volgens anderen rijkelijk laat – naar het kamp van de geallieerden overgelopen, maar veel Italianen zijn niet vergeten dat hij jarenlang zoete broodjes heeft gebakken met Mussolini’s schoonzoon Galeazzo Ciano, de minister van buitenlandse zaken die hem aan een vet betaald contract als oorlogscorrespondent voor het dagblad Corriere della Sera heeft geholpen. Bovendien heeft hij zich nooit aangesloten bij het antifascistische verzet. Integendeel: na de Italiaanse capitulatie in september 1943 was hij door de Amerikaanse troepen aangehouden op verdenking van spionage, maar kort daarop weer uit de gevangenis gehaald en als verbindingsofficier ingezet bij de geallieerde legers, waarvan de samenwerking met de (vooral linkse) Italiaanse verzetsgroepen lang niet altijd vlekkeloos verliep. Hij besluit dus tijdelijk uit te wijken naar Parijs, ook al is het intussen veertien jaar geleden dat hij daar nog heeft verbleven. Hij zal er, op enkele reizen naar Zwitserland na, tot eind 1949 blijven.

Stilzitten doet hij er zeker niet: hij schrijft er in het Italiaans het grootste gedeelte van De huid, rechtstreeks in het Frans twee toneelstukken – Du côté de chez Proust en Das Kapital, die allebei op de bühne floppen – en afwisselend in het Frans en het Italiaans een reeks aantekeningen die hij als zijn Parijse dagboek aan een Frans publiek wil presenteren. Dat project mislukt: tot zijn teleurstelling toont geen enkele Franse uitgever zich geïnteresseerd. Hij laat de tekst dan ook onafgewerkt.

In 1947 komt Malaparte namelijk in een ander Parijs en een ander Frankrijk terecht dan in wat hij veertien jaar eerder nog als zijn tweede vaderland beschouwde. Weliswaar is de Lichtstad, in tegenstelling tot Rome en Napels, niet platgebombardeerd uit de oorlog gekomen, maar de gevolgen van vier jaar Duitse bezetting – armoede, voedselschaarste, zwarte markt – zijn er nog steeds zichtbaar, en vooral: de jacht op al wie gecollaboreerd heeft is nog steeds gaande. Veel Fransen zijn wellicht ook niet vergeten dat Malaparte als alpenjager meevocht met Mussolini’s troepen tijdens diens kortstondige invasie van het Franse grondgebied in juni 1940, een ervaring die hem inspireerde tot zijn autobiografische roman Il sole è cieco (De zon is blind), nota bene gepubliceerd in 1946, een jaar voor zijn ‘vlucht’ naar Parijs. Hij wordt dus allesbehalve met open armen ontvangen. Veeleer wordt hij behandeld als een niet boven verdenking staande outsider: Jan van der Haar, intussen terecht zijn vaste Nederlandse vertaler, heeft voor zijn nawoord uitgerekend dat het woord straniero (vreemdeling, buitenlander) inclusief varianten maar liefst 118 keer in zijn ‘dagboek’ voorkomt.

De meest emblematische, en pijnlijke, episode op dat punt speelt zich af wanneer een gemeenschappelijke kennis hem voor een diner heeft uitgenodigd om kennis te maken met Albert Camus, wiens L’Étranger (!) hij zegt zeer te bewonderen. Het loopt op een catastrofe uit.

Ik merkte meteen dat hij me vol haat aankeek. Hij droeg een gewone das, en een gewone haat. Ik deed meteen mijn best om hem niet te beoordelen op zijn das, maar op zijn boeken. Om hem niet lik op stuk te geven. Ik vind het altijd jammer om onbegrip, haat, sektarisme te ontmoeten, ik doe altijd mijn best om me niet naar hetzelfde niveau te laten meevoeren als degene tegenover mij zich op een vals niveau bevindt. […] Ik had gehoord dat hij geen sympathie voor me had, en dat had me verbaasd van een schrijver als Camus: het leek me een getalenteerd man onwaardig om iemand te beoordelen zonder hem te kennen. Daarom was ik misschien naar hem toe gekomen met het onbewuste voornemen om hem te veroveren. Het verbaasde me dat Camus geen indruk op me maakte, maar ook dat ik allerminst de neiging voelde om zijn sympathie te winnen.

Camus lokt een discussie uit met de stelling dat Giuseppe Bottai, een van de meest kritische fascistische kopstukken, die zich na de val van het regime bij het vreemdelingenlegioen had aangemeld om ‘voor zijn fouten te boeten’, ogenblikkelijk gefusilleerd had moeten worden. Malaparte betrekt dit meteen op zichzelf en schrijft: ‘En ik stelde me het tafereel voor: ik met een blinddoek voor, vastgebonden op een stoel, aan de executiepaal, en Camus alleen tegenover me, met een geweer in de hand, zijn blik vastberaden, zijn gezicht gesloten, zijn voorhoofd ontbloot. Ik stelde me voor dat hij langdurig aanlegde, de trekker overhaalde en miste.’

Ik heb het woord ‘dagboek’ tussen aanhalingstekens geplaatst, zoals Malaparte zelf dat al doet in de eerste regel van zijn ‘Opzet van een voorwoord’ bij deze onvoltooide en pas negen jaar na zijn dood door Enrico Falqui bezorgde notities:

Elk ‘dagboek’ is een portret, een verslag, een verhaal, een herinnering, een geschiedenis. Dag na dag gemaakte aantekeningen vormen geen dagboek: het zijn lukraak gekozen momenten in de loop van de tijd, in de stroom van een voorbijgaande dag. Een ‘dagboek’ is een verhaal: het verhaal van een tranche de vie (de romandefinitie van een beroemde school), van een periode, een jaar, vele jaren, ons leven. […] Zoals elk verhaal brengt een dagboek een begin, een intrige, een conclusie met zich mee.

Het is onduidelijk hoe dat begin, die intrige en die conclusie eruit zouden hebben gezien indien Malaparte zijn notities zelf publicatierijp had kunnen maken. Nu eindigt het werk met een volstrekt van al het voorafgaande losstaand autobiografisch verhaal dat zich in 1938 afspeelt, wat als beoogde conclusie niet meteen overtuigend is. De lectuur van het zeer ongelijke geheel leidt eerder tot het vermoeden dat het gegaan moet zijn om een poging tot apologie van zijn antifascisme, dat in Italië bij velen als ongeloofwaardig is overgekomen en waarvan hij nu zijn Franse vrienden probeert te doordringen. De allereerste zin, gedateerd 30 juni 1947, klinkt al meteen als een captatio benevolentiae: ‘Eindelijk keer ik terug naar Parijs na veertien jaar ballingschap (mijn cursivering) in Italië.’ Om zijn doel te bereiken moet hij zelfs regelmatig de historische waarheid geweld aandoen. Zo klopt het bijvoorbeeld dat hij in 1933 – niet wegens antifascistische activiteiten, trouwens, zoals hij na de oorlog bij talloze gelegenheden zou beweren, maar wegens belediging van een minister – door het regime tot vijf jaar internering op het eiland Lipari werd veroordeeld, maar vermijdt hij zorgvuldig te vermelden dat hij al na een goed jaar zijn ‘ballingschap’ verder mocht uitzitten in een luxueuze villa in de mondaine badplaats Forte dei Marmi en dat hij, weliswaar onder een pseudoniem, rustig mocht doorgaan met zijn journalistieke bezigheden. Op een van de laatste pagina’s van het boek wordt hij zelfs pathetisch:

Mijn vrienden schrijven me vanuit Italië, ze verbazen zich over mijn stilzwijgen, mijn afkeer om tegenover bepaalde te gemakkelijke lastertongen te wijzen op mijn papieren als verzetsstrijder, die beslist niet onderdoen voor die van een François Mauriac, een Camus, een Sartre etc. etc. om alleen maar schrijvers te noemen. Ik heb niet enkel geschreven tegen, ik heb niet enkel samengespannen. In de gevangenis heb ik voor en tijdens de oorlog geboet, ik heb bij klaarlichte dag op het slagveld gestreden, ik heb vuurgevechten met de Duitsers en de fascisten gevoerd. […] Laat dit eens en vooral gezegd zijn, en wel zo helder mogelijk. Wie niet in de echtheid van mijn papieren als verzetsstrijder gelooft, moet maar navraag gaan doen.

Die navraag is intussen door een aantal Italiaanse (literatuur)historici gedaan en heeft – hoeft het te verbazen? – tot zeer uiteenlopende, om niet te zeggen tegenstrijdige besluiten geleid. ‘La donna è mobile qual piuma al vento – de vrouw is wispelturig als een pluimpje in de wind,’ luidt een van de beroemdste aria’s uit de operageschiedenis. Dezelfde aria zou kunnen worden gezongen over een hele reeks Italiaanse topintellectuelen, en Malaparte behoort daar zeker toe.

In een alternatieve versie van een ‘Opzet van een voorwoord’, door de vertaler in zijn noten opgenomen, schreef Malaparte: ‘Dag na dag gemaakte aantekeningen, al naargelang je pet staat, van de gebeurtenissen, de ontmoetingen, de overdenkingen, vormen geen dagboek: ze vormen vooral een serie dag na dag gemaakte aantekeningen.’ Zoals ik al schreef, zullen we nooit weten hoe zijn boek er definitief zou hebben uitgezien, maar toch geeft het in zijn huidige vorm de indruk van wat het in zijn ogen niet had mogen zijn: een allegaartje, waarin (al te schaarse) momenten van superieure schrijfkunst worden afgewisseld met ronduit irritante passages van egotripperij, zonder dat voor de lezer ook maar ergens die structuur, die voortgang te bekennen vallen die hij in zijn voorwoord als ideaal vooropstelt.

Tot de mooiste delen behoren zonder meer de beschrijvingen van het naoorlogse Parijs, en vooral dan van de volkswijken. Malaparte is een schrijver die – letterlijk – in geuren en kleuren een landschap en de mensen die het bevolken kan oproepen, met een soms rimbaldiaanse vermenging van de zintuiglijke waarnemingen die in surrealistische beelden kunnen uitmonden:

Maar de arbeiders, de winkeliers, de mannen op de drempel van de bistro’s, de bakkerijen, de drogisterijen, de huisvrouwen met de tas aan de arm, zelfs de soezende katten voor het raam hebben nog die Parijse hemel van 1789, die kinderhemel, helemaal roze, helemaal grijs, helemaal blauw, die hemel van dik blauw papier waarin suiker wordt verpakt. De kreten, de geluiden, het lieflijke knerpen van de wielen vormen een welluidend raamwerk, een roze arabesk in de hemel boven de daken. De vogels zingen onzichtbaar in de vouwen van de hemel als in de vouwen van dik blauw papier. En als ze klapwieken, valt er iets uit de lucht, een blauw stof, dat de ruiten van de ramen beslaat, dat neerdaalt op de vensterbaken, op de barsten van het pleister in de gevels, een stof dat een groene regen, een blauwe sneeuw, een roze as is. […] Parijs van de Rive Gauche; Parijs het gestorven meisje, de jonge mannequin helemaal roze helemaal blauw, van stof; Parijs met de huizen van wit, glad, glimmend kattenbeen; Parijs met de lucht van dik blauw papier; Parijs met de stille begrafenissen, begrafenissen ruikend naar kattenharen, blauw- en roze- en grijs- en geelgekleurde begrafenissen; Parijs met de dichte ramen; Parijs met het plaveisel van grijs leisteen, met de daken van roze blaadjes, met de hoeken waar de Seine stroomt en zich omkeert om de autobus te zien passeren waarop de heren van de imperiaal hun hoge hoed hebben afgezet om niet de groene takken van de gele bomen langs de nieuwe lanen te raken.

Jammer genoeg zijn er daarnaast veel, al te veel, storende passages. Malaparte is in feite een autodidact met een ongetwijfeld grote, maar chaotische belezenheid, die zich geroepen voelt om over alles en nog wat zijn mening te ventileren – kunst, politiek, filosofie, geschiedenis –, en die daarbij niet zelden vervalt in simplistische gemeenplaatsen. Of in louter geleuter, bijvoorbeeld op de talrijke plaatsen waar hij zijn wijsheid over de verschillende volkeren van Europa kwijt moet:

De vriendschap van een Fransman is een heel delicaat gevoel waaraan hij uiterste zorg besteedt. De vriendschap van een Italiaan is een vrucht; die van een Fransman een bloem. Een Italiaan is hartelijker in zijn gevoel van vriendschap: hij biedt die vrucht met warme grootmoedigheid aan. Maar de vrucht bederft snel, zonder van de boom los te laten. De bloem die de Fransman aanbiedt, is een zuivere bloem, de geur ervan is ijl, delicaat en licht. Ze verwelkt nooit. Na veertien jaar ben ik terug in Frankrijk, de bloem van de vriendschap is nog altijd daar, levend, fris, en de delicate, lichte geur ervan hangt in de lucht. De vriendschap van een Fransman neemt je honger niet weg. Ze verschaft geen voedsel voor het lichaam, als ik dat zo kan zeggen. De vriendschap van een Fransman is een bloem. Die van een Italiaan een vrucht. Die van een Duitser een drank, die van een Spanjaard een sinaasappel, die van een Engelsman een mooi stuk vlees, die van een Amerikaan ingeblikt.

Voor iemand met zo’n kosmopolitische voorgeschiedenis zijn zulke passages van een ondraaglijke lichtheid: als hij eenmaal op zijn praatstoel zit, is hij niet meer te stuiten. Het feit dat hij niet zelf de hand heeft gehad in de definitieve versie van het boek, is daar vermoedelijk niet vreemd aan.

Curzio Malaparte blijft in de eerste plaats de auteur van twee meesterwerken: Kaputt en De huid (merkwaardig genoeg schreef hij een groot deel van dat laatste in Parijs, ongeveer gelijktijdig met dit ‘dagboek’). Zijn Parijse notities voegen in mijn ogen weinig aan zijn glorie toe. Misschien is het in dit jaar waarin (alvast in België) het begin van de Eerste Wereldoorlog wordt herdacht, een gemiste kans dat in plaats daarvan niet zijn bliksemende (en in Italië ogenblikkelijk verboden) debuut werd vertaald, het soms huiveringwekkende essay-verhaal-pamflet Viva Caporetto! uit 1921, dat zijn titel ontleent aan het (tegenwoordig in Slovenië gelegen) dorp in het Karstgebergte waar het Italiaanse leger in oktober 1917 een verpletterende nederlaag leed. Dat is in de Italiaanse literatuur een nauwelijks overtroffen getuigenis over de gruwelen van de Groote Oorlog.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?